I maar

bijwoord
Uitspraak:  [mar]

1) niet meer dan
Voorbeeld:  `Het is maar een paar minuten lopen.`
Synoniem:  slechts

2) <woord zonder duidelijke betekenis dat in allerlei zinnen en uitroepen voorkomt>
Voorbeelden:  `Het gaat maar door.`,
`Omdat ik niet precies weet hoe het moet, doe ik maar wat.`,
`Als de winkel maar niet dicht is!`,
`We stonden maar te wachten.`
Bekijk het maar!  (ik bemoei me er niet meer mee)


II maar

conjunction
Uitspraak:  [mar]

<woord dat in een zin een tegenstelling aankondigt>
Voorbeelden:  `Ik zou best willen, maar ik kan niet.`,
`Het ziet er mooi uit, maar de kwaliteit is waardeloos.`
Synoniem:  echter

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
almaar bedenking desalniettemin doch echter mare niettemin nochtans slechts toch

Spreekwoorden en zegswijzen
• wel de splinter in het oog van de ander zien, maar niet de balk in het eigen oog. (Mattheüs 7:3-5) (=iemand anders wel bekritiseren, maar eigen gebreken niet opmerken.)
• weet wat je zegt, maar zeg niet alles wat je weet. (=wees voorzichtig met woorden en je informatie)
• veel geblaat/geschreeuw maar weinig wol. (=veel woorden hebben maar in de praktijk komt daar weinig van terecht)
• tap hem maar borg hem niet (=wantrouw hem)
• schrijf het maar op je buik (dan kan je het met je hemd weer uitvegen) (=vergeet het maar)
Toon alle 58 spreekwoorden die maar bevatten

Taaladvies
  1. En en maar aan het begin van de zin: Mogen de voegwoorden en en maar worden gebruikt als eerste woord van de zin?
  2. Maar en echter in één zin: Kun je maar en echter in één zin gebruiken, bijvoorbeeld in: (Hij is best slim,) maar soms maakt hij echter domme opmerkingen?


Intensiveringen
Hoe kun je met maar een ander begrip versterken?
maar al te waar;

13 definities op Encyclo
  1. Let op: Spelling (deels) uit 1864: [bijwoord] slechts, alleenlijk, enkel, niet dan; mits; een weinig; eenvoudig, blootelijk. ~, vw. doch, echter, intussen. ~, o. voorwaar...
  2. [Vergeten woorden] (bn. maarder, maarst) schijnend, schitterend, luisterrijk, roemrijk, vermaard, groots [in Adelmar, Marlind, ~ meren ‘schijnen’]
  3. [Vergeten woorden] (m.) paard, ros [in maarschalk (eigenlijk ‘paardenknecht’), ~merrie]
  4. [Vergeten woorden] (v.) 1) stilstaand water, poel, moeras 2) gracht, afvoerkanaal [= Gronings moar, ~ meer, moer]
  5. geeft een tegenstelling aan vb: hij is wel aardig, maar ook een beetje gek Synoniemen: doch echter nochtans evenwel daarentegen niet meer dan dat vb: hij heeft maar twee ...
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met maar:
maarschalkmaarschalkenmaart

Deze woorden eindigen op maar:
almaaralsmaarzomaar

Herkomst volgens etymologiebank.nl
  1. maar (doch)
  2. maar (gracht)
  3. maar (kratermeer)
  4. maar = mare (bericht)
  5. maar = nachtmerrie


Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 100% van de Nederlanders en 99% van de Vlamingen het woord `maar`.