korten

werkw.
Uitspraak:  [ˈkɔrtə(n)]
Vervoegingen:  kortte (verl.tijd enkelv.) Toon alle vervoegingen

1) (iemand) minder geven dan eerder
Vervoegingen:  heeft gekort (volt.deelw.)
Voorbeelden:  `iemand korten op zijn uitkering`,
`het korten van hulp aan ouders met een invalide kind`

2) korter worden
Vervoegingen:  is gekort (volt.deelw.)
Voorbeeld:  `In de winter korten de dagen.`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
aftrekken besparen bezuinigen doden inkorten kort knippen kort maken krimpen matigen minderen snoeien verlagen

4 definities op Encyclo
  1. zie opkorten.
  2. minder geld uitgeven vb: ze hebben hem gekort op zijn uitkering Synoniemen: bezuinigen besparen ombuigen
  3. Let op: Spelling (deels) uit 1864: [bedrijvend werkwoord] ow. [gelijkvloeiend] (ik kortte, heb of ben gekort), in lengte verminderen; korter maken; snoeijen; aftrekken, i...
  4. 1) Aftrekken 2) Besparen 3) Bezuinigen 4) Doden 5) Doorbrengen 6) Een bedrag verminderen 7) In mindering brengen 8) Inhouden 9) Inkorten 10) Kortwieken 11) Krimpen 12) Ma...
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden eindigen op korten:
afkortenbegrotingstekortenbekorteninkortenoverheidstekortentekortenverkortenzuurstoftekorten

Herkomst volgens etymologiebank.nl
korten

Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 98% van de Nederlanders en 92% van de Vlamingen het woord `korten`.