de wijk

zelfst.naamw. (m./v.)
Uitspraak:  [wɛik]
Verbuigingen:  wijk|en (meerv.)

deel van een stad of dorp
Synoniemen:  buurt, kwartier

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
buitenwijk buurt centrum handelswijk kwartier plein sectie stadsdeel stadskwartier stadswijk woonwijk

Spreekwoorden en zegswijzen
• waar meerderman komt moet minderman wijken (=als een machtig persoon iets zegt, moet de minder machtige zwijgen)
• geen voetbreed wijken (=hard op zijn standpunt blijven)
• geen strobreed wijken (=niets toegeven of niet van mening veranderen)
• geen handbreed wijken (=niet opzij gaan, nooit bang is)
Naar de spreekwoorden

15 definities op Encyclo
  1. •bewoond deel van een stad of een gemeente. •een watergang.
  2. Onderdeel van een gemeente waarin een bepaalde vorm van bodemgebruik of bebouwing overheerst. Bijvoorbeeld: industriegebied, woongebied met hoogbouw of laagbouw. Een wijk...
  3. Dwars op het hoofdkanaal gelegen zijkanaal in het hoogveenlandschap.
  4. Zijkanalen van een hoofddiep in het veenkoloniaal landschap, tussenliggende afstand 50 à 200 meter, daartussen weer zwetsloten
  5. Vestigingsplaats, dorp
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met wijk:
wijk achteromwijk achteruitwijk afwijk inwijk uitwijkagentwijkcentrawijkcentrumwijkcentrumswijkenwijkkrantwijktwijkverpleegkundigewijkverpleegsterwijkverpleging

Deze woorden eindigen op wijk:
achterstandswijkbuitenwijkkrottenwijkontwijkkrantenwijksloppenwijkstadswijknieuwbouwwijkvolkswijkzakenwijkwoonwijk

Herkomst volgens etymologiebank.nl
  1. wijk (stadsdeel)
  2. wijk (vlucht)
  3. wijk (zijvaart in turfgraverijen)


Hoe bekend is het woord?
Uit onderzoek van het Centrum voor Leesonderzoek blijkt dat alle Nederlanders en Vlamingen het woord `wijk` kennen.