Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek

Eén spreekwoord bevat `menen`

  1. menen ligt dicht bij Kortrijk (maar verre van Waregem). (=iets menen is niet genoeg; je moet er zeker van zijn. (Dit zeldzame spreekwoord wordt in Oost- en West-Vlaanderen soms gebruikt als ironische reactie wanneer iemand iets meent te weten, door te verwijzen naar de stad Menen, die ver van Waregem, dus de waa)

Eén betekenis bevat `menen`

  1. menen ligt dicht bij Kortrijk (maar verre van Waregem). (=iets menen is niet genoeg; je moet er zeker van zijn. (Dit zeldzame spreekwoord wordt in Oost- en West-Vlaanderen soms gebruikt als ironische reactie wanneer iemand iets meent te weten, door te verwijzen naar de stad menen, die ver van Waregem, dus de waa)

Het dialectenwoordenboek kent 24 spreekwoorden met `menen`

  1. Munsterbilzen - Minsters: doë doen ich menen hoed vër aof (=dat is lovenswaardig)
  2. Menens: tes ol gin oar snien (=het steekt tegen)
  3. Menens: 'k bënne beskid (=ik weet genoeg)
  4. Menens: gankt vierkante min kloaten ut! (=u bent lastig)
  5. Munsterbilzen - Minsters: de brings mich van menen aprepoo (=ik geraak de kluts kwijt)
  6. Bilzers: vendaog gon ich menen oto nogés én de geraach zétte (=vandaag is het te doen)
  7. Bilzers: vant puntsje van men naos, tot on menendikke tein (=van top tot teen)
  8. brabants: Dè minne gai nie war? (=Dat ga je toch niet menen?)
  9. Munsterbilzen - Minsters: Meine lik èn de Vlonders (=menen is nog niet zeker weten)
  10. Menens: tettezien (=het is te zien)
  11. Bilzers: da pakmech op menen ojem (=de kleding van een vrouw past perfect als het de mannen de adem afsnijdt)
  12. Bilzers: noë menen daud wilech trégkoëme as men vroo, dan zienech dékker men kameraote trég (=van je vrienden moet je het hebben)
  13. Munsterbilzen - Minsters: menen auto ès stik noë de kloete (=mijn wagen is total loss)
  14. Menens: mulle zin, skjief zin, stroate zin (=dronken zijn)
  15. Menens: j' iz mè sen oar (=hij is overleden)
  16. Menens: doe de lucht dwod (=doe het licht uit)
  17. Menens: j'et gelik 'n dykkedëlver (=hij heeft grote eetlust)
  18. Menens: meugek 2 skell'n hespe èn (=2 sneden ham aub)
  19. Menens: zet jo ne vélo ip zijnen pekkel (=zet uw fiets recht)
  20. Bilzers: ich kraajget haaj op menen ojem (=ik krijg het hier erg benauwd)
  21. Bilzers: gisteren hochech gét on menen tram : ich misde oppen hoeër de bus, mér gelékkëg hochten traajn vertraogeng (=een ramp : tram, bus en trein)
  22. Munsterbilzen - Minsters: attet menen hond wos, hochter dich al gebiëte (=kijk eens wat beter, het ligt voor je voeten !)
  23. Munsterbilzen - Minsters: ich ben stik mieg en gon èn menen tram (nès) kraupe (=ik ben afgemat en ga naar bed)
  24. Munsterbilzen - Minsters: ich höchem op ze nès gevange en doëmèt kraajgter zelfs menen hond nimei te zien (=ik heb hem op heterdaad betrapt en nu is hij niet meer mijn beste vriend)

Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen