ruisen

werkw.
Uitspraak:  [ˈrœysə(n)]
Vervoegingen:  ruiste (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft geruist (volt.deelw.)

een zacht geluid maken dat niet ophoudt
Voorbeelden:  `De wind ruist in de bomen.`,
`een ruisende beek`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
brommen mompelen morren mummelen murmelen suizelen suizen zacht ruisen

3 definities op Encyclo
  • een zacht, eentonig geluid maken vb: de wind ruist zacht door de bomen
  • 1) Brommen 2) Een zacht dof geluid maken 3) Een zacht geluid maken 4) Geluid van de regen 5) Geluid van de wind 6) Geluid van de zee 7) Geluid van een beek 8) Geluid van ...
  • geluid van een stroom maken Jaar van herkomst: 1285 (CG Rijmb. )
  • Toon uitgebreidere definities

    Deze woorden eindigen op ruisen:
    aankruisenandreaskruisenantoniuskruisenbruisencommandeurskruisencruisendoorkruisendruisendubbelkruisenindruisenkruisenopbruisen

    Herkomst volgens etymologiebank.nl
    1. ruisen (geluid maken door wind, water e.d.)
    2. ruisen (wrijven, schuren)