de schil

zelfst.naamw. (m./v.)
Uitspraak:  [sxɪl]
Verbuigingen:  schil|len (meerv.)

buitenkant van een vrucht of knol
Voorbeelden:  `in de schil gekookte aardappels`,
`citroenschil`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
bast bolster dop huisschil huisschilderes korst peul schaal vel verver

7 definities op Encyclo
  1. buitenste bekleding van een vrucht Jaar van herkomst: 1285 (CG Rijmb. )
  2. [Vergeten woorden] (o. schillen) verschil, onderscheid [in geschil, verschil, = IJslands skil, ~ schillen, schelen, scheel ‘verschil’, schild, schaal]
  3. •(meestal makkelijk te vervormen) buitenlaag van bepaalde vruchten of knollen. •shell •elektronenschil.
  4. Let op: Spelling (deels) uit 1864: v. (-len), bast, omkleedsel; bolster; bekleedsel eener vrucht of plant; dop (van een ei); vlies.
  5. huid of bast van een vrucht of knol vb: hij kan in één keer de schil van een appel halen een peulenschil [een kleinigheid, iets wat je gemakkelijk doet]
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met schil:
schil afschildschildeschildenschilderschilder afschilder overschilderacademiënschilderacademiesschilderachtigschilderachtigheidschilderdeschilderdenschilderenschilderesschildergereischilderijschilderijenschilderijententoonstellingschildering
Toon alle woorden die beginnen met schil

Deze woorden eindigen op schil:
geschilmeningsverschilniveauverschilpeulenschilpotentiaalverschiltijverschilverschilaardappelschil
Toon alle woorden die eindigen op schil

Herkomst volgens etymologiebank.nl
schil (omhulsel, buitenste laag)

Hoe bekend is het woord?
Uit onderzoek van het Centrum voor Leesonderzoek blijkt dat alle Nederlanders en Vlamingen het woord `schil` kennen.