terugbellen

werkw.
Uitspraak:  [tə'rʏxbɛlə(n)]
Vervoegingen:  belde terug (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft teruggebeld (volt.deelw.)

bellen naar iemand die je op een vorig tijdstip heeft gebeld
Voorbeeld:  `een berichtje inspreken op je vaders antwoordapparaat en vragen of hij je zo snel mogelijk terugbelt`

© Kernerman Dictionaries.