Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek

12 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `hout`

  1. alle hout is geen timmerhout (=niet iedereen beschikt over dezelfde kwaliteiten / niet alles is van voldoende kwaliteit)
  2. dat snijdt geen hout (=dat heeft er niets mee te maken; het bewijst niets)
  3. een houten/stijve Klaas zijn (=nooit iets leuks willen)
  4. er klopt geen hout van (=het is geheel onjuist)
  5. ergens geen hout van snappen (=er niets van begrijpen)
  6. geen hout snijden (=niets bewijzen , niet van toepassing zijn)
  7. het is een pleister op een houten been (=het is een nutteloos voorstel)
  8. op een houtje bijten (=honger hebben)
  9. op eigen houtje doen (=iets zelfstandig (eventueel op eigen initiatief) ondernemen)
  10. uit het goede hout gesneden zijn (=van goede afkomst zijn / een goed karakter hebben)
  11. van dik hout zaagt men planken (=niet al te nauwkeurig of zorgvuldig werken)
  12. voorbij de schout zijn deur mogen dragen (=wel gezien mogen worden)

2 betekenissen bevatten `hout`

  1. droge stokvis (=een houterig iemand)
  2. lopen alsof men een lantaarnpaal heeft ingeslikt (=erg stijf, houterig lopen)

Het dialectenwoordenboek kent 44 spreekwoorden met `hout`

  1. Houtens: Sódemieter op jòh! (=Ga weg!)
  2. Marine jargon (veelal Maleis): boka palu (houtenbek) (=iets misslopen)
  3. Geuls: door de houte meule laote (=een aframmeling geven)
  4. Maas en waals: hou oewen smoel of houtemoel (=houdt je mond)
  5. Liedekerks: e gesneejen broeët van be tirken den bakker op daatmet (=een gesneden brood van bij Arthur De Bakker op de houtmarkt)
  6. Houtens: Dat is een poos tijd terug (=Dat is lang geleden)
  7. Houtens: Ik heb daar nooit geen les in gehad (=Ik heb dat nooit geleerd)
  8. Houtens: Pieper met slaai (=Aardappel met sla)
  9. Westerkwartiers: dat wordt dreuge eerabbels eet'n (=dat wordt op een houtje bijten)
  10. Eindhovens: Wa heb ik een houtere bakkes? (=Krijg ik niks?)
  11. Westfries: Ze binne van 't houtje (=Ze zijn katholiek)
  12. houthulst: pereld e kei e eaire (=speel eens een deuntje)
  13. Tilburgs: k-hè ok gin houtere bakkes (=ik lust daar ook van)
  14. Budels: hie is van t 'houtje (=hij is katholiek)
  15. Ninoofs: woeëbeumenaut (=waardeloos hout)
  16. Houtens: Ik eb em nog gekenne (=Ik heb hem nog gekend)
  17. Houthulst: en de buk is vet (=Hij heeft goed verdiend)
  18. houthulst: tis e rosse van e wuuf (=Het is ee stoute vrouw)
  19. houthulst: De buk is vet (=Hij heeft financieël een goede slag geslegen)
  20. Flakkees: ut is un slecht houtje wat laegende breekt (=Lichamelijk niet veel waard zijn)
  21. Walshoutems: screume (=houtems volksspel : gespannen koordje waar men vanop een afstand van +/- 5m ver, kwartcenten naartoe gooiden. Degene die het dichts bij de lijn gooide won de pot.)
  22. houthulst: je geen nagel om aanzien gat te krabelen (=hij is zeer arm)
  23. Overmeers: 'n wisse haten schoenen (=een reeks houten klompen)
  24. Tilburgs: un hawtere kôojke (=een houten kooitje)
  25. Riekevorts: Planken Harrie (=Harrie woonde in een houten huis)
  26. Rotterdams: Hep ik een houte bek? (=Zou je mij ook niet iets geven?)
  27. Mechels (BE): 't is greun aat (='t is groen hout)
  28. Overmeers: 'n spinse haat (=een bundel hout)
  29. Westerkwartiers: alle holt is gien timmerholt (=niet elk soort hout is timmerhout)
  30. Tilburgs: hout op hout zaogt nie! (=mannen behoren elkaar niet te kussen.)
  31. Steins: zoea stief wie 'ne klöppel / 'n hout / 'ne badding (=stijf en stram zijn)
  32. Diesters: zoe kroem as en ak, zoe kroem as en hout (=zeer krom)
  33. Melseels: ze is goed van oëeren en poëeten (=zij heeft een flinke bos hout voor de deur)
  34. Tilburgs: haawt spròkkele in de bosse van onze grutvadder (=hout sprokkelen in de gemeente-bossen (andermans bossen))
  35. Rotterdams: hout je muil ! (=Hou je mond !)
  36. Antwerps: 't is gruen hout (=ze hebben ruzie in het huishouden)
  37. Heels: van waat hout piele make (=geen raad meer weten)
  38. Antwerps: z' ei veil hout veur eur deur ligge (=ze heeft grote borsten)
  39. Zelzaats: 't Es e zwalpei. (=Dronken nietsnut die blijft rondhangen. Of nietsnut die van geen hout pijlen weet te maken.)
  40. Heezers: tis mèr koi hout dè van ligge brikt (=van niets doen verslijt je niet)
  41. Melseels: hij eed un bakkus om hout op te kappen (om boëmen op te klieven) (=hij is een lelijkerd)
  42. Flakkees: ZO, die heit een flienke bos hout voor de deure! (=Die heeft een flinke voorgevel)
  43. Antwerps: a wet van giën hout plaanke moake (=hij heeft niets en weet niet meer wat te beginnen)
  44. Munsterbilzen - Minsters: iëver de brêg vant kanaal noë Zietendel loeg nog een hoote brèg, baliebrèg zaagte ze doë tiëge, ze wont 'taajelëk ongelaach as naudbrèg vërret bels laeger, noët boembardement onder den oerlog. (=over het Albertkanaal richting Zutendaal lag een houten noodbrug, baliebrug genaamd, die de soldaten van het Belg. leger er zogezegd tijdelijk legden na een Duits bombardement)

Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen