hangen

werkw.
Uitspraak:  [ˈhɑŋə(n)]
Vervoegingen:  hing (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft gehangen (volt.deelw.) Toon alle vervoegingen

1) aan de bovenkant vastmaken of vastzitten
Voorbeelden:  `De lamp hangt laag boven de tafel.`,
`Ik heb een foto van mijn idool aan de muur gehangen.`

2) niet rechtop staan of houden
Voorbeelden:  `je hoofd laten hangen als je somber bent`,
`De planten in de tuin hangen door te weinig water.`,
`van moeheid in je stoel hangen`

3)
met hangen en wurgen  (met zeer grote moeite) `met hangen en wurgen slagen voor je examen`

4)
blijven hangen  (ergens blijven terwijl je dat niet van plan was) `Ik ging even langs om een pakje af te geven, maar ik ben blijven hangen, zo gezellig was het.`

5)
erom hangen  (onzeker zijn) `Het hangt erom of we met vakantie kunnen.`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
afhangen drenzen drijven gehecht zijn haken ophangen zweven

Spreekwoorden en zegswijzen
• zijn oren laten hangen (=depressief zijn, het opgeven)
• zijn kap over de haag hangen (=uittreden uit klooster of priesterschap)
• zich tussen hangen en wurgen bevinden (=zich in gevaarlijke en moeilijke omstandigheden bevinden)
• wie het breed heeft laat het breed hangen (=iemand die veel geld heeft kan veel geld uitgeven)
• in de lucht hangen (=dreigen te gebeuren - onzeker zijn)
Toon alle 35 spreekwoorden die hangen bevatten

9 definities op Encyclo
  1. • [inerg] zich in een positie los van de bodem bevinden en door een bevestiging aan een ander voorwerp voor vallen behoed worden. • [inerg] door ophanging -meest aan ...
  2. Let op: Spelling (deels) uit 1864: [bedrijvend werkwoord] en ow. [ongelijkvloeiend] (ik hing, heb of ben gehangen), iets bij een einde aan een ander voorwerp vastmaken zo...
  3. Uit `De lagere vaktalen: De spinners-en weverstaal` 1914 het bovenwerk hangen: den kam aanhangen, of gereed maken om de keten aan te draaien.
  4. Uit `De lagere vaktalen: De spinners-en weverstaal` 1914 het onderwerk hangen: het onderwerk gereeds maken om te kunnen meê weven.
  5. Uit `De lagere vaktalen: De spinners-en weverstaal` 1914 't werk hangen: kam en là op gepaste hoogte hangen.
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met hangen:
hangendhangende

Deze woorden eindigen op hangen:
aaneengehangenaangehangenaanhangenafgehangenafhangenbehangenchangengehangenloshangenomgehangenopgehangenophangenovergehangenrondgehangenrondhangensamengehangensamenhangenuitgehangenuithangenvoorgehangen

Herkomst volgens etymologiebank.nl
hangen (aan iets bevestigen of bevestigd zijn zodat het niet valt)

Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 100% van de Nederlanders en 99% van de Vlamingen het woord `hangen`.