Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


105 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `goed`

  1. (goed) begonnen is half gewonnen (=wat niet aangevangen wordt komt ook nooit af. / Wanneer het begin van iets goed is, is de kans groter dat het goed eindigt)
  2. aan een goed kantoor zijn (=op de juiste plaats zijn)
  3. aan elke goede visser ontsnapt wel eens een aal (=iedereen maakt wel eens een foutje)
  4. al het goede komt van boven (=alle zegen komt van god)
  5. al te goed is buurmans gek (=van te veel goedheid wordt misbruik gemaakt)
  6. alle goede dingen bestaan in drieën (=gezegd van iets waarvan men er twee heeft en een derde wil krijgen)
  7. als de vis goedkoop is stinkt ze (=de herkomst ergens van is niet te vertrouwen)
  8. beter een goede buur dan een verre vriend (=van mensen in zijn omgeving kan men meer hulp verwachten)
  9. de heler is net zo goed als de steler (=wie gestolen goed koopt is even slecht als de dief)
  10. de weg naar de hel is geplaveid met goede voornemens (=veel goede voornemens hebben zonder ze daadwerkelijk uit te voeren)
  11. een (goede) neus voor iets hebben (=precies aanvoelen hoe iets moet of gaat)
  12. een goed begin heeft een goed behagen maar het eindje zal de last dragen (=goed beginnen is prima, maar je moet volhouden tot het einde)
  13. een goed begin is het halve werk (=een goed begin vergroot de kans op een goede afwerking)
  14. een goed hart is goud waard (=je treft niet snel meer mensen met een goed karakter)
  15. een goed hart toedragen (=goed kunnen verdragen)
  16. een goed mondstuk hebben (=goed kunnen spreken)
  17. Een goed paard maakt nog geen goede ruiter. (=Niet enkel de middelen tellen, ook de vaardigheid is belangrijk om resultaat te krijgen.)
  18. een goed verstaander heeft maar een half woord nodig (=voor een goed verstaander is een kleine aanwijzing genoeg)
  19. een goed woord voor iemand doen (=iemand bij een ander aanbevelen)
  20. een goed zeeman wordt ook wel eens nat (=ieder kent zijn tegenslagen)
  21. een goede beurt geven (=grondig reinigen, grondig aanpakken)
  22. een goede beurt maken (=iets heel goed doen, een goede indruk maken)
  23. een goede buur is beter dan een verre vriend (=een goede buur kan je beter helpen dan een verre vriend)
  24. een goede daad is goud waard (=iemand helpen is goed)
  25. een goede naam is beter dan olie (=een goede naam (reputatie) is beter dan veel geld (olie) bezitten)
  26. een pater goedleven (=iemand die van het leven geniet)
  27. een slak op de goede weg, wint het van een haas op de verkeerde weg (=je kunt beter iets langzaam en goed doen, dan snel en niet goed)
  28. een woord op zijn pas is zo goed als geld in de tas (=spreken op het juiste ogenblik is waardevol)
  29. effen rekening maakt goede vrienden (=of anders: schulden maken vijanden)
  30. eind goed, al goed (=de tegenslagen zijn gauw vergeten als het goed afloopt)
  31. Eten is een goed begin: het ene beetje brengt het ander in. (=Letterlijke betekenis.)
  32. geen bericht is goed bericht (=als je niet weet hoe het met iets of iemand gaat, kun je ervan uitgaan dat het goed gaat, zolang je geen slecht bericht ontvangt)
  33. geen nieuws is goed nieuws (=zolang het goed gaat met iemand is het lang niet zo sensationeel als dat het slecht gaat met iemand)
  34. gestolen goed gedijt niet (=gestolen zaken brengen nooit voordeel)
  35. goed begonnen is half gewonnen (=een goed begin is het halve werk)
  36. goed beslagen (=met de nodige kennis en ervaring)
  37. goed bij de tijd zijn (=snugger)
  38. goed bloed kan niet liegen (=een edele afkomst wordt altijd opgemerkt)
  39. goed boeren / goed geboerd hebben (=succesvol geweest zijn, vooral financieel)
  40. goed en bloed voor iets offeren (=ergens alles voor over hebben (goed=bezittingen, bloed=het leven))
  41. goed geld naar kwaad geld gooien (=geld ergens insteken waarvan bekend is dat het verlies oplevert)
  42. goed gemutst zijn (=opgewekt zijn, in een goede, vrolijke bui zijn)
  43. goed gereedschap is het halve werk (=door de juiste hulpmiddelen te gebruiken wordt het karwei snel geklaard)
  44. goed in de slappe was zitten (=veel geld hebben)
  45. goed te boek staan (=een goede reputatie hebben)
  46. goed van aannemen (=verstandig)
  47. goed van de tongriem gesneden (=gezegd van een vlotte prater)
  48. goed voor de schroothoop (=totaal verloren)
  49. goed voorbeeld doet goed volgen (=als je zelf op de goede manier handelt, nemen anderen dat vanzelf over)
  50. goed voorgaan doet goed volgen (=als je zelf op de goede manier handelt, nemen anderen dat vanzelf over)

283 betekenissen bevatten `goed`

  1. met zijn gat in de boter vallen (=(onverwacht) goed terechtkomen)
  2. met zijn neus in de boter vallen (=(Onverwacht) goed terechtkomen)
  3. De kruik gaat zolang te water tot zij barst (=1: Alles heeft zijn beperkingen. 2: De onvoorzichtige die niet naar goede raad wil luisteren ondervindt daarvan vroeg of laat de gevolgen)
  4. werelds goed is eb en vloed (=aardse goederen komen en gaan)
  5. kunnen lezen en schrijven (=al lange tijd goede diensten bewezen hebben)
  6. botertje aan de boom zijn / het is botertje tot de boom (=alles gaat goed zonder problemen)
  7. ogen van achteren en van voren hebben (=alles goed in de gaten houden)
  8. zijn ogen de kost geven (=alles goed in zich opnemen)
  9. in het donker zijn alle katten grijs/grauw (=als de situatie niet duidelijk is, zijn de zaken niet goed te beoordelen)
  10. wie appelen vaart, die appelen eet (=als je handelt in bepaalde goederen, dan zul je deze zelf waarschijnlijk ook gebruiken. / Iemand die bepaalde werkzaamheden voor een ander moet verrichten, geniet daar doorgaans zelf ook van)
  11. Men kan geen paard al lopende beslaan. (=Als je het werk goed wil doen, moet je er de tijd voor nemen)
  12. wee de wolf die in een kwaad gerucht staat (=als je je goede naam verliest is die haast niet terug te winnen)
  13. als de zon een mestvaalt beschijnt, dan verspreidt deze een onaangename geur (=als je met goede wil ergens te veel aandacht aan besteedt kan het verkeerd opgevat worden. / Met alle goede wil van de wereld kun je sommige zaken nog niet verbeteren)
  14. Waar geen aardappelen gepoot worden, zullen er ook geen groeien (=Als je niet een goed begin voor iets legt, zal er ook niets van worden)
  15. geen bericht is goed bericht (=als je niet weet hoe het met iets of iemand gaat, kun je ervan uitgaan dat het goed gaat, zolang je geen slecht bericht ontvangt)
  16. een geplaveide weg is des duivels oorkussen (=als je niets doet en lui bent, doe je ook niks goeds / mensen die zich vervelen omdat ze niets te doen hebben, kunnen tot de slechts dingen komen daardoor)
  17. goed voorbeeld doet goed volgen (=als je zelf op de goede manier handelt, nemen anderen dat vanzelf over)
  18. goed voorgaan doet goed volgen (=als je zelf op de goede manier handelt, nemen anderen dat vanzelf over)
  19. Oude paarden jaagt men aan de dijk. (=Als men de taak niet meer goed aankan, wordt men ontslagen)
  20. wat men afdingt is het eerst betaald (=als men het goedkoop krijgt, is het vlugger betaald)
  21. oude paarden jaagt men aan de dijk (=als men zijn taak niet goed meer aankan, wordt men ontslagen)
  22. twee geloven op een kussen daar slaapt de duivel tussen (=als twee personen van een verschillend geloof trouwen, gaat het zelden goed)
  23. begaan zijn met (=bedroefd zijn omdat het met iemand niet goed gaat, meeleven met)
  24. te goeder naam en faam bekend staan (=bekend staan voor goede dingen)
  25. vis moet (wil) zwemmen (=bij een goede maaltijd hoort een goed glas wijn (bier))
  26. bij gebrek aan brood eet men korstjes van pasteien (=bij gebrek aan het goedkope, het dure gebruiken)
  27. daar is vlees in de kuip (=daar is het goed)
  28. visnamig (=daar is het goed vissen, er zit daar veel vis)
  29. dat geeft de burger weer moed (=dat doet goed)
  30. het scheelde maar een haartje (=dat ging maar net goed)
  31. dat is geen geld (=dat is erg goedkoop als je ziet wat je ervoor krijgt)
  32. dat zit wel snor (=dat komt wel goed)
  33. onder de pannen zijn (=de (geld)zaken goed voor elkaar hebben)
  34. goede papieren hebben (=de goede eigenschappen hebben (voor een baan))
  35. in diskrediet brengen (=de goede naam aantasten)
  36. de bokken van de schapen scheiden (=de goeden van de kwaden scheiden)
  37. de rotte appels uit de mand halen (=de minder getalenteerde personen wegsturen, de minder goede dingen sorteren van de goede dingen)
  38. regen in mei, dan is april voorbij (=de natuur kiest vanzelf de goede volgorde)
  39. met zijn talenten woekeren (=de persoonlijke mogelijkheden/gaven goed gebruiken)
  40. het land van belofte (=de plaats waar het goed toeven is)
  41. eind goed, al goed (=de tegenslagen zijn gauw vergeten als het goed afloopt)
  42. bezint eer ge begint (=denk goed na over de gevolgen voordat je actie onderneemt)
  43. tussen die twee was er geen chemie (=die twee mensen hadden te veel karakterverschillen om goed te kunnen samenwerken)
  44. het paard dat de haver verdient krijgt ze niet (=diegene die het goede gedaan heeft, krijgt de beloning niet)
  45. zoete broodjes bakken (=dingen zeggen om een goede indruk achter te laten bij mensen met invloed)
  46. in goede aarde vallen (=door de ontvanger goed ontvangen worden)
  47. tussen beurs en geweten geplaatst zijn (=een financieel goede - maar misdadige - zaak kunnen doen)
  48. goed begonnen is half gewonnen (=een goed begin is het halve werk)
  49. de eerste klap is een daalder waard (=een goed begin is het halve werk)
  50. een goed begin is het halve werk (=een goed begin vergroot de kans op een goede afwerking)

Het dialectenwoordenboek kent 828 spreekwoorden met `goed`

  1. Walshoutems: Een goei djoep (=goedhartig vrouwmens)
  2. Zeeuws: da s me n hoeien (=goedkeurend)
  3. Vlijtingens: blèts (=goedgelovige vrouw)
  4. Vechtdals: goeindag (eem) (=goedendag)
  5. Gents: ne gruuten balkong (Balcon= erker ) (=een goedgevulde boezem)
  6. Lichtervelds: jeet een êrte lik e koekkebroîd (=hij is goedhartig)
  7. Westerkwartiers: doar zit wel meziek ien (=dat gaat wel goedkomen)
  8. Oudenbosch: daddis un ollebollewaai (=zij is een goedhartig opgeruimd iemand)
  9. Sallands: goedgaon (='t gaat je goed, het beste)
  10. Evergems: get eu kessens verkeerd an (=doe je kousen goedd aan)
  11. Oudenbosch: dadistereen meej aor op dur taande (=zij is een goedgebekt vrouwspersoon)
  12. Tilburgs: kromhawt braandt ok. (=het goedkopere is vaak net zo goed.)
  13. Margratens: der zege kriege (=goedkeuring krijgen)
  14. Westerkwartiers: 'k vuul naddegheid (=ik voel dat het niet goedkomt)
  15. Zeeuws: da vaal in timmerje (=goedgekeurd)
  16. Gelaens (Geleens): Die vrouw is ein gooj blötsj. (=Die vrouw is te goedaardig.)
  17. Westerkwartiers: gat goedje is noar zien grootje (=dat spul is omgekomen)
  18. Westerkwartiers: dat goedje is net hoarlemmereulie (=dat spul is overal goed voor)
  19. Antwerps: dasbekaanstverniet (=dat is zeer goedkoop)
  20. Bilzers: ziëker van de kérmes of autte sjikkepot (=goedkope juwelen)
  21. Leuvens: tes just den dievel mè ze moeïke (=iets goedkoop dat je goed staat)
  22. Zeeuws: hoeiendag oe is t noe? (=goedendag hoe gaat het)
  23. Lebbeeks: védder: God védder a (=goedendag (afgeleid van)
  24. Waregems: elk ne goen da(g) (=goedendag iedereen)
  25. Brakels: wor ons Irre zij goedeeten in steekt (=een nietsnut die men tolereert)
  26. Munsterbilzen - Minsters: de gelüfs ook nog dat te piepele hoj aete (=je bent te goedgelovig)
  27. Lokers: vliees da nie oan den hoaek angt (=goedkope vleesbereidingen (o.a. van slachtafval))
  28. Westlands: Ze benne(product) onder de prais (=Product is goedkoop)
  29. Merenaars: vur nen appel en een au (='t is zeer goedkoop verkocht)
  30. Weerts: Dao kriegdje nog geine kniên vör gedektj (=Dat is wel heel erg goedkoop !)
  31. Waregems: de gierighied beskijt de wijshied (=goedkope toestellen gaan snel kapot)
  32. Westerkwartiers: dat goedje lijt henter en twenter (=dat spul ligt her en der verspreid)
  33. Westerkwartiers: hij spijt roar goedje (=hij slaat een gemene toon aan)
  34. Harelbeeks: Betoal'n mee gesloot'n buzz'n (=Ruilen met goederen of arbeid)
  35. Veurns: voe gin goeden oendje (=voor geen geld ter wereld)
  36. Giethoorns: hi-j stek niet goed in zien vel (=Geen goede gezondheid)
  37. Westerkwartiers: alle woar is noar zien geld (=van goedkope waar mag je minder verwachten)
  38. Venloos: As hae stief is, schroef se d'r maar ein paar handvatte aan (=Iemand goedkoop begraven)
  39. Munsterbilzen - Minsters: ins goed doërsmèere (=een goede beurt geven)
  40. Munsterbilzen - Minsters: doë kraaj(g)ste nog gene knijn mèt gedèk (=dat is wel heel goedkoop)
  41. Zwols: een goed peerd is aver weerd (=een goede kracht is nooit te duur)
  42. Munsterbilzen - Minsters: goej Limburgse vloj ès din van laer, mèr dik van smaer (=goede Limburgse vlaai is goed gevuld)
  43. fries: Koetsjefinne, pak een barig bie de stut en lit um rinne (=De kebab is goedkoper bij nederlanders dan bij turken)
  44. Achterhoeks: he'j al e'dretten (=goede morgen)
  45. Evergems: Hé zal moetn toe zijn om azuen schure uit de dessen. (=Hij zal van goeden huize moeten zijn om die vrouw aan haar trekken te laten komen.)
  46. Ransts: aave leste frak is er ene zonder zakken (=bij uw overlijden krijg je geen goederen mee)
  47. Bilzers: ver hübbenem goed éngepiekeld (=wij hebben hem een goede rammeling gegeven)
  48. Vechtdals: goed opmaakn döt botter verkoopn (=met een goede presentatie verkoop je beter)
  49. Bilzers: e goed piëd és zen haover wol wiëd (=een goede werkkracht mag wel wat kosten)
  50. Maldegems: nen oasoart doen (=een buitengewoon goede koop doen)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen