Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


8 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `schel`

  1. borgen is geen kwijtschelden (=uitstel is geen afstel)
  2. de huid vol schelden (=flink uitschelden)
  3. de schellen vallen hem van de ogen (=plotseling iets begrijpen hoe het in elkaar steekt)
  4. een slok op een borrel schelen (=een groot verschil maken)
  5. hij heeft schelvisogen hij kijkt als een schelvis (=hij kijkt je lodderig, dom of onbetrouwbaar aan)
  6. iemand de huid vol schelden (=iemand uitschelden)
  7. iemand met schele ogen aankijken (=iemand afgunstig bekijken)
  8. schelen zijn de mooiste niet, maar ze worden wel het meest aangekeken (=als relativerend antwoord wanneer men zegt dat ze het niets kan schelen)

9 betekenissen bevatten `schel`

  1. schelen zijn de mooiste niet, maar ze worden wel het meest aangekeken (=als relativerend antwoord wanneer men zegt dat ze het niets kan schelen)
  2. een streep door de rekening halen (=de schuld van iemand kwijtschelden en het er niet meer over hebben)
  3. genade voor recht laten gelden (=de straf kwijtschelden)
  4. de huid vol schelden (=flink uitschelden)
  5. iemand de huid vol schelden (=iemand uitschelden)
  6. iemand een vuile mond geven (=iemand uitschelden)
  7. iemand uitmaken voor rotte vis (=iemand uitschelden voor alles wat mooi en lelijk is)
  8. dat zal mijn klomp niet roesten (=ik maak me er niet druk om; het kan mij niet schelen)
  9. mij een zorg (=wat kan mij het schelen!)

Het dialectenwoordenboek kent 83 spreekwoorden met `schel`

  1. Westerkwartiers: woarom schels't mij uut (=waarom scheld je mij uit)
  2. Moes: vanover 't wauter (=de overkant van de schelde)
  3. Riemsts: sjokoantkoat (=oude vrouw (scheldnaam))
  4. Westlands: ken mai ut schele (=het kan mij niets schelen)
  5. Venloos: die kieft wie ein alde hieëp (=scheldende vrouw)
  6. Brakels: zijn zoaleggiet geev'n (=iemand scheldend op zijn plaats zetten)
  7. Riemsts: ti tè kinneke (=klein kind (scheldnaam))
  8. Zeeuws: ie kiekt mie zn lienker oohe in zn rechter broekzak (=schele persoon)
  9. Sint-Niklaas: ei kikt zoe schjaal as nen otter (=het is een schele)
  10. Zeeuws: hoeai die scheln me op de mispit (=schillen)
  11. Antwerps: Het kan me niet blotten (=schelen)
  12. Amsterdams: Kankerlijer, Pleurislijer, Pokkelijer, Takkelijer, Teringlijer, Tyfuslijer, Kolerelijer, Klerelijer (=Verwensingen, scheldwoorden met ziektes)
  13. Overmeers: 'n zole hepse (=een schel rauwe ham)
  14. Sint-Niklaas: vuil aa ros (=venijnige vrouw (= scheldwoord))
  15. Hams: iënen schellen (=pintje drinken)
  16. Waregems: ie moest het gemeug'n (=hij kreeg de volle lading (scheldwoorden))
  17. Lichtervelds: ze verwiettn mekoar toar van undr oîfd (=ze schelden op elkaar)
  18. Antwerps: Een waterkieken, of een watergeest (=Inwoner van een dorp aan de overkant van de schelde)
  19. Brugs: dwoaze gèite (=scheldwoord tegen een dom meisje/vrouw)
  20. Aalsters: Een rebbe schellen (=Een pintje drinken)
  21. Westels: voaze schelle (=bier drinken)
  22. Brugs: Je passèèrt lik de schelde (=Hij gaat onverstoorbaar door)
  23. Zwols: IJ skeld oe de pokkel vol (=Hij scheld je de huid vol)
  24. Zeeuws: ie schel se noha dikke (=opschepper)
  25. Kortemarks: ze kiekt zo scheel lik e blad schelpn (=ze kijkt raar)
  26. Turnhouts: z'emme 't scheltje van zaaine kop gedoan (=Hij heeft een hersenoperatie ondergaan)
  27. Brakels (gld): Ut nukt me niks (=Kan mij niets schelen)
  28. Gavers: zijn geld in de schelde smijten (=zijn geld verkwisten)
  29. Zottegems: zijne schelf ês ingescheet'n (=hij heeft geboerd)
  30. Brugs: kust mun kloaten (=het kan mij niet schelen)
  31. Westlands: Ken me reet roeste (=Kan me niet schelen)
  32. Herentals: kan me nie schille, (boeie) (=kan me niet schelen)
  33. Veurns: moar e trutartje sjchillen (=weinig schelen)
  34. Budels: zieje mich, oet an schélle? (=ben je mij uit aan het schelden?)
  35. Steins: dao vrit geinen hòntj broead van (=wordt gezegd over de scheldwoorden die iemand te horen krijgt.)
  36. Kortemarks: kvoage doa wel me gat an (=het kan me niet schelen)
  37. Roermonds: Dao höb ich sjiet aan (=Dat kan me niets schelen)
  38. Roosendaals: da kamme nie schille (=dat kan me niets schelen)
  39. Aalsters: Ge wetsj angen ein... (=Dat kan me niets schelen...)
  40. Overmeers: 'n schelle koas (=een plak kaas)
  41. Gronings: kin mie niks verrekn (=kan me niets schelen)
  42. Westlands: maai un biet (=het kan mij niets schelen)
  43. Veurns: Gin oar schill'n (=Heel weinig schelen)
  44. Westerkwartiers: dat ken me niks schill'n (=dat kan mij niets schelen)
  45. Lichtervelds: kvoage doa wel me gat an (=het kan me geen barst schelen)
  46. Nijlens: 't kan maa ni boeme (=het kan mij niet schelen)
  47. Oudenbosch: wie kent mijn gat in Keule (=wat kan mij dat schelen)
  48. Munsterbilzen - Minsters: da kan mich nie boemme (='t kan me niets schelen)
  49. Neerharens: er gebört noa niks (=het kan hem niets schelen)
  50. Opglabbeeks: 't kan mich neet shêle (=het kan me niet schelen)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen