Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


8 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `verdien`

  1. de paarden die de haver verdienen krijgen ze niet (=zij die het goede werk verrichten, krijgen niet altijd de beloning)
  2. De paarden die de haver verdienen, krijgen ze niet. (=Verdienste blijft vaak onbeloond)
  3. het paard dat de haver verdient krijgt ze niet (=diegene die het goede gedaan heeft, krijgt de beloning niet)
  4. het zout in de pap verdienen (=heel weinig verdienen)
  5. Niet het zout op zijn patatten verdienen (=Een klein inkomen hebben)
  6. zich een stoel in de hemel verdienen (=zich door een goed werk onderscheiden)
  7. zijn hemel op aarde verdienen (=een goed en eerlijk leven leiden)
  8. zijn verdiende loon krijgen (=krijgen wat hem toekomt (meestal iets slecht))

29 betekenissen bevatten `verdien`

  1. dat zal hem geen windeieren hebben gelegd (=daar zal hij wel veel geld mee verdiend hebben)
  2. wiens brood men eet, diens woord men spreekt (=diegene bij wie we ons geld verdienen geven we meestal gelijk)
  3. uit wiens hand men eet wiens woord men spreekt (=diegene bij wie we ons geld verdienen geven we meestal gelijk)
  4. Sijmen betaalt (=diegene die het minste verdient draagt de kosten)
  5. een handwerk heeft een gouden bodem (=een goed vakman verdient altijd zijn brood)
  6. de kunst gaat om brood (=een kunstenaar verdient moeizaam z'n brood)
  7. de kost gaat voor de baat uit (=eerst moeten er kosten worden gemaakt alvorens men er iets aan verdienen kan)
  8. geld uit iets slaan (=ergens geld aan verdienen)
  9. gelijke monniken gelijke kappen (=gelijke mensen verdienen/krijgen een gelijke behandeling)
  10. het zout in de pap verdienen (=heel weinig verdienen)
  11. parels/paarlen voor de zwijnen werpen (=het goede verspillen aan hen die het niet verdienen/waarderen)
  12. boontje komt om zijn loontje (=hij krijgt wat hij verdient, de gevolgen zal iemand altijd wel een keer moeten gaan dragen)
  13. het is goed aan hem besteed (=hij verdient het, hij zal er op de goede manier mee omgaan)
  14. hij kan zijn naadje wel naaien (=hij weet zijn geld wel te verdienen)
  15. wat doe je voor de kost? (=hoe verdien je je geld?)
  16. ere wie ere toekomt (=iemand die de eer verdient moet die ook krijgen)
  17. vurige kolen op iemands hoofd stapelen (=iemand een groot schuldgevoel geven door hem onverdiende lof of vriendelijkheid te geven. )
  18. men moet de huid niet verkopen voordat de beer geschoten is (=je moet niet geld uitgeven voordat je het hebt verdiend)
  19. geld ruiken (=merken dat er iets te verdienen is)
  20. onder een staand zeiltje is het goed roeien (=met een klein vast inkomen, verdient men al gauw genoeg voor de kost)
  21. slapende rijk worden (=veel geld verdienen zonder er iets voor te moeten doen)
  22. De paarden die de haver verdienen, krijgen ze niet. (=verdienste blijft vaak onbeloond)
  23. voor de bui binnen zijn (=voordat het slechter wordt genoeg verdiend hebben)
  24. wie niet werkt zal niet eten (=wie niet werkt verdient de kost niet)
  25. liggen de handen dan liggen de tanden (=wie niet werkt verdient niet genoeg om te eten)
  26. op eigen wieken drijven (=zich volledig kunnen redden van het geld dat iemand verdient)
  27. van de hand in de tand leven (=zo gauw iets verdiend is het meteen weer uitgeven zonder zorgen over later)
  28. binnen zijn (=zoveel verdiend hebben dat iemand niet meer hoeft te werken)
  29. in goede dorpen zijn/geraken (=zoveel verdiend hebben dat iemand niet meer hoeft te werken)

Het dialectenwoordenboek kent 54 spreekwoorden met `verdien`

  1. Munsterbilzen - Minsters: zen striepe verdiend hübbe (=zijn verdiensten hebben)
  2. kortemarks: geld verdienn lik slyk (=veel geld verdienen)
  3. Bilzers: tzaat nie verdiene op zen iërappel (=niet genoeg verdienen)
  4. Oudenbosch: ut zout in de pap nie verdiene (=nauwelijks iets verdienen)
  5. Bilzers: opze vét taere (=profiteren van vroegere verdiensten)
  6. Bilzers: doë verdienste het zaat op z'n iërappel nie mèt (=daarmee is geen droog brood te verdienen)
  7. Lichtervelds: tis wel bestid (=het is je verdiende loon)
  8. Houthulst: en de buk is vet (=Hij heeft goed verdiend)
  9. Tilburgs: unne slòdder beure (=veel verdienen)
  10. Tilburgs: `zöllie verdiene meer òn jöllie as göllie òn höllie.` (=`zij verdienen meer aan jullie dan jullie aan hen`.)
  11. Bilzers: zjus tegoei (=dat is je verdiende loon)
  12. Sint-Niklaas: 'k verdien ier 't zaat op min petetten nog nie (=ik verdien hier heel weinig)
  13. Tilburgs: `zöllie verdiene meer òn jöllie as göllie òn höllie.` (=zij verdienen meer aan jullie dan jullie aan hen.)
  14. Veurns: 't Eeëste gewin is kattegespin (=Het eerste gewin is makkelijk verdiend)
  15. Munsterbilzen - Minsters: de verdienster e goed plekske èn de hiemel mèt (=vrijwilligerswerk is onbetaald)
  16. Munsterbilzen - Minsters: ze wasse mich nie op mene rëg (=zo gemakkelijk verdien ik ze niet)
  17. Lovendegems: 't zijt in zijne pap nie verdienen (=weinig of geen geld verdienen*)
  18. tervurens: dikke kartoonen verdeene (=goed geld verdienen)
  19. Veurns: 't profiet kunn'n opraap'n mi j'n ellebogen (=heel weinig verdienen)
  20. Genneps: 'm flink snutte (=Veel verdienen)
  21. Oudenbosch: daoreetie ne dot geld aon overgouwe (=daar heeft hij flink aan verdiend)
  22. brabants: wè schuft dà (=hoeveel kan ik daarmee verdienen)
  23. kortemarks: je verdient geld lik sliek (=hij verdient geld met hopen)
  24. Westerkwartiers: peerd'n die de hoaver verdien'n krieg'n 't niet (=de beloning komt bij de verkeerde terecht)
  25. Veurns: 't geld groeit op me rik nieë (=ik verdien ze niet zo gemakkelijk, mijn centjes)
  26. Harelbeeks: den'iën zyn dwud es den andr'n zyn brwud (=iemand verdiend altijd aan iemand anders' ongeluk)
  27. Westerkwartiers: dat verdient 'er dubbel en dwaars (=dat verdient hij helemaal)
  28. Munsterbilzen - Minsters: hebben és hebbe, krijge de kuns (=erven is mooi, verdienen mooier)
  29. Zunderts: hwooije as de zon schent (=je moet het nu verdienen)
  30. Westerkwartiers: die verdient 'et zolt ien 'e zuupnbrij niet (=die verdient veel te weinig)
  31. Munsterbilzen - Minsters: mèt moejte et zaad op zen iërappel verdiene (=bijna gratis werken)
  32. Munsterbilzen - Minsters: gelëk hübbe ès : mei verdiene as zen vroo kan autgaeve (=je moet dubbel geluk hebben in het leven !)
  33. Westerkwartiers: dat lijt 'em gien wiendeier (=daar verdient hij lekker veel aan)
  34. Arendonks: hai buwert guw (=hij maakt veel winst, verdient goed)
  35. Waregems: 't es 'n affront (wèrd)! (=hij/zij verdient een belediging!)
  36. Kortrijks: zoajen nar de zak (=uitgeven naar wat je verdient)
  37. Oudenbosch: daor eetie ne goeie botteram aon (=daar verdient hij genoeg mee)
  38. Weerts: Hae verdeentj ut zaot neet in de sop (=Hij verdient het niet)
  39. Westerkwartiers: de vroege vogel vangt de wurm (=wie vroeg begint kan veel verdienen)
  40. loois: hij verdint het zuit oep zijn petette nog nie (=hij verdient niet veel)
  41. Sint-Niklaas: zènne meulen draai weer goed (=hij is weer veel geld aan het verdienen)
  42. Munsterbilzen - Minsters: de taering noë de naering zètte (=niet méér uitgeven dan je kan verdienen)
  43. Westerkwartiers: 't mes snit an twee kant'n (=hij verdient aan alle kanten)
  44. Munsterbilzen - Minsters: de vaulste vèrke willen et sjünste stroj (=luieriken willen evenveel geld verdienen als bezige bijen)
  45. Munsterbilzen - Minsters: dae sjit mij dan datter it (=die geeft meer uit dan dat hij verdient)
  46. Giethoorns: Zoer verdiend,zeute verteerd (=Genieten van het zware werk wat is gedaan)
  47. Liemers: Gi-j verdien meer meh mis laeze as ik meh 't mis krujje (=Zei een boer tegen de kaplaan)
  48. Waregems: ie verdient geld link moze (=hij heeft een hoge wedde)
  49. Waarschoots: petsjonkelen (=in en uit de kerk gaan om zo een aflaat te verdienen (op Allerzielen))
  50. Giethoorns: De plezierbroek moei-j mit de waarkbroek verdienen (=Eerst werken ,dan feest vieren)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen