Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


33 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `maak`

  1. belofte maakt schuld (=als je iets beloofd hebt moet je dat ook nakomen)
  2. bitter in de mond maakt het hart gezond (=ook wat minder aangenaam is, kan gezond of goed zijn)
  3. dat maakt van Jezus nog een ketter (=dat is zelfs bij de meest integer mens een schanddaad)
  4. dat smaakt naar meer (=meer van dat, graag!)
  5. de gelegenheid maakt de dief (=men laat zich gemakkelijk verleiden door een goede gelegenheid)
  6. de kap maakt de monnik niet (=aan het uiterlijke kan men het innerlijke niet beoordelen)
  7. de lange weg maakt een moede man (=een langdurige ziekte leidt tot uitputting)
  8. die perzik smaakt naar meer (=dat is gunstig - nog van dat!)
  9. een bonte kraai maakt nog geen winter (=één voorbeeld is niet genoeg om een definitief besluit te nemen)
  10. Een goed paard maakt nog geen goede ruiter. (=Niet enkel de middelen tellen, ook de vaardigheid is belangrijk om resultaat te krijgen.)
  11. Een gouden zadel maakt geen ezel tot paard. (=Een mens verandert niet door uiterlijkheden)
  12. een jatmous van een wijf, maakt de nering stroef en stijf (=het brengt ongeluk als je eerste klant een vrouw is)
  13. een kat in het donker/nauw maakt rare sprongen (=in een benarde situatie doet men vreemde dingen)
  14. eén rotte appel in de mand, maakt al het gave fruit te schand (=Als één persoon uit een groep zich misdraagt, wordt de hele groep erop aangekeken. / Een negatieve beïnvloeding van één persoon kan vele anderen op het slechte pad brengen.)
  15. een zwaluw maakt de lente niet (=een omstandigheid laat nog geen eindconclusie toe)
  16. eendracht maakt macht (=wanneer mensen samenwerken kan men veel bereiken)
  17. effen rekening maakt goede vrienden (=of anders: schulden maken vijanden)
  18. er is reuk noch smaak aan (=het is weinig waard, het is niet interessant)
  19. geld dat stom is, maakt recht wat krom is (=mensen kunnen door financiële bevoordeling ertoe gebracht worden om onrecht toe te laten)
  20. geld maakt niet gelukkig (=er is meer in het leven dan rijkdom)
  21. het is de toon die de muziek maakt (=het gaat om de manier waarop iets gezegd wordt)
  22. het is niet voor de ganzen gemaakt (=we kunnen het maar beter uitdrinken)
  23. het oog van de meester maakt het paard vet (=het werk gebeurt beter als de baas toezicht houdt)
  24. Het oog van de meester maakt het paard vet. (=Je moet als baas zelf toezicht houden, want anders wordt je bedrijf verwaarloosd)
  25. Hij maakt van zijn buik een afgod. (=Lekker eten en drinken vindt hij belangrijk.)
  26. honger maakt rauwe bonen zoet (=als men honger heeft, smaakt alles)
  27. ik maak een platvis van je (=iemand dreigen in elkaar te slaan)
  28. korte afrekening maakt lange vriendschap (=snel terugbetalen (teruggeven) voorkomt ruzie)
  29. kraak nog smaak hebben (=het is niet heel smakelijk)
  30. maak je borst maar nat (=bereid je voor op een zware klus (of op veel tegenstand))
  31. onbekend maakt onbemind (=iets wat nog onbekend is, kan ook niet geapprecieerd worden)
  32. over smaak valt niet te twisten (=over verschil in smaak moet men geen ruzie maken)
  33. wie zijn naasten te schande maakt, onteert zichzelf (=een klein foutje, kan een groot geheel te schande maken)

46 betekenissen bevatten `maak`

  1. Een morse muur is snel afgebroken (=1: Een slechte zaak gaat niet lang mee. 2: Als iets slecht gemaakt wordt gaat het gemakkelijk kapot)
  2. honger maakt rauwe bonen zoet (=als men honger heeft, smaakt alles)
  3. wat het huis verliest, brengt het weer terug (=als men iets in huis zoek maakt, komt het meestal vanzelf weer tevoorschijn)
  4. die veel begeert veel ontbeert (=altijd meer willen maakt ongelukkig)
  5. mastiek maken (=de dagelijkse schoonmaak verrichten)
  6. hij heeft zijn lesje wel geleerd (=die fout maakt hij niet weer)
  7. eigen roem/lof stinkt (=door over jezelf op te scheppen maak je een nare indruk)
  8. Een paard dat eens op hol is geslagen, kan dat snel weer doen. (=Een eens gemaakte fout, begaat men makkelijk weer)
  9. het verkorven hebben (=een slechte beurt gemaakt hebben bij iemand)
  10. een schurftig schaap steekt de hele kudde aan (=een slechte persoon in een groep, maakt de hele groep slecht)
  11. de kost gaat voor de baat uit (=eerst moeten er kosten worden gemaakt alvorens men er iets aan verdienen kan)
  12. al voor heter vuren gestaan hebben (=er erger meegemaakt hebben)
  13. de kop is eraf (=er is een begin gemaakt)
  14. iets uit de eerste hand hebben (=ergens zelf bij zijn geweest of hebben gehoord van iemand die het zelf heeft meegemaakt)
  15. geld verzoet de arbeid (=geld dat je krijgt maakt het harde vervelende werk weer goed)
  16. op de kaart zetten (=gemaakt tot iets waar rekening mee gehouden wordt. )
  17. heb je het ooit zo zout gegeten (=heb je het ooit zo straf meegemaakt)
  18. of men van de kat of de kater gebeten wordt (=het maakt geen verschil)
  19. 't Is gelijk of men van/door de kat of de kater/hond gebeten wordt (=het maakt niet uit hoe of waardoor je benadeeld bent geweest)
  20. het zal me worst zijn/wezen (=het maakt voor mij geen enkel verschil)
  21. Het eten is niet te pruimen. (=het smaakt niet)
  22. het zo zout nog niet gegeten hebben (=het zo slecht nog nooit meegemaakt hebben)
  23. Hij heeft de meeste aardappelen al gegeten (=Hij heeft al veel meegemaakt, hij leeft al lang)
  24. zijn schip is binnen (=hij heeft zijn fortuin gemaakt)
  25. Hij jaagt alles door het halsgat. (=Hij maakt alles op aan eten en drinken.)
  26. Paarden vallen ook al hebben zij vier benen. (=Iedereen maakt fouten)
  27. ieder vist op zijn getij (=iedereen maakt gebruik van het geschikte ogenblik)
  28. Het beste paard struikelt wel eens. (=Iedereen maakt wel eens een fout)
  29. aan elke goede visser ontsnapt wel eens een aal (=iedereen maakt wel eens een foutje)
  30. als apen hoger klimmen willen, ziet men gauw hun blote billen (=iemand die meer wil dan hij kan, maakt zich snel belachelijk)
  31. Een hennentaster (=Iemand die zich druk maakt om ongelegde eieren)
  32. dat zal mijn klomp niet roesten (=ik maak me er niet druk om; het kan mij niet schelen)
  33. denkt aleer gij doende zijt en doende denkt dan nog. (Guido Gezelle) (=maak een plan alvorens ergens aan te beginnen, en stel tijdens de activiteit het plan bij indien nodig)
  34. geen zorgen voor de dag van morgen (=maak je nu nog niet druk over mogelijke toekomstige problemen)
  35. kiezen of delen/kavelen (=maak uw keuze!)
  36. een ezel stoot zich geen tweemaal aan dezelfde steen (=men maakt geen twee keer dezelfde fout)
  37. het beste paard struikelt (ook) wel eens (=ook de beste maakt wel eens een fout)
  38. over smaak valt niet te twisten (=over verschil in smaak moet men geen ruzie maken)
  39. om de kracht van het anker te voelen moet men de storm trotseren (=pas als men iets ernstig meemaakt, weet men op wie men kan vertrouwen)
  40. Die zijn pap gemorst heeft kan niet alles weer oprapen (=Schade kan nooit geheel worden goedgemaakt)
  41. ervaring is de beste leermeester (=van datgene dat je zelf hebt meegemaakt leer je het meeste)
  42. een schip op het strand is een baken in zee (=van de fouten die anderen hebben gemaakt kun je zelf veel leren)
  43. al te goed is buurmans gek (=van te veel goedheid wordt misbruik gemaakt)
  44. met de prins over de Maas geweest zijn (=veel meegemaakt hebben)
  45. waar gehakt wordt, vallen spaanders (=waar werk verricht wordt, worden ook wel wat fouten gemaakt)
  46. honger is de beste kok (=wanneer men honger heeft, smaakt alles goed)

Het dialectenwoordenboek kent 214 spreekwoorden met `maak`

  1. Weerts: tiêd maaktj graas en zón maaktj hoeëj (=niet overhaast handelen)
  2. Merkems: begaaien (=u zelf vuil maaken)
  3. Veurns: maakementspel zien (=opgezet zijn)
  4. Veurns: van ze bèèr maak'n (=tekeer gaan)
  5. Veurns: e vuuste in ze beuze maak'n (=verkroppen)
  6. Weerts: Dae maaktj van 'ne scheet 'ne dônderslaag (=overdrijven)
  7. Kinrooi: Te min hart maaktj meistal misbruuk van teveul hart! (=Te weinig hart maakt meestal misbruik van te veel hart!)
  8. Sittards: van de gelaegenheid gebroek maake (=van de gelegenheid gebruik maken)
  9. Genneps: Niks kunne als gro.te botteramme klèèn maake (=niet veel presteren)
  10. Veurns: bussch'n maak'n (=de school verzuimen)
  11. Genneps: gènne praot van maake (=Ergens over zwijgen)
  12. Koksijds: ti ni aal vrijn e kiendjes maakn (=het is niet allemaal gemakkelijk en leuk)
  13. Genneps: Zich de pis nie law laote maake (=Zich niet onder druk laten zetten)
  14. Weerts: Dae niks van ziéne Jân maaktj, es neet geteltj (=Je moet niet te bescheiden zijn)
  15. Weerts: Waat,hoond zien gaat, kat zieêne stuûver maaktj alles zuûver (=Reactie op de vraag WAT ?)
  16. Genneps: zich druk maake um óngelegde ejjer (=Zich onnodig zorgen maken)
  17. Susters: eemes de pis lauw maake (=iemand aan zijn hoofd zeuren)
  18. Venloos: Zich dieke bein maake (=Zich ergens druk over maken)
  19. Kinrooi: maak dich! (=maak dat je weg bent!)
  20. Haarlems: maak je niet sappel, maak je niet dik (=maak je niet druk)
  21. Gelaens (Geleens): maak neet zoa'ein apprenche (=maak niet zo'n drukte)
  22. Astens: dur kan 'n bleind perd niks kepot maake (=ze hebben niet veel van waarde in huis staan)
  23. Westerkwartiers: 'k mokte moar 'n grapke heur (=ik maakte maar een grapje hoor)
  24. Munsterbilzen - Minsters: g (=maak dat een ander wijs)
  25. Waregems: skiet oi vooërt (=maak dat je weg komt)
  26. Antwerps: komt da tege (=maak dat mee)
  27. Susters: versjtoat ug (=maak geen ruzie)
  28. Oudenaards: Mokt ui zoë dul nie (=maak je niet druk)
  29. tilburgs: Doe'w nissels vaast (=maak je schoenveters vast)
  30. Eernegems: Tertet mor an (=maak maar dat je wegkomt)
  31. Waregems: 'k stell' het goe (=ik maak het goed)
  32. Helmonds: wa makte nauw? (=wat maak je nou?)
  33. Vechtdals: maakt oe over morn gien zörngn. (=maak je geen zorgen voor de dag van morgen)
  34. Venloos: maak det'se weg kumps. (=maak dat je weg komt.)
  35. Kessels: maak dich neet druek om ungelagde eier (=maak je niet druk)
  36. Clings: ik spuit ô vol (=ik maak je zwanger)
  37. Westerkwartiers: hoebel op man ! (=maak dat je wegkomt !)
  38. Lokers: lach mee au peetsjen (=maak iemand anders belachelijk)
  39. Ronsisch: Bloest oi ezuu nie oop. (=maak je niet kwaad.)
  40. Helmonds: wa makte nauw (=wat maak je nou?)
  41. Munsterbilzen - Minsters: ze wor wir èn hër element (=de weervrouw maakte het mooie weer)
  42. West-Vlaams: je miek ur veel spel over (=hij maakte er veel tralala over)
  43. Oudenbosch: gij kun inrukke (=maak dat je weg komt)
  44. Lichtervelds: tgemak goa voîrn (=maak het je gemakkelijk)
  45. Munsterbilzen - Minsters: trèkket nie te lang (=maak het kort)
  46. Siebengewalds: reeg mien nie op (=maak me niet gek)
  47. Bosch: dè makte gij nie ut (=dat maak jij niet uit)
  48. Munsterbilzen - Minsters: got toch petatte plante, joeng (=maak dat je weg bent !)
  49. Venloos: Houw dich van wiek (=maak dat je weg komt)
  50. Weerts: Louptj nao de maon, sterre plökke! (=maak dat je weg komt!)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen