32 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `land`
- `s lands wijs, `s lands eer (=ieder volk is gehecht aan zijn eigen gewoonten, hoewel anderen ze maar raar vinden)
- als Hollands welvaren (=blakend van gezondheid)
- als Ieren en Britten op één land (=twee aartsvijanden in één ruimte)
- de kaart van het land kennen (=de omstandigheden kennen)
- de krant brengt de leugens in het land. (=niet alles wat de media schrijft klopt.)
- een land van melk en honing zijn (=een land waar het goed en voorspoedig leven is)
- een Poolse landdag (=wilde, ongeregelde vergadering)
- een stille in den lande zijn (=iemand die erg stil en ingetogen is of iemand die zich bijna nooit ergens mee bemoeit)
- er het land aan hebben (=er een hekel aan hebben)
- er is geen land met hem te bezeilen (=je kan met hem niets aanvangen, omdat hij niet wil meewerken)
- geen profeet is in zijn (eigen) land geëerd (=in tegenstelling tot vreemden, zijn mensen uit je woonplaats minder bereid te luisteren)
- haring in het land, dokter aan de kant (=haring eten is zeer gezond; haring is zelfs één van de beste vissen voor je gezondheid)
- het land aan iets hebben (=aan iets een hekel hebben)
- het land hebben aan iets/iemand (=een hartgrondige afkeer hebben)
- het land van belofte (=de plaats waar het goed toeven is)
- het voorland zijn (=iemands toekomst zijn)
- Hollands welvaren (=gezegd van een zeer gezond uitziend persoon)
- iemand het land opjagen (=iemand uit zijn humeur brengen)
- iemand naar het peperland zenden (=iemand ver van huis sturen)
- in het land der blinden is eenoog koning (=tussen dommeriken volstaat een klein beetje verstand om baas te zijn)
- in het land der levenden (=op aarde, voor de dood)
- je onder het juk der dwingelandij krommen (=onderworpen zijn)
- landen verzanden, zanden verlanden. (=alles verandert)
- meeuwen op het land, onweer aan het strand. (=als meeuwen het binnenland intrekken omdat er slecht weer op zee is)
- met je hoed in je hand kom je door het ganse land (maar met je pet op je test kom je er ook best) (=met beleefdheid kun je veel bereiken)
- over land en zand praten (=over lichte onbeduidende dingen praten)
- Poolse landdag (=een wilde, ongeregelde bijeenkomst)
- stad en land aflopen. (=geen moeite sparen om iets te bereiken)
- van de wal in de sloot belanden (=vanuit een slechte situatie terechtkomen in een situatie die nóg slechter is)
- voor het vaderland wegnemen (=zomaar wegnemen)
- zijn land ligt in zijn schoenen (=hij is een grote opschepper)
- zo Hollands als haring met uitjes (=typisch Hollands)
13 betekenissen bevatten `land`
- meeuwen op het land, onweer aan het strand. (=als meeuwen het binnenland intrekken omdat er slecht weer op zee is)
- dat is Beulemans Frans (=dat is slecht Frans spreken. In België zeggen de Vlamingen dat over Waals. Walloniërs op hun beurt vinden Vlaams weer slecht Nederlands)
- een land van melk en honing zijn (=een land waar het goed en voorspoedig leven is)
- er is geen huis met hem te houden (=hij is niet tevreden te stellen, je kan er geen land mee bezeilen)
- de snoeren zijn mij in lieflijke plaatsen gevallen (=ik ben op goede plaatsen beland)
- in de aap gelogeerd zijn (=in een vervelende positie beland zijn)
- in den vreemde (=in het buitenland)
- in partibus infidelium (=in het land der ongelovigen)
- een koude mei een gouden mei. (=koude in mei is goed voor het land)
- op de garf/garve bouwen (=land bebouwen met betaling van de pacht met een deel van de oogst)
- zo Hollands als haring met uitjes (=typisch Hollands)
- van heinde en verre (=van alle kanten, vanuit alle landen)
- het is hollen of stilstaan (=van het ene uiterste in het andere belanden)
38 dialectgezegden bevatten `land`
- 't land es omme (=het veld is omgeploegd) (Waregems)
- 't land uit de dievn tellen (=niet thuis zijn) (Meers)
- 't land uit, de dievn tellen (=met de noorderzon vertrokken) (Meers)
- 't land van pattèkes en frut (=Belgenlandje) (Mechels (BE))
- 't verdronken land van saeftinge (=dronkemanskop) (Kaprijks)
- ' t land nie uut zien (=niet zover zijn) (Veurns)
- Cuyk en Kessel afloope (=Stad en land aflopen) (Genneps)
- Daars nog land zat. (=Daar is nog land genoeg.) (Bollenstreeks)
- dae gein puîne heet, heet auch gein lând (=bezit heeft niet alleen lusten, maar ook lasten) (Weerts)
- dae gein puine hieët, hieët ouch gein land (=wordt gezegd als iemand klaagt over te veel onkruid) (Weerts)
- Dao vèltj gein rechte voor met te plooge (=Daar valt geen land mee te bezeilen) (Weerts)
- dat ès 't nojste wot ich doên (=daar heb ik het land aan) (Bilzers)
- de deugnietrieë ist land mièèstre (=bedrog loont) (Lichtervelds)
- de deugnietrieë ist land mièèstre (=we worden iedere dag bedrogen) (Kortemarks)
- de gebakkë dauvë vallen aut te loch (=hier krijg je te eten zonder te werken, het beloofde land !) (Munsterbilzen - Minsters)
- De Russe zèn in 't land (=Je maandstonden hebben) (Mechels (BE))
- dievel'n: Wau es 'n nottoe? 't land oët de dievel'n tell'n. (=Waar is hij naartoe? Ik weet / zeg het niet / je hebt er geen zaken mee) (Lebbeeks)
- ê ge zoe-se toch wew diut doen (=er is geen land mee te bezeilen) (Kaprijks)
- ê ge zoese tochwew (=er valt geen land mee te bezeilen) (Kaprijks)
- e voatzoad land (=een oppervlakte grond) (Overmeers)
- Ergent et land an hebbe (=Ergens een hekel aanhebben) (Liessents)
- G' oeft gin land te hebbe um boer te zen (=men hoeft geen land te hebben om een boer te zijn) (Eindhovens)
- Gien hand vol, maar 'n land vol! (=Niet getreurd als de verkering uit is.) (Westfries)
- hi'j kömp van achter (=hij komt van het land) (Lutters)
- Hij / zij is ut land uit (=Hij / zij is even weg) (Westfries)
- I’j mot neet tediepe bouw’n, met vloot wodt ut land ok wal zwart . (=Niet te moeilijk denken) (achterhoeks)
- Je ken met hem/haar alle kante op behallevuh de goeie (=Er is geen land met hem te bezeilen) (Utrechts)
- Kouten van land en zand en prochieaffairens (=Over van alles spreken) (Izegems)
- Laat het touwgie (van de damesklompen) niet deurknippen. .. het land in was het de gewoonte om aan de bruid een paar nieuwe klompen mee te geven voor onder de bedstee. Soms waren de maiden zo prompt (trots) met dat kadogie dat ze het touwgie pas deurdeje als het krippie in de bedstee most. (=huwelijkscadeau) (Alblasserdams)
- land van de haoge baomen (=Flakkee, land van de hoge bomen) (Flakkees)
- land: Mé em val gé land te bezouijl'n (=Met hem valt er niets aan te vangen) (Lebbeeks)
- met dat figuur is gien land te besielen (=met hem kun je helemaal niets bereiken) (Leewarders)
- nen dronkoard / een verdronke land (=zatlap) (Lochristis)
- nie mè te egge of te teule (=geen land mee te bezeilen) (Heezers)
- op maroede goeën (=het land afschuimen) (Ninoofs)
- Ós sjoan Limburgs landj (=Ons mooie Limburgse land) (Gelaens (Geleens))
- Tes iejenen oëit de broesn (=Hij komt uit een vreemd land) (Liedekerks)
- Tilburg is de schoonste stad van 't laand en onze vadder is fabrikaant (=Tilburg is de mooiste stad van ons land en onze vader is febrikant) (Tilburgs)
Bronnen
De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers.
Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook:
- vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen