besparen

werkw.
Uitspraak:  [bəˈsparə(n)]
Vervoegingen:  bespaarde (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft bespaard (volt.deelw.) Toon alle vervoegingen

1) minder uitgeven of verbruiken
Voorbeelden:  `brandstof besparen`,
`besparen op de energierekening`

2) ervoor zorgen dat iemand niet iets vervelends overkomt
Bespaar me je sarcasme.  (doe niet zo sarcastisch)

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
beknibbelen bezuinigen geld besparen korten matigen minder gebruiken mingebruiken sparen uitsparen

Intensiveringen
Hoe kun je besparen krachtiger uitdrukken?
flink besparen; fors besparen;

3 definities op Encyclo
  1. minder geld uitgeven vb: je bespaart veel geld als je niet op vakantie gaat er bleef hem niet veel bespaard [hij moest veel vervelende dingen meemaken] die moeite had je ...
  2. •("algemeen") minder van iets gebruiken of verbruiken. • [economie] minder geld uitgeven, bezuinigen. • [figuurlijk] niet met iets geconfronteerd willen worden.
  3. 1) Beknibbelen 2) Bezuinigen 3) Economiseren 4) Korten 5) Matigen 6) Mingebruiken 7) Ontsparen 8) Sauveren 9) Sparen 10) Uitsparen 11) Uitwinnen 12) Uitzuinigen 13) Verso...
Toon uitgebreidere definities

Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 100% van de Nederlanders en 99% van de Vlamingen het woord `besparen`.