23 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `ins`
- bij schering en inslag gebeuren (=erg vaak gebeuren)
- dat is schering en inslag (=dat komt bijzonder vaak voor [onderdelen van een weefgetouw])
- de bodem inslaan (=vernietigen (bv.: de hoop de bodem inslaan))
- de prins op het witte paard (=de man van je dromen)
- de prins spreken (=dronken zijn)
- die de minste tanden hebben, kauwen het meest (=de domste mensen voeren gewoonlijk het hoogste woord)
- een dag voor de prins. (=een verloren dag.)
- een volle buik peinst op geen lege. (=iemand die genoeg te eten heeft is niet bezig is met de zorgen van een ander)
- er de kat insteken (=ermee ophouden)
- geen twee kapiteins op één schip (=er moet maar één persoon de leiding hebben, anders gaat het niet goed)
- gunst/winst baart nijd. (=succes leidt tot jaloezie)
- het hachje erbij inschieten (=zelf sterven aan de gevolgen van een actie)
- het kainsmerk aan zijn voorhoofd dragen (=het is op zijn gezicht te lezen dat hij een schurk is)
- het moeras insturen (=de verkeerde richting op sturen)
- in de kleinste potjes zit de beste pommade/zalf (=gezegd van uitzonderlijk kleine personen)
- in februari klagen de boeren het minst. (=boeren klagen altijd maar februari heeft de minste dagen om in te klagen (grapje))
- instorten als een kaartenhuisje (=plots en snel in elkaar zakken, tenietgedaan worden)
- je woorden inslikken (=niet uitspreken)
- kies het minste van twee kwaden (=als er enkel slechte oplossingen zijn, kiest men de minst slechte)
- met de prins over de Maas geweest zijn (=veel meegemaakt hebben)
- met de winst strijken. (=winnen)
- tel uit je winst (=kijken en doen waar je het meeste voordeel bij hebt, `zie je wel!`)
- van de prins geen kwaad weten (=uiterst argeloos zijn)
47 betekenissen bevatten `ins`
- kies het minste van twee kwaden (=als er enkel slechte oplossingen zijn, kiest men de minst slechte)
- alle havens schutten wind (=als je meedoet deel je mee in de winsten)
- op de poot spelen (=bij de kleinste tegenslag flink te keer gaan/razen)
- in februari klagen de boeren het minst. (=boeren klagen altijd maar februari heeft de minste dagen om in te klagen (grapje))
- ijdele tonnen rollen het hardst. (=de minst competente persoon is vaak ook de luidste)
- holle vaten klinken het hardst. (=de minst competente persoon is vaak ook de luidste)
- het slechtste wiel van de wagen kraakt meest. (=de minst competente persoon is vaak ook de luidste)
- denken met kousen en schoenen in de hemel te komen (=denken dat men zich niet moet inspannen)
- sijmen betaalt (=diegene die het minste verdient draagt de kosten)
- een klein visje een zoet visje (=een klein voordeel of winstje dat met weinig moeite is verkregen)
- een duit in het zakje doen (=een kleine bijdrage leveren. (Historisch: de kleinst mogelijke gave in het collectezakje van de kerk).)
- een hazenslaapje (=een slaap, die zo licht is, dat men bij `t minste geluid wakker wordt)
- het vuur uit de sloffen lopen (=een uiterste inspanning leveren door hard te lopen)
- op het verkeerde paard wedden (=een verkeerde inschatting maken)
- voor de kat zijn viool iets hebben gedaan (=een zinloze inspanning hebben geleverd)
- je schaapjes scheren (=er de winst uithalen)
- een tandje bijzetten (=extra inspanning leveren. (de gashendel een tand verschuiven))
- goed geld naar kwaad geld gooien (=geld ergens insteken waarvan bekend is dat het verlies oplevert)
- de schapen scheren (=gemakkelijk grote winsten maken)
- het aan zijn water voelen (=het instinctief aanvoelen)
- beter hard geblazen dan de mond gebrand (=het is beter dat men zich inspant dan dat er door slordigheid of luiheid iets fout gaat)
- er loopt hem een luis over de lever (=hij windt zich al over het minste op)
- iemand een hart onder de gordel/riem steken (=iemand moed inspreken)
- een spiering uitwerpen om een kabeljauw te vangen (=iets kleins aan een ander geven met de gedachte zelf iets groots terug te krijgen)
- aan een dood paard trekken. (=je inspannen voor iets, dat tot mislukken gedoemd is)
- langzaam aan, dan breekt het lijntje niet (=je kunt beter rustig doorwerken, dan kan er het minste fout gaat)
- ja en amen zeggen (=kritiekloos instemmen)
- horzels steken niet en hommels doden niet. (=mensen met een grote mond dragen het minste bij)
- er gaan veel makke schapen in een hok (=met inschikkelijke mensen is meer mogelijk)
- een bliek (spiering) uitgooien om een snoek te vangen (=met zo min mogelijk kosten proberen maximale winst te behalen)
- zonder strijd, geen overwinning (=na grote inspanning wordt succes pas bereikt)
- een haar in de boter vinden/zoeken (=op het kleinste detail vitten)
- als David zijn volk telde verloor hij de strijd (=tel de winst pas uit bij het einde van de strijd)
- van de naald tot de draad (=tot in het kleinste detail)
- tot in de puntjes (=tot in het kleinste detail)
- van naald tot draad (=tot in het kleinste detail)
- van twee kwaden de beste kiezen (=uit twee onaangename dingen de minst slechtste kiezen)
- gaar zijn (=uitgeput zijn, met name na geestelijke inspanning, bijvoorbeeld een hele dag vergaderen)
- de bodem inslaan (=vernietigen (bv.: de hoop de bodem inslaan))
- holle vaten bommen/klinken het hardst (=wie er het minste verstand van heeft, verkondigt het luidst zijn mening)
- ook de beste boom geeft slechte vruchten (=zelfs goede ouders kunnen kinderen hebben die het verkeerde pad inslaan.)
- geen haring zo mager of men braadt er vet uit. (=zelfs uit iets kleins of ogenschijnlijk onbelangrijks valt wel iets waardevols te halen.)
- een zweetje op iets halen (=zich ergens fel voor inspannen)
- alles op alles zetten (=zich tot het uiterste inspannen om iets te bereiken)
- de schouders eronder zetten (=zich voor iets inspannen)
- blaffende honden bijten niet (=zij die het hardst roepen, zijn het minst gevaarlijk)
- zonder slag of stoot (=zonder het minste probleem)
50 dialectgezegden bevatten `ins`
- 'k Heb wal ins slechter egèten (=Het smaakt lekker) (Achterhoeks)
- ' t wird tied det t' r ins get aan dae sjnor krieg (=het wordt tijd dat hij een vriendin krijgt) (Roermonds)
- d'r haet zich al ins eine doead gesjöd (=tegen iemand die de kaarten te traag schudt:) (Hulsbergs)
- dae goeng nogal ins zëne gank (=die was er vlug vanonder) (Munsterbilzen - Minsters)
- dae kan nogal ins van zën viët maoke (=hij zit op te spelen) (Munsterbilzen - Minsters)
- dan zal ich zë kontsje ins werm maoke (=dan ga ik je tegen je billen geven) (Munsterbilzen - Minsters)
- Dao zeen manskaerels diej ein wolk van ein vrouw höbbe. Es diej dus ins weg is sjientj de zón! (=Er zijn mannen die een wolk van een vrouw hebben. Wanneer die dus weg is schijnt de zon!) (Kinroois)
- det is mich prónt ins (=dat maakt mij niets uit) (Heitsers)
- doë mauge ze mene règ ins vër krabbe (=voor zo weinig geld ga ik er niet werken) (Munsterbilzen - Minsters)
- Doe mòs dich ins aan diene kop veule (=Ben je beklopt?) (Roermonds)
- Doot hiej ins get (=Kunnen we iets bestellen om te drinken?) (Brees)
- ein blindj verke vintj ouch waal ins eine eikel (=een sukkelaar kan ook wel eens geluk hebben) (Heitsers)
- Es te noeëts mieë de kans kriegs kan 't ieëste opzicht en 't ieëste gedacht dich waal ins op e vals spoor zètte! (=Wanneer je nooit meer de kans krijgt kan het eerste opzicht en het eerste gedacht je wel eens op een vals spoor zetten!) (Kinroois)
- gank dich ins gauw heiversj (=maak 't em nou een beetje) (Berg en Terblijts)
- Gank ins get óp Eupe aa (=Ga eens op zij, je hindert me) (Mechels (NL))
- gebreik zëne hèllëvoet ins (=ga eens wat sneller) (Munsterbilzen - Minsters)
- goën vër tër ins aoën beginne, zaag te haon tieëge zën hinne (=handen uit de mouwen !) (Munsterbilzen - Minsters)
- haach zëne bebbër ins (=zwijg eens even) (Munsterbilzen - Minsters)
- Haol dich diej jatte ins oet de bòksetesse (=Doe je handen eens uit de zakken) (Roermonds)
- he kiek sich 't nog ins aa. (=Hij weet het nog niet) (Nuths)
- hëbbe de inne een dikke sjël, dan wieëd de wènter ins zoe fël (=hebben de ajuinen een dikke schil, dan wordt het en strenge winter) (Munsterbilzen - Minsters)
- Het ins kennen worre (=Het eens kunnen worden) (Valkenswaards)
- het mos nog maer ins oerlog wèère! En den oerlog woas nog maer krek verbij. (=tafelgesprekken met moeder. 4) (Genker)
- Heuvel dich ins get. (=Word eens wakker, sta op.) (Roermonds)
- Höb se al ins mit dem gedeild? (=Dat is een goed mens) (Roermonds)
- ich bènnet rierend ins mettich (=helemaal akkoord!) (Munsterbilzen - Minsters)
- ich gaon mien aerpele ins aafsjödde (=ik ga plassen) (Heitsers)
- ich zal ‘m zien zaligheje ins zègke (=ik zal hem de les lezen) (Heitsers)
- iemëd ins goed ènrooke (=iemand een pandoering geven) (Munsterbilzen - Minsters)
- Ig zal dig ins moris liere. (WT) (=Ik zal je eens de les leren) (Mechels (NL))
- ins geet ët lèkkë, noë viël vallen en opstoën (=wie nooit een blauwtje oploopt blijft een groentje) (Munsterbilzen - Minsters)
- ins goed doërsmèere (=een goede beurt geven) (Munsterbilzen - Minsters)
- ins örges lekker gaon aete duit veul hoeselik leid vergaete! (=Eens ergens lekker gaan eten, doet veel huiselijk leed vergeten!) (Kinroois)
- kiehk ins èn de kieëke (=kijk eens in de keuken) (Genker)
- Kiek toar ins (=Kijk daar eens) (Ewijk (Euiwwiks))
- Kiek toch ins goed uit oew doppen (=Kijk toch eens uit) (Ewijk (Euiwwiks))
- kiek, hae zèk ook ins get! (=spuit nummer 11 geeft ook water!) (Munsterbilzen - Minsters)
- kiëtër nog mér ins ën zën naoês (=denk nog maar eens goed na) (Munsterbilzen - Minsters)
- kiëtër zën aure mèr ins aut (=luister nu maar eens goed) (Munsterbilzen - Minsters)
- krab mënë règ ins (=laat me niet lachen) (Munsterbilzen - Minsters)
- krievël mich ins onder mën viet (=daar kan ik niet mee lachen) (Munsterbilzen - Minsters)
- köm dich zën vlaestërs ins (=kam je (omhoog stekende) haren eens) (Munsterbilzen - Minsters)
- Loeës hoonder laege och wel ins in de nieëtele. (WT) (=Slimme mensen maken ook wel eens een fout) (Mechels (NL))
- loët zën aure ins autspeete (=je hoort niet goed !) (Munsterbilzen - Minsters)
- maok zën aure ins zievër (=je hoort niet goed) (Munsterbilzen - Minsters)
- mèt meine, besjaet d’r zich ins eine (=iets zeker menen te weten maar dan toch fout zitten) (Heitsers)
- Minse diej nog al ins gauw ein voest make kónne lestig ein hendtje gaeve! (=Mensen die nog al gauw een vuist maken kunnen moeilijk een handje geven!) (Kinroois)
- mit meine besjeet zich ins eine (=het hoog in zijn bol hebben) (Nunûms)
- Mòt ich dich ins op die döp toeke? (=Zal ik jou eens mores leren?) (Roermonds)
- nau konste ins snuffële (=nu word je met je neus op de feiten gedrukt) (Munsterbilzen - Minsters)
Bronnen
De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers.
Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook:
- vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen