Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


6 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `gij`

  1. de dorsende os zult gij niet muilbanden (=iemand die voor je werkt moet je goed behandelen)
  2. denkt aleer gij doende zijt en doende denkt dan nog. (Guido Gezelle) (=maak een plan alvorens ergens aan te beginnen, en stel tijdens de activiteit het plan bij indien nodig)
  3. een heet hangijzer (=een moeilijk onderwerp waar veel discussie over bestaat)
  4. heden ik morgen gij (=oud grafschrift: gedenk, lezer, dat jij ook zal sterven)
  5. met de maat waarmee gij meet, zal u weder gemeten worden (=op de manier zoals je een ander behandelt zal je ook zelf behandeld worden)
  6. op het gijpen liggen (=stervend of totaal buiten adem zijn)

Het dialectenwoordenboek kent 316 spreekwoorden met `gij`

  1. Oudenbosch: kunde gijur/ gij eur wiessele ? (=kun jij haar verstaan ?)
  2. Oudenbosch: gijet mooi praote (=dat kun jij gemakkelijk zeggen)
  3. Rous (Sint-Genesius-Rode): beuzze gijve (=zijn uiterste best doen)
  4. Hams: gij lompe gerre (=gij dwaze)
  5. Antwerps: gaai (=gij)
  6. Oudenbosch: zijde gijut ? (=wie is daar ?)
  7. Westerkwartiers: hij gijt de loan uut (=hij krijgt ontslag)
  8. Westerkwartiers: 't gijt wel aan (=het gaat redelijk)
  9. nieuwkuijks: wieste gijde (=wis je dat)
  10. Westerkwartiers: hij gijt op de dolle ruus (=hij gaat op de bonnefooi)
  11. Westerkwartiers: kleed dij niet uut veurdas't noar berre gijst (=geef niet alles bij voorbaat al weg)
  12. Booms: goasem bitskoemmer ! (=gij deugniet !)
  13. Sint-Niklaas: jaag (=ja gij)
  14. Westerkwartiers: dat gijt op zien elv'mderdigst (=dat gaat heel langzaam)
  15. Westerkwartiers: die gijt recht deur zee (=dat is een rechtvaardig persoon)
  16. Westerkwartiers: 't gijt oareg nuver (=het gaat aardig goed)
  17. Westerkwartiers: hij gijt met de winst striek'n (=hij haalt de eerste plaats)
  18. Westerkwartiers: dat gijt d'r ien as 'n preek ien 'n ollerling (=dat gaat er in als koek)
  19. Westerkwartiers: dit gijt monsterachtig goed !! (=dit gaat uitstekend !!)
  20. Westerkwartiers: hij gijt over éénnachts ies (=hij onderschat de gevaren)
  21. Westerkwartiers: dat gijt as 'n loop'nd vuurke (=dat gaat als een lopend vuurtje)
  22. Westerkwartiers: dat gijt deur maarg en been (=dat gaat door alles heen)
  23. Westerkwartiers: dat gijt oareg ien de papier'n loop'n (=dat wordt een duur grapje)
  24. Oudenbosch: oeneer zijde gijdur uitgenaait ? (klooster (St.Louis) verlaten) (=wanneer ben jij er vandoor gegaan ?)
  25. Sint-Niklaas: gi zè ne zeéker (=gij durft ook niets)
  26. Sint-Niklaas: neech (=neen(n) gij)
  27. Eindhovens straattaal: Wat vind jij er van? (=Wa gij?)
  28. Loois: wa zitte gij hie te potkare? (=wat zit gij hier te prutsen?)
  29. Westerkwartiers: dat gijt aan een boksem aan deur (=dat gaat zonder ophouden door)
  30. Westerkwartiers: die vlieger gijt niet op (=dat kan geen doorgang vinden)
  31. Westerkwartiers: hij gijt met de piek'n op stok (=hij gaat vroeg naar bed)
  32. Westerkwartiers: hoe gijt 't met dij ? (=hoe gaat het met jou ?)
  33. Westerkwartiers: 't gijt met hang'n en wurg'n (=het gaat zeer moeizaam)
  34. Westerkwartiers: het gijt deur al moet d'onnerste steen boov'm komm'n (=het gaat hoe dan ook door)
  35. Westerkwartiers: dat gijt mij boov'm de pet (=dat kan ik niet bevatten)
  36. Westerkwartiers: het gijt met hoogt'n en leegt'n (=het gaat wat op en neer)
  37. Westerkwartiers: 't gijt altied over de onneuzelst'n (=zwakke mensen zijn altijd het mikpunt)
  38. Sint-Katelijne-Waver: Gaa zegt zoê maa iêt (=gij zegt zo maar wat)
  39. Heusdens: ge zet een erm schoap (=gij zijt een arm schaap)
  40. Sint-Niklaas: gulder got.... (=gij, jullie (meer dan 1 persoon) gaan...)
  41. werkendams: Waar hedde gij uitgehongen?\r\nWaor ben de gij gewist? (=Waar ben jij geweest?)
  42. Lommels: gij se gaap ! (=dom iemand)
  43. Moes: mor allei gij (=maar kom)
  44. Westerkwartiers: wel 't dut moet 't wiet'n (=bezint eer gij begint)
  45. Sint-Niklaas: ge komt ongelegen (=gij komt op een slecht moment)
  46. Sint-Niklaas: gè zè precies botermaalk (=gij ziet er zo bleek uit)
  47. Moorsel: zitj goë dor mee onder (=hebt gij dat bij u)
  48. Waregems: bettoet (gij), jattetoet (gij) (=toch wel (na een ontkennende bewering))
  49. Bachten de kupes: zieje gie van bachten de kupe? (=zijt gij achterlijk?)
  50. Oudenbosch: dan zijde gijur belangenaon nog nie (=dan ben je nog helemaal niet klaar)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen