telefoneren

werkw.
Uitspraak:  [teləfoˈnerə(n)]
Vervoegingen:  telefoneerde (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft getelefoneerd (volt.deelw.) Toon alle vervoegingen

een gesprek voeren via de telefoon
Voorbeelden:  `telefoneren met iemand`,
`telefoneren naar het buitenland`
Synoniemen:  bellen, opbellen

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
bellen opbellen

4 definities op Encyclo
  1. ”Het is getelefoneerd”. Wordt gezegd van een acteur die een handeling doet dat hij onmogelijk kan weten. Vb. Naar de deur kijken omdat de acteur weet dat een medespel...
  2. • [inerg] een telefoon gebruiken.
  3. door middel van een apparaat (de telefoon) op afstand met iemand praten vb: ik heb naar huis getelefoneerd dat ik later kom Synoniemen: bellen opbellen
  4. 1) Bellen 2) Kantoorwerk 3) Opbellen 4) Oproepen 5) Per telefoon spreken 6) Spreken over afstand 7) Telefoon opnemen
Toon uitgebreidere definities

Hoe bekend is het woord?
Uit onderzoek van het Centrum voor Leesonderzoek blijkt dat alle Nederlanders en Vlamingen het woord `telefoneren` kennen.