Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek

8 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `hek`

  1. dat is ook geen heksen (=dat is wel heel gemakkelijk)
  2. De één mag een paard stelen, de ander mag niet over het hek kijken. (=Sommigen mogen alles, anderen mogen niets)
  3. de wind niet door de hekken laten waaien (=elke gelegenheid te baat nemen)
  4. het hek is van de dam (=iedereen doet maar wat die wil zonder grenzen)
  5. iemand over de hekel halen (=allerlei slechte dingen vertellen over iemand)
  6. Men kan beter naar de bakker dan naar de apotheker gaan. (=Eten is gezond, de apotheker bezoek je als je ziek bent.)
  7. niet kunnen heksen (=het niet zo snel afkunnen - er meer tijd voor nodig hebben)
  8. Zodra het hek van de dam is lopen de varkens in het koren (=Een ramp komt voort uit roekeloosheid / Als er geen toezicht is springen kinderen of ondergeschikten uit de band)

14 betekenissen bevatten `hek`

  1. het land aan iets hebben (=aan iets een hekel hebben)
  2. de mier aan iets/iemand hebben (=een erge hekel hebben)
  3. iemand niet kunnen luchten of zien (=een hekel aan iemand hebben)
  4. een tang van een wijf. / Een oude tang (=een heks, feeks. / Een oude lastige vrouw)
  5. de smoor in hebben (=er een geweldige hekel aan hebben)
  6. balen als een stier (=er een gloeiende hekel aan hebben)
  7. de pest aan iets (gezien) hebben (=er een hekel aan hebben)
  8. het zuur hebben (=er een hekel aan hebben)
  9. iemand wel kunnen villen (=erg kwaad zijn op iemand / Een erge hekel hebben aan iemand)
  10. ergens een broertje aan dood hebben (=ergens een hekel aan hebben)
  11. ergens het land aan hebben (=ergens een hekel aan hebben)
  12. Men kan beter naar de bakker dan naar de apotheker gaan. (=Eten is gezond, de apotheker bezoek je als je ziek bent.)
  13. zuivel op zuivel is voer voor de duivel (=in de Middeleeuwen gebruikt om mensen van hekserij te beschuldigen, wanneer zij zuivel op zuivel op hun brood deden)
  14. schoon genoeg hebben van (=meer dan genoeg hebben van, een hekel hebben aan)

Het dialectenwoordenboek kent 36 spreekwoorden met `hek`

  1. Horster: Ik heb gennen Berini aan de koont hange! (=Ik kan niet heksen!)
  2. Liessents: Ergent et land an hebbe (=Ergens een hekel aanhebben)
  3. Zeeuws: ie praat uuteen hekookte kop (=hij praat wartaal)
  4. Vechtdals: Ik kanne nie heksn (=niet te veel)
  5. Westerkwartiers: ik ken niet heksen en blauwvaarm (=ik kan maar een ding tegelijk hoor)
  6. Temse: stijf as en ijzeren hekke (=niet lenig)
  7. Genneps: Ik kan nie hekse (=Ik kan niet toveren)
  8. Twents: As 'n schoap owwer 'n dam is dan steet het hek los (=als een schaap over de dam is dan staat het hek los)
  9. Gronings: Ik kin nait heksen! (=Ik kan niet alles tegelijk!)
  10. Zeeuws: hekke bakkessen trekke (=Een onguur persoon tegenkomen)
  11. Nuths: Doch ,t breer mer toew angesch kumet peard oe,et. (=Doe het hek dicht voor het paard.)
  12. Amsterdams: Etterlijer (=Iemand aan wie je echt een hekel hebt omdat hij zuigt)
  13. Huissens: Hier geet gin zoeg dör 't hekke' (=Hier gaat niets verloren)
  14. Betuws: Krek wak wou en nou hekt (=Precies wat ik wilde en nu heb ik het)
  15. Heels: ich bön aanne hek (=ik ben doodmoe; ik ben op)
  16. Munsterbilzen - Minsters: brierke den daud hübbe on get (='n hekel hebben aan iets)
  17. Vlaardings: De schurft aan iemand hebben (=Een hekel aan iemand hebben.)
  18. Westerkwartiers: ik heb 'n hekel an dij (=ik vind jou een naar persoon)
  19. Tilburgs: daor hek niks meej te schafte (=daar heb ik niets mee te maken)
  20. Westerkwartiers: die het luie evert op 'e rug (=die heeft een hekel aan werken)
  21. helmonds: Da kan ik an mun taand nie veele (=Ergens een enorme hekel aan hebben)
  22. Tilburgs: k-hè-r zo ut laand aon (=ik heb er zo'n hekel aan)
  23. Tilburgs: ge zo-t-ur ut hòr van krèège (=je zou er een hekel aan krijgen)
  24. Bilzers: me getraud léve es n echt sprookske, mér ich hûb de heks getroffe (=sprookjes zijn bedrog)
  25. Arnhems: Die komp van de school met de zwerte hekku. (=Die zit op de tuchtschool.)
  26. Kampers: niet ier in drumene en ut tek in (=Bordje bij de voordeur van een boer: `niet hier in, erom heen en het hek in`)
  27. Lopiks: Daar hek ook nog een blauwe maondag mee gelopen (=daar heb ik ook nog even verkering mee gehad)
  28. Liwwadders: ken er wel op skijte (=heb ik een hekel aan)
  29. Siebengewalds: an enne bergse (=Waar heeft een Siebengewalder een hekel aan..)
  30. Kerkraads: huije ze dich mar in eng hek gesjpritst dan woar ut vieleich nog enge sjune sjpatseersjtek woede (=was jij maar niet verwekt)
  31. Kerkraads: huije ze dich mar in eng hek jesprietst dan woasjte nog ee schun pisputje woeede (=waardeloos iemand)
  32. Westerkwartiers: doar heb 'k de pest over ien (=daar heb ik een enorme hekel aan)
  33. Westerkwartiers: zij haar de pik ien op die kirrel (=zij had 'n hekel aan die man)
  34. Groesbeeks: Dah hek nie duk gedoan (=Dat heb ik zo vaak gedaan.)
  35. brabants: hek niks mee te stellen (=daar heb ik niks mee te maken)
  36. Lopiks: Daor hek ok nog mee gestoan! (=Ik heb met hem/haar gezoend)

Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen