Spreekwoorden met `trok`

Zoek

2 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `trok`

  1. als door een repel getrokken (=zeer mager)
  2. uit de klei getrokken (=boers)

5 betekenissen bevatten `trok`

  1. buiten spel blijven (=(willen) proberen niet betrokken te zijn)
  2. wie het dichtst bij het vuur zit, warmt zich het meest (=als je ergens nauw bij betrokken bent, geniet je het meeste voordeel ervan)
  3. een heilig huisje (=een herberg - een (voor de betrokkene) onaantastbare waarheid)
  4. de dans ontspringen (=niet in het onheil betrokken worden)
  5. een muurbloempje zijn (=stil en teruggetrokken zijn)

44 dialectgezegden bevatten `trok`

  1. 't es van'n trok dagge moetj leven (=je moet de gelegenheid te baat nemen) (Ninoofs)
  2. 't is van den trok daë moe leevn (=wanneer iemand klaagt over tocht) (Kaprijks)
  3. a ee veel trok (=hij trekt veel vrouwen aan) (Meers)
  4. a es op trok (=hij is op zwier) (Meers)
  5. a trok d'r nogal wa kletters af (=erg hard vloeken) (Meers)
  6. a trok em tegen zanne gelee (=Hij greep hem vast om...) (Ninoofs)
  7. aij zit nognie aon dun trok (=hij erft voorlopig nog niks) (Hulsters (NL))
  8. daaj trok ë gezich waajne stront (=ze trok een heel lelijk gezicht) (Munsterbilzen - Minsters)
  9. daaj worter nie sjiëteg op; ze trok mér e sjeef gezich (=zij had het niet graag) (Bilzers)
  10. dat trok veul bekieks (=bekijken - dat trok veel bekijks) (Westerkwartiers)
  11. det is tillefonieëre sônger draod zag Graad en hae trôk d'r eine aaf det 't kraakdje (=zegt iemand die een scheet wil laten) (Weerts)
  12. doar trok 'er zien neus niet veur op (=daar schaamde hij zich niet voor) (Westerkwartiers)
  13. doar trok ze heur neus veur op (=dat was haar niet goed genoeg) (Westerkwartiers)
  14. een trok onder a gat geevn (=billenkoek geven) (Kaprijks)
  15. gif dèm 'nen trok onder zè gat (=geef hem een schop onder zijn achterste) (Sint-Niklaas)
  16. hae ho(ch) ë gezich waaj ne stront (=hij trok een lelijke snuit) (Munsterbilzen - Minsters)
  17. hae trok mèr n heil zoer maul (=de scheikundige kreeg een bijtmiddel in zijn oog) (Munsterbilzen - Minsters)
  18. hae wol nie aofgon waaj ne gieter (=de parachutist trok zijn paraplu) (Munsterbilzen - Minsters)
  19. hae wor opte slaog ribbedebie (=hij trok er snel vanonder) (Munsterbilzen - Minsters)
  20. trok zèn chore (ook: choor) - of: assèle op. (=Hij haalde zijn schouders op.) (Overrepens)
  21. ie trok un hezicht va nouwe lappen (=lelijk kijken) (Zeeuws)
  22. iejen brak zen biejen, twieje zette het oniejen, draa goeng verbaa, vier goeng no Lier, vaaf sloeg zen waaf, zes trok zen mes, zeuve goeng no Leuve, acht heef de wacht, neege heef hem teege en tien had hem gezien (=één brak zijn been, twee zette het aaneen, drie ging voorbij, vier ging naar Lier, vijf sloeg zijn wijf, zes trok zijn mes, zeven ging naar Leuven, acht hield de wacht, negen hield hem tegen en tien had hem gezien) (herenthouts)
  23. iemand nen trôk in zij cabine gêven (=iemand in zijn klokkenspel slaan) (Gents)
  24. ij trok nen tout (=hij zette een nors gezicht op) (Dilbeeks)
  25. Ik zal au sjebiet nekië nen trok geven dage nimme wetj van wa parroche dage zetj (=Pas op, of ik sla u) (Ninoofs)
  26. je trok er ne groîtn deure (=hij vloekte) (Kortemarks)
  27. je trok un hezicht van ouwe lapn (=je kijkt sip) (Zeeuws)
  28. kiek uut je sti op dn trok (=tocht) (Zeeuws)
  29. Maukt da ge weg zijt of 'k geef au nen trok in a ol (=Ga weg voor ik je eruit gooi!) (Temses)
  30. ne guulen trok (=een gans eind) (Gents)
  31. nen trok doen (=een tukje doen) (Kaprijks)
  32. nen trok in zijn kabiene (=een slag in zijn ballen) (Kaprijks)
  33. nen trok verkuupen (=klop geven) (lenniks)
  34. op dun trok zitten (=op de tocht zitten) (Hulsters (NL))
  35. Pa hoorde nen stoemmeling oep den trap, pakte ze geweer en schoot in z'n broek (=Vader hoorde een geluid op de trap, nam zijn geweer en trok zijn broek aan) (Antwerps)
  36. tes vad'n trok da moe léévn (=zegt iemand die in de tocht staat) (Knesselaars)
  37. toen 'm ma zag stoeën, trok 'm een uëgsken op mau (=toen hij mij zag staan, knipoogde hij) (Meers)
  38. trok: Ze gingen in ieën'n trok dee nau Spoin'n (=Ze gingen in één keer door naar Spanje) (Lebbeeks)
  39. van 'n trok leven (=een uitkering hebben) (Wichels)
  40. van den trok leive (=van weinig leven) (Booms)
  41. van den trok lèiven (=van een uitkering leven) (Meers)
  42. veel trok emmen (=populair zijn) (Meers)
  43. vervoegd-a of g'êt ne trok onder a gat (=gedraag je of er zwaait wat) (Kaprijks)
  44. Z’ hee nen hoarink ingeslikt zonder groate; Heuren hutsepot es aangebrand. Heure rok wordt te kort. Z’ hèn heur nen trok gedroaid. Z’ hee’t zitten. Z’ hee poalink g’eeten. Den buik vol leve en de schuut vol troane. Z’ hee heur een buile gelupe. Z’ hee tege nen balk gelupe. Z’ hee poreisoepe g’eete. Z’ hee biljoart gespeeld. Ter es een bloarken uit heuren boek gescheurd. Ze goa winkol hèwe: heuren tuug steekt uit. Ze luupt mee een tonne. Ze zit vol. Ze moe kippe. (=Ze is in (blijde ) verwachting, ze is zwanger) (Gents)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen