Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


8 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `krom`

  1. geld dat stom is, maakt recht wat krom is (=mensen kunnen door financiële bevoordeling ertoe gebracht worden om onrecht toe te laten)
  2. iets dat krom is recht proberen te praten (=met praten proberen een fout iets goeds te laten lijken)
  3. kromme gangen gaan (=omwegen maken, oneerlijk zijn)
  4. kromme sprongen maken (=alle moeite doen om zich uit een situatie te redden)
  5. Men moet zich krommen, wil men door de wereld kommen (=Men moet er wat voor over hebben om iets te bereiken)
  6. met kromme tenen zitten (=zich ergeren)
  7. recht praten wat krom is (=door een ingewikkelde, onjuiste redenering een onzuivere situatie, daad of besluit trachten van een rechtvaardiging te voorzien)
  8. zich onder het juk der dwingelandij krommen (=onderworpen zijn)

Het dialectenwoordenboek kent 56 spreekwoorden met `krom`

  1. Opglabbeeks: es is ein kroem lutter (=s is een kromme letter)
  2. Zeeuws: kom es krom (=ga eens krom staan)
  3. kortemarks: tis zoî krom lik ne zikkle (=het is helemaal krom)
  4. Zeeuws: bie een kromme stok un rechte slag promberen te heven (=krom en recht)
  5. Aalsters: van krommenoos geboren (=niets weten)
  6. Sint-Niklaas: ei loûpt soe krom as ne zichel (=hij loopt helemaal krom)
  7. Bilzers: doen waaj nen avvekoëd wo gêk ès (=van krommenaas gebaren)
  8. Diesters: zoe kroem as en ak, zoe kroem as en hout (=zeer krom)
  9. Munsterbilzen - Minsters: zich n brieëk/ ne bult laachte (=zich krom lachen)
  10. Zeeuws: tis so krom as un oepel (=krom)
  11. Hulsters (NL): zô krom azzun oepel (=heel erg krom of verbogen)
  12. Mestreechs: zoe kroomp wie un ziekel (=krommer bestaat niet)
  13. Sint-Niklaas: ès zoe krom as een zichel (=hij loopt helemaal krom)
  14. Genneps: Zö krom as 'n ha.nkholt (=Zo krom als een juk)
  15. Zeeuws: 't Is zo krom as 'n sikkel (=Het is erg krom)
  16. Liessents: met 'n kromme erm goan (=bij geboorte op bezoek gaan)
  17. Lokers: Tingelinge baale wie ister duuëd, 't is de kromme leiëze die ligt op struuët (=Lokers liedje)
  18. Zeeuws: ie zoekt ni dubbeltjes (=krom lopen)
  19. Halens: de véddere vaniejen lache (=zich krom lachen)
  20. Mestreechs: dat is zoe kroomp wie un ziekel (=dat is zo krom als het maar kan)
  21. Valkenswaards: mee nun krommen erm binnenkomme (=Een cadeautje bijhebben)
  22. Lovendegems: van krommen hoas gebaren (=van niets gebaren)
  23. Genneps: Zö krom als ennen pielenbaog (=Erg krom)
  24. Genneps: krom als un ha.nkholt (=krom als een juk)
  25. Sint-Niklaas: va krommenoas geboaren (=doen alsof men van niets weet)
  26. Gents: eu van krommenoase geboaren (=doen of u van niets weet)
  27. Ouddorps: Hie laopt zôô krom as 'n zekel (=Hij loopt erg krom)
  28. Roeselaars: jee ne slag in sien leenget (=loopt krom)
  29. Westerkwartiers: doar moe 'k wel 'n joar veur kromlegg'n (=daar moet ik wel een jaarvoor werken)
  30. Bilzers: ne sjeeve krijge (=een krom antwoord krijgen)
  31. Lichtervelds: je geboart van krommenoas (=hij gebaart van niets)
  32. turnhouts: aai geboart van krommen oas (=Hij doet alsof hij van niets weet)
  33. Liemers: Dén.......... dah is nog 's 'n goeie varkeshujer !!!!! (=Die heeft erge kromme benen.)
  34. Westerkwartiers: wat krom is rechtproat'n (=iets fouts goedpraten)
  35. Evergems: Van krom'n n'oase gebaren (=Doen alsof zijn neus bloedt)
  36. Tilburgs: kromhawt braandt ok. (=het goedkopere is vaak net zo goed.)
  37. Aalsters: van krommenoos geboren (=veinzen niet op de hoogte te zijn)
  38. Sint-Niklaas: va krommenoas geboaren (=doen alsof zijn neus bloedt)
  39. Zurriks: Mej de krommen èrrum goan (=Met een kado op visite gaan)
  40. Lichtervelds: je geboart van krommenoas (=hij houdt zich voor de domme)
  41. Moes: ei geboard va krommen oas (=hij doet of hij van niets weet)
  42. Vlijtingens: van krommenoas gebaare (=doen alsof je van niks weet)
  43. Zeeuws: ie kan nog hin spieker krom slin (=onhandig iemand)
  44. Lokers: Geboaren van krommen hoaze (=Doen alsof je het niet gezien hebt)
  45. Sint-Niklaas: va krommenoas geboaren (=doe alsof men iets niet gehoord of gezien heeft)
  46. Zeeuws: su ,kromme su hu oepeltje oepeltje lu (=school)
  47. Sint-Niklaas: vâ krommenoas geboaren (=doen alsof men van iets niet op de hoogte is)
  48. Tilburgs: hij stao krom van de rimmetiek. (=hij loopt kreupel door de reuma.)
  49. Hamonter: Hij hit krom zin. (=Hij is humeurig.)
  50. Steins: dat is zoea kròmp wie ein zekel (=iets dat heel erg krom is)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen