45 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `hande`
- aan handen en voeten gebonden zijn (=geen kant op kunnen)
- als hamerstuk behandelen (=het voorstel zonder discussie aannemen)
- de handen dicht mogen knijpen (=van geluk mogen spreken)
- de handen in de schoot (=werkloos)
- de handen slaan aan (=ontwijden)
- de handen thuis houden (=niet aanraken)
- de handen uit de mouwen steken (=aan de slag gaan en aanpakken)
- de handen van iemand aftrekken (=iemand niet langer steunen)
- de handen vrij hebben (=tijd hebben om iets te doen)
- de maan met de handen willen grijpen (=het onmogelijke willen doen)
- de teugels in handen hebben/houden (=de leiding hebben/houden)
- de touwtjes in handen hebben (=de controle hebben over een situatie.)
- door schade en schande wordt men wijs (=een mens leert het beste van z`n fouten)
- er de handen voor op elkaar krijgen (=er steun (applaus) voor krijgen)
- handen aan het lijf hebben (=goed kunnen werken)
- handen als kolenschoppen (=zeer grote, sterke handen)
- handen in de schoot geeft geen brood. (=als je niets doet verdien je ook niets)
- handen tekort komen (=te weinig hulp hebben , overstelpt worden)
- handen wassen (=het toilet bezoeken)
- het roer in handen hebben (=leiding geven en door moeilijke tijden heen komen)
- iemand de handen zalven (=iemand een geschenk geven in de hoop een gunst te bekomen)
- iemand de teugels uit handen nemen. (=iemand de leiding afnemen)
- iemand onder handen nemen (=iemand flink aanpakken / mishandelen)
- iemand op handen dragen (=grote bewondering hebben voor iemand)
- iemands handen zalven (=iemand iets geven in de hoop een gunst te verkrijgen)
- je handen dichtknijpen (=erg veel geluk hebben)
- je handen in onschuld wassen (=doen alsof men geen schuld heeft)
- je handen jeuken (=er erg veel zin in hebben te beginnen)
- je handen overspelen (=te veel eisen en daardoor niet slagen)
- je handen van iemand aftrekken (=iemand niet langer steunen)
- je kan geen ijzer met handen breken (=men kan het onmogelijke niet doen)
- liggen de handen dan liggen de tanden (=wie niet werkt verdient niet genoeg om te eten)
- met beide handen toegrijpen (=met graagte aanvaarden)
- met de handen in het haar zitten (=geen oplossing meer weten)
- met lege handen achterblijven (=niets meer hebben)
- met twee linkerhanden geboren zijn (=erg onhandig zijn)
- niet door mensenhanden gebouwd (=door God of natuur tot stand gebracht)
- rap met de tanden, is rap met de handen. (=wie snel kan eten, kan snel werken.)
- twee handen op een buik (=ze werken samen, ze denken er hetzelfde over)
- twee handen op één buik zijn (=het altijd met elkaar eens zijn)
- twee linkerhanden hebben (=onhandig zijn, werk altijd laten mislukken)
- vele handen maken licht werk (=als een karwei samen wordt opgepakt is het snel en gemakkelijk gedaan)
- vissen met de handen vangen (=profiteren van het werk van anderen)
- vrouwenhanden en paardentanden staan nooit stil. (=een vrouw is altijd wel wat aan het doen)
- wie zijn naasten te schande maakt, onteert zichzelf (=een klein foutje, kan een groot geheel te schande maken)
40 betekenissen bevatten `hande`
- wie appelen vaart, die appelen eet (=als je handelt in bepaalde goederen, dan zul je deze zelf waarschijnlijk ook gebruiken. / Iemand die bepaalde werkzaamheden voor een ander moet verrichten, geniet daar doorgaans zelf ook van)
- goed voorgaan doet goed volgen (=als je zelf op de goede manier handelt, nemen anderen dat vanzelf over)
- goed voorbeeld doet goed volgen (=als je zelf op de goede manier handelt, nemen anderen dat vanzelf over)
- geef het veulen geen haver en het kind geen brandewijn. (=behandel kinderen niet als grote mensen)
- heeft de duivel `t paard gegeten, dan neemt hij de toom ook nog. (=ben je eenmaal in handen van slechte mensen gevallen, dan verlies je alles.)
- beter blooie Piet dan dooie Piet (=beter een aarzelend iemand dan iemand die ondoordacht handelt)
- je trekken thuis krijgen (=door anderen op dezelfde manier behandeld worden als je hun behandelde (bv met een streek))
- wie zijn naasten te schande maakt, onteert zichzelf (=een klein foutje, kan een groot geheel te schande maken)
- een gat in de lucht slaan (=een onnozele handeling doen)
- ergens als kind in huis zijn (=ergens bekend of goed behandeld worden)
- gelijke monniken gelijke kappen (=gelijke mensen verdienen/krijgen een gelijke behandeling)
- zachtjes aan, dan breekt het lijntje niet (=handel voorzichtig, dan mislukt het niet)
- het is onbestaanbaar. (=het zou niet mogen bestaan, het is een schande)
- de dorsende os zult gij niet muilbanden (=iemand die voor je werkt moet je goed behandelen)
- iemand onder handen nemen (=iemand flink aanpakken / mishandelen)
- iemand een loer draaien (=iemand lelijk behandelen, lelijk te grazen nemen)
- iemand achter de bank schuiven (=iemand minachtend behandelen)
- iemand de kroon van het hoofd nemen (=iemand te schande maken)
- wie tapt die moet boren (=men moet de gevolgen van zijn handelen dragen)
- dieven met dieven vangen (=mensen die niet eerlijk zijn of gemeen, moet je op dezelfde manier ook behandelen)
- de violen stemmen (=met elkaar onderhandelen, naar compromissen zoeken)
- met de nek aanzien (=met minachting behandelen)
- te goeder trouw (=naar beste weten en eerlijk handelend)
- binnen de lijntjes kleuren (=netjes handelen, niets doen wat niet mag)
- alle vis is geen bakvis (=niet alles is even dienstig (of handelbaar of lekker))
- verstand op nul zetten (=niet nadenken en gewoon handelen.)
- te kwader trouw (=onbetrouwbaar, oneerlijk handelend)
- een beurt krijgen (=onderhanden genomen worden)
- met de maat waarmee gij meet, zal u weder gemeten worden (=op de manier zoals je een ander behandelt zal je ook zelf behandeld worden)
- honi soit qui mal y pense (=schande over hem die er kwaad over denkt)
- aan de Turken overgeleverd zijn (=slecht behandeld, bedrogen, mishandeld worden)
- je pijlen verschieten (=te snel handelen)
- een haastige hond werpt blinde jongen. (=te snel of impulsief handelen heeft slechte gevolgen)
- een nummer zijn (=van weinig betekenis zijn of althans zo behandeld worden)
- naar de bekende weg vragen (=vragen naar hetgeen men al weet / Overbodig handelen)
- die wel doet, wel ontmoet. (=wie anderen goed behandelt, kan zelf goede behandeling verwachten.)
- wie zich voor hond verhuurt, moet de botten kluiven (=wie zich onderdanig gedraagt, wordt als knecht behandeld)
- een paard met een zachte mond moet men met zachte toom besturen. (=zachtaardige mensen moet men niet streng behandelen)
- handen als kolenschoppen (=zeer grote, sterke handen)
- op eieren lopen (=zeer voorzichtig handelen)
5 dialectgezegden bevatten `hande`
- hande as schoepe (=grote handen) (Diesters)
- Ientje mit hande oit ze mouwe en bit op ze kieze. (=Eerlijke, harde werker.) (zaans)
- me klauwe benne vuil (=ik heb vieze hande) (Westlands)
- wadist goodde verhoazen, want aa hande zen al ingepakt (=iemand die met zijn handen in zijn broekzakken staat) (Ransts)
- Watte met de hande rechtezet, stötte met de konte weer umme. (=Wat hij met de handen rechtzet, stoot hij met zijn achterwerk weer om.) (Aaltens)
Bronnen
De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers.
Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook:
- vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen