hebben

werkw.
Uitspraak:  [ˈhɛbə(n)]
Vervoegingen:  had (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft gehad (volt.deelw.) Toon alle vervoegingen

1) bezitten of beschikken over
Voorbeelden:  `een mooi gebit hebben`,
`de Nederlandse nationaliteit hebben`,
`morgen tijd hebben om naar de film te gaan`
terug hebben van  (wisselgeld kunnen terugbetalen) `Het kost € 3,50. Heeft u terug van 50 euro?`
veel van iets of iemand hebben  (erg op iemand of iets lijken) `Hij heeft veel van zijn vader.`

2) lijden aan (een ziekte)
Voorbeelden:  `longontsteking hebben`,
`het aan je hart hebben`

3) <dit woord drukt, samen met het voltooid deelwoord, uit dat iets gebeurd of geweest is>
Voorbeeld:  `We hebben een mooie reis gemaakt. Nu gaan we weer aan het werk.`

4)
iets hebben tegen  (iets vervelend vinden aan (iets of iemand)) `Ik vind mijn collega niet zo aardig. Ik heb iets tegen hem, maar weet niet goed wat.`

5)
iets met iemand hebben  (een relatie met iemand hebben) `Volgens mij hebben die twee iets met elkaar.`

6)
iets aan (iets of iemand) hebben  (profijt hebben van (iets of iemand)) `Dat is een goede publicatie. Daar heb ik wel wat aan voor mijn onderzoek.`

7)
het over iets hebben  ((met iemand) over iets praten) `Over de schade moeten we het nog maar eens hebben.`

8)
het niet zo/erg hebben op  (niet zo/erg gesteld zijn op (iets of iemand)) `Ik heb het niet zo op poezen.`

9)
niet willen hebben  (niet willen dat (iets) gebeurt) `Ik wil niet hebben dat je er zo slordig bij loopt.`

10)
kunnen hebben  ((iets) kunnen verdragen) `Ik kan dat lawaai wel hebben.` Synoniem: tegen (iets) kunnen

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
beschikken over bezitten gehoord hebben lijden pakken

Spreekwoorden en zegswijzen
• zijn weerga niet hebben (=ongeëvenaard zijn)
• zijn schaapjes op het droge hebben (=de zaken op orde hebben of voldoende hebben om niet meer te hoeven werken)
• zijn schaapjes geschoren hebben (=van zijn rente kunnen leven)
• zijn ogen in zijn zak hebben (=zelfs het meest opzichtige niet zien)
• zijn meester gevonden hebben (=iemand gevonden hebben die beter is, het beter doet)
Toon alle 314 spreekwoorden die hebben bevatten

Taaladvies
  1. Gehad / gekregen: (ik heb van hem een boek -) Kan Ik heb van hem een boek gehad in dezelfde betekenis worden gebruikt als Ik heb van hem een boek gekregen?
  2. Hebben / zijn: (Hij is / heeft binnen kunnen komen) Is het Hij is met moeite binnen kunnen komen of Hij heeft met moeite binnen kunnen komen?
  3. Jan of Piet hebben / heeft dat gedaan: Wat is correct: Jan of Piet hebben dat gedaan of Jan of Piet heeft dat gedaan?


6 definities op Encyclo
  1. Let op: Spelling (deels) uit 1864: [bedrijvend werkwoord] , [hulpwerkwoord] [onregelmatig] (ik had, gehad), bezitten; ik heb iets (eenig ongemak) aan mijnen voet; [spreek...
  2. erop hebben: ik heb het er goed op gehad: ik heb goed gemikt
  3. • [auxl] gebruikt voor de vorming van de voltooide tijden. • [ov] (rechtmatig of wederrechtelijk) bezitten. • [ov] als onderdeel [pn] , omvatten, bevatten. • [ov]...
  4. dat het van iemand is vb: wij hebben een rode auto je hele hebben en houden [al je spullen]
  5. 1) Beschikken over 2) Bevatten 3) Bezitten 4) Disponeren 5) Houden 6) Hulpwerkwoord 7) Lijden 8) Pakken
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden eindigen op hebben:
beethebbendoorhebbengeflitsdatethebbengeremodeldhebbenliefhebbenoverhebbendeelhebbenplaatshebbenvoorhebbenaanhebben

Herkomst volgens etymologiebank.nl
hebben (bezitten, beschikken over)

Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 99% van de Nederlanders en 100% van de Vlamingen het woord `hebben`.