bellen

werkw.
Uitspraak:  [ˈbɛlə(n)]
Vervoegingen:  belde (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft gebeld (volt.deelw.)

1) iemand per telefoon bereiken
Voorbeelden:  `bellen met een collega`,
`een arts bellen`,
`bellen naar het buitenland`
Synoniemen:  opbellen, telefoneren

2) met een bel een signaal geven, vooral om te laten weten dat je voor de deur staat
Voorbeelden:  `3 x bellen`,
`Er wordt gebeld.`
Synoniem:  aanbellen

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
aanbellen door de telefoon praten iemand opbellen luiden opbellen schellen telefoneren

Taaladvies
  1. (het belt / de bel gaat) Is het belt correct? Zie Bellen
  2. Is sim-onlyabonnement correct geschreven? Zie sim-onlyabonnement
  3. Tijdens telefoongesprekken is het soms handig om klanken te omschrijven; bijvoorbeeld `de b van Bernard`. Welke omschrijvingen worden voor de andere letters gebruikt? Zie Telefoonalfabet: B van Bernard


8 definities op Encyclo
  • [Vergeten woorden] (st. bol, heeft gebollen) blaffen, bassen [= Duits bellen, ~ blaten]
  • [Vergeten woorden] (v.) bilzekruid
  • Uit `De lagere vaktalen: De taal der hopkweekers` 1914 d'hop staat in heur bellen.
  • • [inerg] de deurbel over laten gaan. •door middel van een bel een signaal geven. • [ov] iemand opbellen, telefoneren naar iemand. •door middel van een bel roepen...
  • helder geluid laten klinken vb: Doe de deur eens open, er wordt gebeld door middel van een apparaat (de telefoon) op afstand met iemand praten vb: ik bel je vanavond Syno...
  • Toon uitgebreidere definities

    Deze woorden beginnen met bellen:
    bellenbadbellenblazenbellengeheugensbellenkamerbellenvat

    Deze woorden eindigen op bellen:
    aanbellenafbellenalarmbellendecibellendeurbellenfietsbelleninternetbellenluchtbellennaambellenoorbellenopbellenrebellenschoolbellentabellenterugbellenzeepbellen