Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


29 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `vang`

  1. bot vangen (=ernaast pakken, het niet krijgen)
  2. de eerste stoot opvangen (=de eerste problemen opvangen)
  3. de molen is/loopt door de vang (=de zaak of persoon is in de war (gek))
  4. dieven met dieven vangen (=mensen die niet eerlijk zijn of gemeen, moet je op dezelfde manier ook behandelen)
  5. een bliek (spiering) uitgooien om een snoek te vangen (=met zo min mogelijk kosten proberen maximale winst te behalen)
  6. een spiering uitwerpen om een kabeljauw te vangen (=iets kleins aan een ander geven met de gedachte zelf iets groots terug te krijgen)
  7. een taling uitzenden om een eendvogel te vangen (=een kleinigheid opofferen om iets belangrijks terug te krijgen)
  8. een uil vangen (=een grote strop hebben)
  9. een vliegende kraai/vogel vangt/vindt altijd wat (=als je er maar op uit gaat, vind je altijd wel wat in je voordeel)
  10. elkaar vliegen afvangen (=op onbeduidende details elkaar beconcurreren dan wel duidelijk willen laten uitkomen dat men zelf gelijk heeft en de ander niet)
  11. het is alle dagen visdag maar geen vangdag (=als de buit of vangst tegen valt)
  12. hier niet zijn om vliegen te vangen (=niet gekomen om de tijd de verdoen)
  13. hij heeft een paling (snoek) gevangen (=iemand die per ongeluk in het water is gevallen)
  14. hij is onder een hoedje te vangen (=hij is zeer stil en gedwee)
  15. Hij vangt vissen met zijn handen (=Hij profiteert van andermans werk)
  16. hoge bomen/masten vangen veel wind (=in een hoge positie heeft men ook veel verantwoordelijkheid)
  17. iemand een vlieg afvangen (=iemand te vlug af zijn)
  18. in zulk water vangt men zulke vissen (=van dat slag volk mag men dat verwachten)
  19. in zulke vijvers vangt men zulke vissen (=van dat slag volk mag men dat verwachten)
  20. je weet nooit hoe een koe een haas vangt (=het kan altijd nog op onverwachte wijze tot een oplossing komen)
  21. men moet vossen met vossen vangen (=je moet een slimme persoon vangen door slim te zijn)
  22. men vangt meer vliegen met honing/stroop dan met azijn (=door vriendelijk te zijn bereik je meer bij iemand dan met lelijke woorden)
  23. met onwillige honden is het slecht hazen vangen (=het is moeilijk om samen te werken met mensen die niet willen)
  24. met open armen ontvangen (=erg hartelijk ontvangen worden)
  25. met spek vangt men muizen (=met veel vrijgevigheid kan men iedereen overhalen)
  26. niet voor een gat te vangen (=niet door één moeilijkheid te ontmoedigen)
  27. om vliegen te vangen (=om te luieren (niets te doen))
  28. te vangen als een aal bij zijn staart (=moeilijk te vatten)
  29. wie slaapt vangt niks (=je moet wel opletten)

25 betekenissen bevatten `vang`

  1. het is alle dagen visdag maar geen vangdag (=als de buit of vangst tegen valt)
  2. dan moet de wal het schip maar keren (=als iemand niet vooraf rekening houdt met een naderend probleem, dan moet het probleem maar daadwerkelijk in volle omvang ontstaan, en dan alsnog worden opgelost)
  3. geen bericht is goed bericht (=als je niet weet hoe het met iets of iemand gaat, kun je ervan uitgaan dat het goed gaat, zolang je geen slecht bericht ontvangt)
  4. de eerste stoot opvangen (=de eerste problemen opvangen)
  5. de krenten uit de pap halen (=de meest aantrekkelijke gedeelten voor zichzelf bestemmen, bijvoorbeeld de meest interessante taken uit een omvangrijk werk)
  6. hij heeft met een zilveren (of gouden) hengel gevist (=die heeft vis gekocht in plaats van gevangen. Ook: met bedrog zijn doel bereiken)
  7. in goede aarde vallen (=door de ontvanger goed ontvangen worden)
  8. een gladde aal (=een gewiekst persoon (moeilijk te vangen))
  9. een aflossing van de wacht (=een vervanging van de ene persoon door een andere)
  10. er is met hem te eggen noch te ploegen (=er is met hem niets aan te vangen)
  11. met open armen ontvangen (=erg hartelijk ontvangen worden)
  12. de bak indraaien (=gevangen genomen worden)
  13. de aap beet/binnen/weg hebben (=het geld ontvangen hebben)
  14. een sigaar uit eigen doos presenteren (=iemand iets aanbieden dat in feite door de ontvanger zelf is betaald)
  15. iemand belet geven (=iemand niet ontvangen)
  16. er is geen rooi mee te schieten (=je kan er niets mee aanvangen)
  17. er is geen land met hem te bezeilen (=je kan met hem niets aanvangen, omdat hij niet wil meewerken)
  18. men moet vossen met vossen vangen (=je moet een slimme persoon vangen door slim te zijn)
  19. men moet geen oude schoenen wegwerpen voordat men nieuwe heeft (=je moet niet iets al afdanken zonder dat er een vervanger voor is)
  20. wie zichzelf bewaart, bewaart geen rotte appel (=je moet voorzichtig omgaan met jezelf, want het is niet vervangbaar)
  21. zich schrap zetten (=klaarmaken om de klap op te vangen)
  22. het is een gladde aal (=niet gemakkelijk te vangen (figuurlijk))
  23. in verzekerde bewaring nemen (=opsluiten (in gevangenis))
  24. (goed) begonnen is half gewonnen (=wat niet aangevangen wordt komt ook nooit af. / Wanneer het begin van iets goed is, is de kans groter dat het goed eindigt)
  25. aan de vishaak bijten (=zich laten vangen, toehappen)

Het dialectenwoordenboek kent 65 spreekwoorden met `vang`

  1. Munsterbilzen - Minsters: aste loemp bés zulste al és aater het nèt vange (=als je zo lomp bent als vis, kan je al eens bot vangen)
  2. Munsterbilzen - Minsters: laajs vange (=niets doen)
  3. Kortrijks: ne skjèvn vangn (=een klacht krijgen)
  4. Flakkees: Hoage boamen vangen veul wind (=Hoge bomen vangen veel wind)
  5. Munsterbilzen - Minsters: aater de körf vèsse (=een visser die bot vangt)
  6. Lummens: Ich mot nog pieringen vange om goén te veschen (=Ik moet nog pieren vangen om te gaan vissen.)
  7. Munsterbilzen - Minsters: oppet nès vange (=op heterdaad betrappen)
  8. Waregems: een kouwe vang'n (=verkoudheid opdoen)
  9. Bilzers: haat zen eege vür de gek, kloetemezjaur (=mij vang je daar niet mee, mijnheerke)
  10. Lovendegems: een uilken vangen (=middagdutje doen*)
  11. Mechels (NL): vang dig un hoon (=Dat doe ik niet)
  12. Veurns: je vangt ze (=je bent niet goed wijs)
  13. Weerts: Dich kins mich 'n baerke vange (=Je kunt me wat !)
  14. Veurns: ze vang'n (=niet goed wijs zijn)
  15. Munsterbilzen - Minsters: aste zene kop boëven aut stiks, sjiete ze trop (=hoge bomen vangen veel wind)
  16. Walshoutems: Baloene pakke in de wermeshof onder de makrauseleer (=Meikevers vangen in de tuin onder de seringenboom)
  17. Bilzers: nie wiëte van wo hoot pijle maoke (=niet weten wat aan te vangen)
  18. Munsterbilzen - Minsters: tiëge de moer oplope (=bot vangen)
  19. Westerkwartiers: één die onnerweeg'ns is vangt altied wat (=een lopende hond vangt altijd wel een bot)
  20. Sint-Niklaas: in de neus koteren (pielewuiters vangen) (=in de neus plukken)
  21. Ronsisch: De buile vang'n (=De gevolgen dragen)
  22. Bilzers: Doë wos niks mèt 'm aon te vange (=Hij was onhandelbaar)
  23. Munsterbilzen - Minsters: de zits haaj nie vër vliege te vange (=steek de armen maar uit de mouwen)
  24. Oudenbosch: diejis op Posjevaert lullukkurts vange (=wat blijft hij steeds nog lang weg)
  25. Munsterbilzen - Minsters: zaad op zene stat lègge (=vangen)
  26. Waregems: mokt dad an ui meetje wijs (=mij vang je daar niet mee)
  27. Oudenaards: de buile vangn (=de schuld krijgen)
  28. Zeeuws: j e kan beter vliehen vangn bie stroop as bie arzien (=flemen)
  29. Liedekerks: e begintj te vangen (=Hij begint zot te worden)
  30. Lebbeeks: land: Mé em val gé land te bezouijl'n (=Met hem valt er niets aan te vangen)
  31. Veurns: Je wit nooëit oe dat e koe een oaze vangt! (=Je weet nooit hoe je gelukt hebt!)
  32. Westerkwartiers: de vroege vogel vangt de wurm (=wie vroeg begint kan veel verdienen)
  33. Munsterbilzen - Minsters: haug beem vange viël wènd (=wie vaart heeft dikwijls tegenwind)
  34. Roermonds: Jong vang dich eine baer (=Ga toch fietsen)
  35. Antwerps: dee doe tog wa cumelees zenne (=die vangt toch wel wat aan)
  36. Lichtervelds: jeet weer in ze gat (=er is niets mee aan te vangen)
  37. Lokers: zijde krekels aunt vangen; zijde pooken aunt vangen? (=iemand die neuspeutert)
  38. Munsterbilzen - Minsters: dae hèt lang aater hër zitte te vange (=hij heeft er lang achter gelopen)
  39. Munsterbilzen - Minsters: van zenen traun valle (=hoge bomen vangen veel wind)
  40. Munsterbilzen - Minsters: de weeld stik em (=hij weet niet wat aan te vangen met zijn overvloed)
  41. Sint-Niklaas: pompaf zin; kèn op min tong getrapt; 'k ben de leuter af; ze kunne me vangen onder een klak (=bekaf zijn)
  42. Baasrode: hij zal nog met zei gat vliege vangen (=iemand die voor niets goed is)
  43. Westerkwartiers: 'k zit hier niet om vlieg'n te vang'n (=als ik hier ben wil ik ook wat doen)
  44. Sint-Niklaas: ei (zij) vang zèn (deur) pielewuiters (=iemand die in zijn neus peutert)
  45. Westerkwartiers: 'n loopn'de hond vangt altied wel 'n bot (=iemand die veel reist krijgt vaak wel wat)
  46. Bilzers: douë es géén haus mèt te haage (=daar is niks mee aan te vangen)
  47. Munsterbilzen - Minsters: gene stamp onder zen kloete wiëd zin (=niets mee aan te vangen)
  48. Waregems: 'k oa em te knippen, 'k oad'n te stekk'n/ te skèr'n (=ik kon hem vangen)
  49. West-Vlaams: zoektj'spel?,wildj boeL?,moeje een vuste vangn?? (=wilt u een conversatie aangaan?)
  50. Munsterbilzen - Minsters: daaj doog aut er pens nie (=daar is niets mee aan te vangen)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen