Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


24 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `elkaar`

  1. aan elkaar gewaagd zijn (=beiden vrijwel evenwaardig zijn)
  2. aan elkaar hangen als droog zand (=geen enkele samenhang vertonen)
  3. aan elkaar knopen (=gegevens samenvoegen)
  4. als los zand aan elkaar hangen (=zonder enige samenhang)
  5. bij elkaar flansen (=samenrapen)
  6. bij elkaar passen als twee trommelstokken (=goed bij elkaar passen)
  7. bomen ontmoeten elkaar niet, mensen wel (=de kans dat je iemand toevallig tegenkomt is groot)
  8. de eindjes (niet) aan elkaar knopen (=(niet) rond komen (met z'n inkomen))
  9. De haan en de vos hebben elkaar te gast (=Twee bedriegers zijn steeds op hun eigen voordeel uit)
  10. de hoofden bij elkaar steken (=overleg plegen)
  11. de koppen bij elkaar steken (=overleggen)
  12. die twee lijken als twee druppels water op elkaar (=die twee lijken heel erg op elkaar)
  13. een gek en zijn geld blijven nooit lang bij elkaar (=geld uitgeven aan nutteloze en onnodige dingen)
  14. elkaar bij de neus nemen (=Elkaar voor de gek houden)
  15. elkaar de bal toespelen (=elkaar voordeeltjes bezorgen)
  16. elkaar in de haren vliegen (=ruzie maken)
  17. elkaar vliegen afvangen (=op onbeduidende details elkaar beconcurreren dan wel duidelijk willen laten uitkomen dat men zelf gelijk heeft en de ander niet)
  18. ergens de handen voor op elkaar krijgen (=ergens steun (applaus) voor krijgen)
  19. laten we elkaar geen mietje noemen (=laten we precies zeggen hoe we denken over de ander)
  20. op elkaar lijken als het ene ei op het andere (=goed op elkaar lijken)
  21. op elkaar lijken als twee druppels water (=precies op elkaar lijken)
  22. voor elkaar boksen (=gedaan krijgen, in orde maken)
  23. ze alle vijf bij elkaar hebben (=goed bij zijn verstand zijn)
  24. zij kunnen elkaar een hand geven (=zij bevinden zich in een vergelijkbare situatie)

61 betekenissen bevatten `elkaar`

  1. Uit hetzelfde gat schijten (=1: Onafscheidelijke kameraden zijn. 2: Het met elkaar eens zijn)
  2. als de ganzen (=achter elkaar op een rijtje)
  3. de barricades opgaan (=actie voeren om iets voor elkaar te krijgen of juist tegen te houden)
  4. lief en leed delen (=allerlei plezierige en droevige dingen met elkaar beleefd hebben)
  5. bij de roes (=alles door elkaar)
  6. wanneer twee honden vechten om een been, loopt de derde ermee heen (=als twee strijdende personen of partijen zich richten op elkaar, kan een ander daarvan profiteren door zich datgene toe te eigenen waar om gestreden wordt)
  7. waar twee kijven hebben twee schuld (=beide personen hebben schuld als ze ruzie met elkaar maken)
  8. dat is de aard van het beestje (=dat is typisch iets voor die persoon; zo zit hij of zij nu eenmaal in elkaar)
  9. dat zijn aambeien met slagroom (=dat zijn dingen die niets met elkaar van doen hebben)
  10. onder de pannen zijn (=de (geld)zaken goed voor elkaar hebben)
  11. als de ene hand de andere wast worden ze beide schoon (=de taak wordt gemakkelijk als je elkaar helpt)
  12. op een kluitje (=dicht bij elkaar)
  13. die twee lijken als twee druppels water op elkaar (=die twee lijken heel erg op elkaar)
  14. niet kunnen rijmen (=dingen die niet met elkaar kloppen of het samen niet kunnen begrijpen)
  15. een Babylonische spraakverwarring (=door elkaar spreken zonder naar elkaar te luisteren en elkaar niet verstaan)
  16. iets/iemand in de gaten hebben/krijgen (=doorkrijgen hoe dingen in elkaar steken of zicht houden op de situatie)
  17. klare wijn schenken (=eerlijk en duidelijk vertellen hoe de situatie in elkaar steekt)
  18. water en vuur zijn (=elkaar niet kunnen verdragen)
  19. hou en trouw (beloven) (=elkaar overal (zullen) helpen)
  20. Elkaar bij de neus nemen (=elkaar voor de gek houden)
  21. elkaar de bal toespelen (=elkaar voordeeltjes bezorgen)
  22. op dezelfde leest geschoeid zijn (=erg op elkaar lijken)
  23. ergens haring of kuit van willen hebben (=ergens precies van willen weten hoe het in elkaar steekt)
  24. bij elkaar passen als twee trommelstokken (=goed bij elkaar passen)
  25. op elkaar lijken als het ene ei op het andere (=goed op elkaar lijken)
  26. het is er haardje bij schuurtje (=het is er klein, dicht op elkaar)
  27. op zijn pootjes terecht komen (=het komt vanzelf wel voor elkaar)
  28. iemand uit de tent lokken (=het voor elkaar krijgen dat iemand ergens een uitspraak over doet)
  29. hoe komt het kalf bij zijn maat (=hoe wonderlijk men elkaar kan ontmoeten)
  30. een brutaal mens heeft de halve wereld (=iemand die wat durft te zeggen krijgt het meestal wel voor elkaar)
  31. ik maak een platvis van je (=iemand dreigen in elkaar te slaan)
  32. in zijn zak hebben (=iemand goed kennen, iets helemaal begrijpen, iets voor elkaar hebben)
  33. iemand uit de droom helpen (=iemand vertellen hoe het écht in elkaar zit)
  34. Een man zonder vrouw is als een paard zonder teugels. (=In het huwelijk hebben man en vrouw elkaar nodig)
  35. een kat komt altijd op z'n pootjes terecht (=ingewikkelde en vervelende dingen kunnen vanzelf weer voor elkaar komen)
  36. soort zoekt soort (=mensen met dezelfde interesses zoeken elkaar op)
  37. het op een akkoordje gooien (=met elkaar afspreken iets op een bepaalde manier aan te pakken)
  38. de violen stemmen (=met elkaar onderhandelen, naar compromissen zoeken)
  39. op gespannen voet (zijn) (=moeilijk met elkaar omgaan, ruzie)
  40. ieder voor zich en God voor ons allen (=niemand helpt elkaar)
  41. als een tang op een varken passen/sluiten (=niet bij elkaar passen)
  42. schots en scheef zijn/staan (=ongeordend door elkaar heen)
  43. van een bruiloft komt een bruiloft (=op een bruiloft kunnen twee mensen elkaar leren kennen die dan weer gaan trouwen)
  44. elkaar vliegen afvangen (=op onbeduidende details elkaar beconcurreren dan wel duidelijk willen laten uitkomen dat men zelf gelijk heeft en de ander niet)
  45. instorten als een kaartenhuisje (=plots en snel in elkaar zakken, tenietgedaan worden)
  46. de schellen vallen hem van de ogen (=plotseling iets begrijpen hoe het in elkaar steekt)
  47. op elkaar lijken als twee druppels water (=precies op elkaar lijken)
  48. petje af (=respect betonen voor hoe iemand iets voor elkaar gekregen heeft)
  49. overhoop liggen (=ruzie met elkaar hebben)
  50. het met iemand aan de stok hebben/krijgen (=ruzie met elkaar hebben/krijgen)

Het dialectenwoordenboek kent 114 spreekwoorden met `elkaar`

  1. Tilburgs: we hèbbe saome in dezèlfde waaj gelôope. (=we zijn samen , in elkaars buurt, opgegroeid,)
  2. Sint-Niklaas: een eike geven (=zacht en strelend met een wang tegen elkaars gezicht wrijven)
  3. Westerkwartiers: ien mekoar frutsel'n (=in elkaar prutsen)
  4. Westerkwartiers: onner eig'n volk (=onder elkaar)
  5. Izegems: top oovr t'ès (=door elkaar)
  6. Zolders: fokkedeere (=iets in elkaar knutselen)
  7. Heerlens: vamerakel houwe (=in elkaar slaan)
  8. Waregems: roezepetoeze (=alles door elkaar (oprapen,stapelen))
  9. Westerkwartiers: alles deur 'n anner hen (=alles door elkaar heen)
  10. Westerkwartiers: wolv'm verscheur'n 'n anner niet (=booswichten steunen elkaar)
  11. Zeeuws: deur de kedoengze doen (=door elkaar rammelen)
  12. Liwwadders: lepelke - lepelke legge (=dicht tegen elkaar aanliggen (in bed))
  13. Westerkwartiers: 't komt veur de bakker (=het komt voor elkaar)
  14. Rotterdams: Kat in 't bakkie of okidokiii (=Komt voor elkaar.)
  15. Venloos: oet den aek dreije (=voor elkaar krijgen)
  16. Hals: as ge ba den ond sloapt, ropte zen vluuje (=elkaar aansteken)
  17. Zeeuws: Goed geboerd liggen (=De zaakjes voor elkaar hebben)
  18. Sint-Niklaas: doent mor vaneen (=doe het maar van elkaar (uit elkaar))
  19. Ledegems, Kappels: wistekapeele (=alles door elkaar)
  20. Antwerps: das in de sjakos (=dat is voor elkaar)
  21. Liwwadders: sappele (=de eindjes moeizaam aan elkaar knopen)
  22. Sint-Niklaas: ondereen kletsen (=onder elkaar smijten)
  23. Opglabbeeks: in griezelemente valle (=in stukken uit elkaar vallen)
  24. Westerkwartiers: geld zocht geld (=rijke vrijers zoeken elkaar)
  25. Zeeuws: t uusje bi de schuure ouwen (=bij elkaar houden)
  26. Westerkwartiers: da's veur de bakker (=dat is dik voor elkaar)
  27. Zeeuws: deur mekaarn roenkelen (=door elkaar roeren)
  28. Zeeuws: t is allemille snotte en kwiele (=flauw met elkaar)
  29. Tilburgs: dikke mik meej zuure zult (=prima voor elkaar)
  30. Zeeuws: tis pik en vier (=elkaar niet uit kunnen staan)
  31. Waregems: te reke (vb. drie slagen) (=kort na elkaar (vb. drie slagen))
  32. Drents: Wij akkedeert goed (=Goed met elkaar op kunnen schieten.)
  33. Sint-Niklaas: ei was alles ont bijeenkletsen (=hij goot alles bij bij elkaar)
  34. Hals: gerèie en gebréie ba mekander zitte (=veel bij elkaar zijn)
  35. Tilburgs: hout op hout zaogt nie! (=mannen behoren elkaar niet te kussen.)
  36. Waregems: 't es 'n ipgezet spel (=vooraf onder elkaar geregeld)
  37. Weerts: De ein kre-j piktj de ânger gein oug oet (=Vrienden helpen elkaar)
  38. kortemarks: ze zyn van tzelfste gedacht (=ze zijn het met elkaar eens)
  39. Westerkwartiers: ze speul'n 'n anner de baal toe (=zij bevoordelen elkaar)
  40. Westerkwartiers: zij hemm'n mot met 'n anner (=zij hebben ruzie met elkaar)
  41. Waregems: roezepetoeze (=alles door elkaar geschud (toeval laten spelen))
  42. Lovendegems: da goa goe t' huupe (=dat past goed bij elkaar*)
  43. Gronings: hest weer veur'n kander (=heb je het weer voor elkaar)
  44. Westerkwartiers: veul te dicht op 'n anner (=veel te dicht bij elkaar)
  45. Lichtervelds: tis famielj uut (=we praten niet meer met elkaar)
  46. Arendonks: weten huw dèt 't vereke gebönne ligt (=weten hoe het in elkaar zit)
  47. Tilburgs: ze zò-n alles in bekaare rêepe (=ze zouden alles in elkaar rijden)
  48. Lichtervelds: tis doa beeld moa gièèn klank (=ze spreken niet met elkaar)
  49. Tilburgs: ze zaage mekaare verrèkkes gèère. (=ze waren straalverliefd op elkaar.)
  50. Sint-Niklaas: das piek a piek (=ze kunnen elkaar niet lijden)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen