4 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `zek`
- in verzekerde bewaring nemen (=opsluiten (in gevangenis))
- met de witte perdekies naar Velzeke rijden (=krankzinnig worden. In Velzeke bevindt zich een sanatorium; de `witte perdekies` (witte paardjes) verwijzen naar een ziekenwagen, waarmee de geestesgestoorde afgevoerd wordt. Uitdrukking uit het zuiden van Oost-Vlaanderen)
- zo zeker als de bank (=iemand die in alles te vertrouwen is)
- zo zeker als tweemaal twee vier is (=absoluut zeker)
32 betekenissen bevatten `zek`
- zo zeker als tweemaal twee vier is (=absoluut zeker)
- op jaren komen (=al een zekere leeftijd bereiken)
- gissen doet missen (=als je niet zeker bent van je zaak maar gokt, gaat het meestal fout)
- er voor gaan (=besluiten aan een onzekere onderneming te beginnen en zich er volledig voor in te zetten)
- daar kun je donder op zeggen (=daar mag je zeker van zijn)
- dat staat als een paal boven water (=dat is een absolute zekerheid)
- dat is zo vast als een huis (=dat is zeker)
- in de lucht hangen (=dreigen te gebeuren - onzeker zijn)
- met een rode letter aangetekend staan (=duidelijk vermeld , zodanig dat het zeker niet vergeten wordt)
- iemand het voordeel van de twijfel gunnen (=een onzekere factor voor hem zo gunstig mogelijk laten meetellen)
- een krakende wagen (=een onzekere zaak - iemand met een zwakke gezondheid)
- feestelijk danken (=er voor danken maar het zeker niet aannemen)
- ik mag de tering krijgen (=er zeker van zijn)
- vast in je schoenen staan (=erg zeker zijn)
- stevig in je schoenen staan (=erg zeker zijn)
- iemand iets op een briefje geven (=ergens heel zeker van zijn)
- er de hand voor in het vuur steken (=heel zeker weten dat iets zo is)
- het is een dubbeltje op zijn kant (=het is nipt, erg onzeker)
- iets staat op losse schroeven (=het is onzeker, er valt niet op te bouwen)
- oude schoenen wegwerpen voor men nieuwe heeft (=het onzekere voor het zekere nemen)
- haring of kuit ergens van willen hebben (=hij wil iets zeker weten of uitgezocht zien)
- iemand van zijn stuk brengen (=iemand onzeker maken)
- een knoop in zijn zakdoek leggen (=iets doen om ergens zeker aan herinnerd te worden)
- menen ligt dicht bij Kortrijk (maar verre van Waregem) (=iets menen is niet genoeg; je moet er zeker van zijn.)
- iets op losse schroeven zetten (=iets wankel en onzeker maken)
- in het ongewisse (=in onzekerheid)
- daar kan je gif op innemen (=je mag er zeker van zijn dat het gaat gebeuren)
- beter één ezel voor de ploeg dan twee paarden op stal. (=kiezen voor zekerheid.)
- met de witte perdekies naar Velzeke rijden (=krankzinnig worden. In Velzeke bevindt zich een sanatorium; de `witte perdekies` (witte paardjes) verwijzen naar een ziekenwagen, waarmee de geestesgestoorde afgevoerd wordt. Uitdrukking uit het zuiden van Oost-Vlaanderen)
- op het hellend vlak (=onzeker)
- van zijn stuk raken (=onzeker worden en niet meer weten wat te zeggen)
- vast in het zadel zitten (=zeker van iemands positie zijn in een organisatie)
28 dialectgezegden bevatten `zek`
- 's Mérges zèk de boer : de hoes nie te joëge of te drijve, ve zulle gemêkkelek gedoën krijge.s' Oëves zekter dan : Ver hoeve nimei te jöëge of te drijve, ve zulle toch nimei gedoën krijge (=nooit laten opjutten!) (Bilzers)
- da zek nie (=hieromtrent kunnen wij geen enkele zekerheid geven) (Bredaas)
- Das zèk (zeik) op de rik (=Dat is onzin / gezeur) (Geldermalsens)
- Dat zek ie vertelle (=Dat zal ik je zeggen) (Rijsoords)
- dat zèk mich geen véddër (=dat zegt me helemaal niets) (Munsterbilzen - Minsters)
- dat zit nog ien wiej zek (=dat is nog niet zeker) (Wells)
- Dé zék oe (=Ik zeg het je) (Kerkdriels)
- Det hingtj nog in wie zek (=Dat duurt nog wel even) (Hunsels)
- Det zit nog in wiej zek (=Dat is nog niet zeker) (Venloos)
- doë zèk ich vergif op (=daar kan ik echt boos om zijn) (Munsterbilzen - Minsters)
- gin paap zèk wèt (=niks waard zijn) (Rous (Sint-Genesius-Rode))
- hae ès nog te loemp vër liëg zêk raech te zètte (=de meest eenvoudige zaken kan hij nog niet aan) (Munsterbilzen - Minsters)
- Hae trék op zene aaë, mér den dektaur zék dattet miëglek nog goed kûmp mettem (=Als dat maar goed komt) (Bilzers)
- Hedde gillie thuus zek vúr de duur (=Hebben jullie thuis geen deuren) (Wells)
- ich zeen neet wat ich zèk (=pikdonker) (Neerharens)
- ich zek mer zoe, ut kint neet altied denhoale zien (heuvellands) (=ik zeg maar zo, het kan niet altijd denhalen zijn) (Eesjdens)
- ich zék zau : ich zék mér niks (=eerste plicht, mondje dicht) (Bilzers)
- kiek, hae zèk ook ins get! (=spuit nummer 11 geeft ook water!) (Munsterbilzen - Minsters)
- waaj vër nog joenk worre moeste vër èn de bës on de deense waajers ganse zek foenkelhoot, sjots en denneknüp gon raope (=in onze jeugdjaren moesten we van onze ouders heel wat zakken kleinhout, boomschors en dennenappels gaan rapen) (Munsterbilzen - Minsters)
- wè zèk er toch mee genaaid (=daar ben ik mooi klaar mee) (Tilburgs)
- wè zèk toch nen öl (=wat ben ik toch dom) (Tilburgs)
- weendj deut muuëles drejje, mer völtj gein zek (=je zult er iets voor moeten doen) (Weerts)
- wo zek dje mich noo (=wat zeg je me nu) (St Huibrechts-Herns)
- ze zèk zjus waaj 't èn 't stèk steet (=zij draait niet rond de pot) (Bilzers)
- zèk ët mich, dan zèg ich ët tich (=als jij het niet weet, hoe zou ik het dan kunnen weten) (Munsterbilzen - Minsters)
- zèk mich besjèet (=laat het me weten) (Gulpens)
- zék op unne riek (=wat een onzin) (Geffes)
- zoe lang den ieëzel de zêk drig, zoe lang hèt de boer him gieën (=een ezel is geliefd zolang hij goed werkt) (Munsterbilzen - Minsters)
Bronnen
De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers.
Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook:
- vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen