bellen

werkw.
Uitspraak:  [ˈbɛlə(n)]
Vervoegingen:  belde (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft gebeld (volt.deelw.) Toon alle vervoegingen

1) iemand per telefoon bereiken
Voorbeelden:  `bellen met een collega`,
`een arts bellen`,
`bellen naar het buitenland`
Synoniemen:  opbellen, telefoneren

2) met een bel een signaal geven, vooral om te laten weten dat je voor de deur staat
Voorbeelden:  `3 x bellen`,
`Er wordt gebeld.`
Synoniem:  aanbellen

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
aanbellen door de telefoon praten iemand opbellen luiden opbellen schellen telefoneren

Taaladvies
Bellen: (het belt / de bel gaat) Is het belt correct?

8 definities op Encyclo
  1. [Vergeten woorden] (st. bol, heeft gebollen) blaffen, bassen [= Duits bellen, ~ blaten]
  2. [Vergeten woorden] (v.) bilzekruid
  3. Let op: Spelling (deels) uit 1864: ow. [gelijkvloeiend] (ik belde, heb gebeld), aan de bel trekken, schellen; om de meid -, haar door eene bel roepen. *...LETJE, (B. -N)...
  4. Uit `De lagere vaktalen: De taal der hopkweekers` 1914 d'hop staat in heur bellen.
  5. • [inerg] de deurbel over laten gaan. •door middel van een bel een signaal geven. • [ov] iemand opbellen, telefoneren naar iemand. •door middel van een bel roepen...
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met bellen:
bellenbadbellenblazenbellengeheugensbellenkamerbellenvat

Deze woorden eindigen op bellen:
aanbellenafbellenalarmbellendecibellendeurbellenfietsbellenluchtbellenoorbellenopbellennaambelleninternetbellenrebellenschoolbellentabellenterugbellenzeepbellen

Hoe bekend is het woord?
Uit onderzoek van het Centrum voor Leesonderzoek blijkt dat alle Nederlanders en Vlamingen het woord `bellen` kennen.