afscheiden

werkw.
Uitspraak:  ['ɑfsxɛidə(n)]
Vervoegingen:  scheidde af (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft afgescheiden (volt.deelw.) Toon alle vervoegingen

1) van zich uit laten gaan
Voorbeeld:  `De wond scheidt vocht af.`

2) (uit iets) verwijderen
Voorbeeld:  `vuil afscheiden uit de vloeistof`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
afsplitsen afvoeren afzonderen isoleren lozen produceren scheiden separeren splitsen uitscheiden uitstoten uitwerpen

4 definities op Encyclo
  1. • [ov] afzonderen, uit de aanwezigheid van iets verwijderen. • [refl] "zich ~": een apart (kerk)genootschap gaan vormen.
  2. er iets tussen zetten vb: ik wil mijn tuin afscheiden van die van de buurman een vloeistof aanmaken en afgeven vb: de melkklieren van de koe scheiden melk af je ervan los...
  3. 1) Afschutten 2) Afsluiten 3) Afsnijden 4) Afsplitsen 5) Afvoeren 6) Afzonderen 7) Isoleren 8) Losmaken 9) Lozen 10) Produceren 11) Scheiden 12) Segregeren 13) Separeren ...
  4. [Nederlands] Apart van elkaar houden
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met afscheiden:
afscheiden van

Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 99% van de Nederlanders en 100% van de Vlamingen het woord `afscheiden`.