Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


1319 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `een`

  1. 't Moet al een ruige hond wezen, die twee nesten warm houden kan (=alleen een rijke man kan er een tweede vrouw op na houden)
  2. aal is geen paling (=het mindere is niet gelijk aan het meerdere)
  3. aan alles een kleurtje weten te geven (=voor alles wel een uitleg weten)
  4. Aan de ene voet een schoen, de ander blootvoets (=Evenwicht is voornaamst)
  5. aan een balk, die uit het bos gehaald wordt, moet veel gehakt worden, voor hij in het huis past (=in een religieuze groep, vereniging, etc,: je kunt leden uit een gemeenschap winnen, maar hun moet wel geleerd worden zich aan te passen)
  6. Aan een been knagen (=Langdurig vergeefs bezig zijn)
  7. aan een boom zo vol geladen, mist men een twee pruimpjes niet. (Naar Hieronymus van Alphen) (=als er van iets grote hoeveelheden zijn, kan er wel wat gemist worden)
  8. Aan een dood paard trekken. (=Je inspannen voor iets, dat tot mislukken gedoemd is)
  9. aan een goed kantoor zijn (=op de juiste plaats zijn)
  10. aan een oor doof zijn (=iets niet willen horen)
  11. Aan een oud dak moet je veel herstellen (=Verouderde zaken vergen nu eenmaal onderhoud)
  12. aan een stuk door (=ononderbroken)
  13. aan een touw trekken (=eensgezind optreden)
  14. aan een touwtje hebben (=in zijn macht hebben)
  15. aan een zijden draadje hangen (=de kansen zijn nog niet verkeken, maar het scheelt erg weinig)
  16. aan elke goede visser ontsnapt wel eens een aal (=iedereen maakt wel eens een foutje)
  17. aan mijn lijf geen polonaise (=van mij moet je afblijven)
  18. Aardewerk is geen paardenwerk. (=Graven of in aarde werken is een vermoeiende bezigheid)
  19. achteruit gaan als een hollend paard (=snel terrein verliezen)
  20. Achteruit gaan als een hollend paard. (=Snel terrein verliezen)
  21. Aken en Keulen zijn niet op één dag gebouwd (=voor een uitgebreide klus heb je meer tijd nodig)
  22. al draagt een aap een gouden ring, het is en blijft een lelijk ding (=wie zich mooi aankleedt wordt daarmee zelf nog niet mooi)
  23. alle gekheid op een stokje (=maar nu liever ernstig)
  24. alle goede dingen bestaan in drieën (=gezegd van iets waarvan men er twee heeft en een derde wil krijgen)
  25. alle hout is geen timmerhout (=niet iedereen beschikt over dezelfde kwaliteiten / niet alles is van voldoende kwaliteit)
  26. alle molenaars zijn geen dieven (=scheer niet iedereen over dezelfde kam)
  27. alle vis is geen bakvis (=niet alles is even dienstig (of handelbaar of lekker))
  28. alleen een piepend wiel krijgt olie (=door zich opvallend te gedragen bekomt men aandacht)
  29. alles op één kaart zetten (=een groot risico nemen door op slechts één kans te gokken)
  30. alles over een kam scheren (=alles en iedereen gelijk stellen)
  31. als de kat om de hete brij heen draaien (=iets wel willen, maar het niet durven)
  32. als de zon een mestvaalt beschijnt, dan verspreidt deze een onaangename geur (=als je met goede wil ergens te veel aandacht aan besteedt kan het verkeerd opgevat worden. / Met alle goede wil van de wereld kun je sommige zaken nog niet verbeteren)
  33. als door een adder gebeten zijn (=opeens fel reageren)
  34. als door een repel getrokken (=zeer mager)
  35. als een blad van een boom veranderen/omkeren (=geheel anders gaan gedragen)
  36. als een blinde over de kleuren oordelen (=spreken alsof men een kenner is, over iets waar men niets van weet)
  37. als een bok op de haverkist (=wakend om de gelegenheid niet te laten voorbijgaan)
  38. als een donderslag bij heldere hemel (=een onverwachte gebeurtenis, die een grote schok teweeg brengt)
  39. als een feniks uit de as herrijzen (=na de totale vernietiging opnieuw opbouwen)
  40. als een furie tekeergaan (=in razende woede tekeergaan)
  41. als een kip zonder kop (=zonder beraad, onbesuisd)
  42. als een lam ter slachtbank geleid worden (=weerloos zijn)
  43. als een lopend vuurtje (=zich snel verspreidend (van een bericht of nieuwtje))
  44. als een luis in iemands pels zijn (=iemand voortdurend in de weg lopen. Iemand tegenwerken)
  45. als een luis op een teerton (=vorderen als een luis op een teerton: niet opschieten)
  46. als een marmot (=slapen als een marmot : diep, rustig)
  47. als een muis in de val zitten (=geen uitweg meer hebben)
  48. als een nachtkaars uitgaan (=in een gestaag tempo minder worden en eindigen)
  49. als een olifant in de porseleinkast (=buitengewoon onvoorzichtig of tactloos)
  50. als een pareltje in het goud zitten (=zich tussen aangename personen (buren) bevinden)

1085 betekenissen bevatten `een`

  1. een groentje zijn (=(ook: Groen als gras zijn. ) Ergens nog geen ervaring mee hebben)
  2. op de vingers kijken (=(Op een vervelende manier) scherp toezien hoe iemand iets doet, zodat elke fout direct opgemerkt wordt)
  3. haarscherp (=(van een afbeelding) getrouw tot in fijne details)
  4. De kap aan de haag hangen (=1: een beroep beëindigen. 2: Het voor gezien houden)
  5. Een morse muur is snel afgebroken (=1: een slechte zaak gaat niet lang mee. 2: Als iets slecht gemaakt wordt gaat het gemakkelijk kapot)
  6. Uit hetzelfde gat schijten (=1: Onafscheidelijke kameraden zijn. 2: Het met elkaar eens zijn)
  7. er is een tijd van komen en er is een tijd van gaan (=aan alles komt een einde)
  8. aan de bak komen (=aan de beurt komen; een baan krijgen)
  9. as is verbrande turf (=aan een belofte (as = als) heb je niets)
  10. aan de lopende band (=aan één stuk door; steeds maar weer)
  11. tegen de klippen op gaan (=aan een stuk doorgaan (met liegen))
  12. van de daken schreeuwen (=aan iedereen luid kenbaar maken)
  13. bij iemand nog wel kunnen schoolgaan (=aan iemand nog een voorbeeld kunnen nemen)
  14. het land aan iets hebben (=aan iets een hekel hebben)
  15. van een mooi bord kun je niet eten (=aan uiterlijk alleen heb je niets)
  16. aan de voeten van Gamaliël zitten (=aandachtig luisteren naar de les die een wijs persoon meegeeft)
  17. als de ganzen (=achter elkaar op een rijtje)
  18. De zon niet in het water kunnen zien schijnen (=Afgunst hebben (jaloers zijn) op een ander)
  19. op jaren komen (=al een zekere leeftijd bereiken)
  20. de lijdensbeker tot de bodem ledigen (=al het slechte, tot het laatste toe, over zich heen krijgen)
  21. in de lucht zitten (=algemeen voorkomen)
  22. kromme sprongen maken (=alle moeite doen om zich uit een situatie te redden)
  23. voor Sinterklaas spelen (=alle wensen vervullen, alles voor iedereen betalen)
  24. het rijk alleen hebben (=alleen baas zijn, alleen thuis zijn)
  25. 't Moet al een ruige hond wezen, die twee nesten warm houden kan (=alleen een rijke man kan er een tweede vrouw op na houden)
  26. Het leven is meer dan eten en drinken. (=Alleen eten en drinken vult geen leven.)
  27. de bastaard van de graaf wordt later bisschop (=alleen hoge heren kunnen hun buitenechtelijke kinderen een toekomst bieden)
  28. de Mammon dienen (=alleen maar belangstelling hebben voor geld)
  29. zonder geluk vaart niemand wel (=alleen met hard werken komt men er niet, ook een beetje geluk is nodig om ergens te komen)
  30. om den brode doen (=alleen werken voor het geld en niet omdat het werk fijn/leuk is)
  31. Niemand zoekt de ander in de oven als hij er zich niet zelf in verstopt heeft (=Alleen wie zelf slecht is denkt slecht over anderen)
  32. alles over een kam scheren (=alles en iedereen gelijk stellen)
  33. alle tij heeft zijn weertij (=alles heeft een keerzijde)
  34. Wie weet waarom de ganzen blootsvoets gaan? (=Alles heeft een reden, ook al is die niet altijd even duidelijk)
  35. de volle laag krijgen (=alles over zich heen krijgen)
  36. iemand tot op zijn hemd uitkleden (=alles van iemand afnemen, een te hoge prijs laten betalen)
  37. het ene woord haalt het andere uit (=als de ene persoon een grote mond opzet, krijgt die dat van de ander terug)
  38. de ratten verlaten het zinkende schip (=als de omstandigheden verslechteren denken sommigen alleen aan zichzelf en vertrekken)
  39. vis begint aan de kop te stinken (=als een bedrijf een slecht management heeft)
  40. vele handen maken licht werk (=als een karwei samen wordt opgepakt is het snel en gemakkelijk gedaan)
  41. na gedane arbeid is het goed rusten (=als een klus geklaard is kan men er tevreden op terug kijken)
  42. waar meerderman komt moet minderman wijken (=als een machtig persoon iets zegt, moet de minder machtige zwijgen)
  43. als er één schaap over de dam is, volgen er meer (=als één persoon iets nieuws geprobeerd heeft, durven anderen ook wel)
  44. eén rotte appel in de mand, maakt al het gave fruit te schand (=Als één persoon uit een groep zich misdraagt, wordt de hele groep erop aangekeken. / een negatieve beïnvloeding van één persoon kan vele anderen op het slechte pad brengen.)
  45. als `t schip zinkt dan zinkt ook de lading (=als een zaak bankroet gaat, dan is men meestal ook alles kwijt)
  46. de kat de bel aanbinden (=als eerste een begin maken aan iets moeilijks (een lastige klus of een ingewikkeld gesprek))
  47. niemand genoemd niemand geblameerd (=als er geen namen genoemd worden, wordt niemand gekwetst)
  48. als de kat van honk is dansen de muizen op tafel (=als er geen toezicht is, doen de ondergeschikten hun zin)
  49. komt tijd komt raad (=als er genoeg tijd overheen gaat, komt de oplossing vanzelf)
  50. Waar aas is vliegen kraaien (=Als er iets te halen valt staat iedereen vooraan)

Het dialectenwoordenboek kent 3551 spreekwoorden met `een`

  1. Rotterdams: Hotel Emma (=Politieburo eendrachtsplein)
  2. Westerkwartiers: dat hangt as lös zaand an mekoar (=dat zijn allemaal eenlingen)
  3. Merenaars: oepen en toepen (=eender wat doen, erop los leven)
  4. Zwols: kiek die tamme ente ies, as 't oew tamme ente is pak em dan. In de 60-er jaren reed er in Zwolle een lelijk eendje rond met de Latijnse tekst: Sidi tamentis, astoe entis pactum (=kijk die tamme eend eens, als het jouw eend is pak hem dan)
  5. Middelnederlands: huus ende hof houden met eene wive, met eene vrouw (=samenwonen (vooral buitenechtelijk))
  6. Oudenbosch: de tijd eenie stilgestaon (=er is veel veranderd)
  7. Westerkwartiers: niet elk schot is 'n eendvogel (=niet iedere poging is raak)
  8. Merenaars: der mè zèn moesj nor sloeën (=raden, eender wat antzoorden)
  9. Brabants: dur eene gaon vatten (=een borrel gaan drinken)
  10. Lutters: alle enties zwõmt int water (=alle eendjes zwemmen in het water)
  11. Westerkwartiers: elk schot is gien eendvogel (=niet elke poging lukt)
  12. Bilzers: den eenen of den aandere (=de één of ander)
  13. Graauws: eenen ne pee stoven (=iemand voor de gek houden)
  14. Genneps: klitse, klatse, kla.nder, van den eenen bil óp d'n a.ndere (=op en neer)
  15. Twents: den löp met beide beene in eene piepe (=hij is heel onhandig)
  16. Steins: 't is mich sjiet egaal (=het is mij om het eender)
  17. Noorderkempisch: Paktitamentis (=Pak die tamme eend eens)
  18. Hams: Da's tjij (=Zo is hij nu eenmaal)
  19. Lebbeeks: vrouijen: Dei zaa mé ne paul vrouijen (=Die zou met eender wie vrijen)
  20. Twents: eene flink an de pinne loat'n roek'n. (=iemand hard laten werken)
  21. Epers: Dät kan net eender wat wéézn (=Dat kan van alles zijn)
  22. Oudenbosch: da gaodover mun out eene (=dat gaat mij veel te ver)
  23. Bilzers: haol mich zau nog èns eene\r\ne ras epoët (=zo is er maar één)
  24. Oudenbosch: gaotur nou nie om-eene draaie (=zeg wat je wilt zeggen)
  25. Oudenbosch: ze kwame allemaol d n eene mit d n aandere binne (=ze kwamen allen tegelijk binnen)
  26. Oudenbosch: eurst deur d n keurdo-ns eene motte (=eerst verwerken om verder te kunnen)
  27. Klemskerks: 't Reegent d'r ip lik ip een oande: hij/zij is ongevoelig voor berisping, kritiek, vermaning of goede raad (='t Regent erop gelijk op een eend)
  28. Urkers: as je oover de kwoadampen eene binnen (=als je de midlifecrisis te boven bent)
  29. Walshoutems: weivuel zo da wooge puist ne kir (=Hoeveel zou dat wegen probeer eenmaal)
  30. Kampers: Sie die tamme ante ies, as te oenten ist pakt em (pseudo-latijn!) (=kijk die tamme eend eens,als ie van jou is pak 'm)
  31. Liemers: Hentum van Bentum draei-j den end um anders verbrentum (In kwazie latijn). (=Pastoorsmeid Hentje van Bentum was ook de koster en hadden eend in de pan die dreigde aan te branden onder de hoogmis de pastoor draaide zich om en zong:)
  32. Sint-Niklaas: een tikenei (=een ei van een kip)
  33. Zeels: een scheet in een flesse (=een niemendalletje)
  34. Zomergems: een beschetn comisse (=een zaak met een reukje aan)
  35. Avelgems: Est een meiske of ne knecht? (=Is het een meisje of een jongen?)
  36. Amelands: een twe hanz stukje of een een hanz stukje (=een een hands stukje of een twee hands stukje)
  37. Overmeers: 'n klesse hoar (=een haarlok)
  38. Zeeuws: ùnont (=een hond)
  39. Overmeers: nen boek koarten (=een kaartspel)
  40. Sint-Niklaas: 'nen oarzak (=een valsspeler)
  41. Overmeers: e vloksken snieë (=een sneeuwvlokje)
  42. Aalsters: een snabbe en een beet (=kortaf)
  43. Lokers: e pieleke vliees (=een bolletje gehakt of een sneetje charcuterie)
  44. Sevenums: kaojen duuej is gewissen duuej (=een koude dooi is een zekere dooi)
  45. Overpelts: nenaawenotto en nenouwenotto (=een oude auto en een nieuwe auto)
  46. Munsterbilzen - Minsters: hae deed et én den oto (=een pooier in een Escort)
  47. Fries: Ik bin in tûken ien (=Ik ben een tuiken een)
  48. Siebengewalds: an enne bergse (=Waar heeft een Siebengewalder een hekel aan..)
  49. Zeeuws: Da's mae 'n schoef kind (=Dat is een is een schuw kind)
  50. Liedekerks: gestreltj dee een peirabie (=gestoken door een bij)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen