opspelen

werkw.
Uitspraak:  ['ɔpspelə(n)]
Vervoegingen:  speelde op (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft opgespeeld (volt.deelw.) Toon alle vervoegingen

1) (een kaart) op tafel leggen in een kaartspel
Voorbeeld:  `Nu moet je een kaart van dezelfde kleur opspelen.`

2) hinderlijk merkbaar zijn
Voorbeelden:  `opspelen van hormonen`,
`Haar enkelblessure speelt weer op.`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
opgooien protesteren

3 definities op Encyclo
  1. Spreekwoorden: (1914) Opspelen, d.w.z. uitvaren, razen, op (zijn poot of zijn klomp) spelen, de beest spelen (Hoeufft, 436); zie Molema, 312 b; Harrebomée III, 53: Ndl. ...
  2. 1) Aanspelen 2) Donderen 3) Donderjagen 4) Duvelen 5) Opgooien 6) Oppijpen 7) Protesteren 8) Razen 9) Spektakel maken 10) Spetteren 11) Stormen 12) Te keer gaan 13) Te ke...
  3. op zijn poot spelen, razen Jaar van herkomst: 1806-1807 (WNT )
Toon uitgebreidere definities

Herkomst volgens etymologiebank.nl
opspelen (op zijn poot spelen, razen)

Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 99% van de Nederlanders en 93% van de Vlamingen het woord `opspelen`.