Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


1319 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `een`

  1. de liefde kan niet van één kant komen (=als je samen iets doet zal ieder moeten bijdragen)
  2. De liefde van een man gaat door de maag. (=Je kan een man veroveren met goede kookkunst en lekker eten.)
  3. de meitak op een werk zetten (=het werk afmaken)
  4. de peentjes opscheppen (=de boel opruimen)
  5. de rode draad (in een verhaal of betoog) (=het centrale thema, hetgeen waar steeds weer op wordt teruggegrepen)
  6. de tijd kent geen genade (=de tijd gaat sneller voorbij dan je denkt)
  7. de wereld in een doosje hebben (=tevreden en gelukkig zijn met wat iemand heeft)
  8. de wereld is een pijp kaneel ieder likt eraan maar krijgt niet veel (=ieder krijgt een klein deeltje van wat de wereld te bieden heeft)
  9. de wereld is een schouwtoneel elk speelt zijn rol en krijgt zijn deel (=ieder krijgt een klein deeltje van wat de wereld te bieden heeft)
  10. de wind waait uit een andere hoek (=de meningen/omstandigheden zijn veranderd)
  11. de zaak nog eens aankijken (=nog even afwachten)
  12. denken moet je aan een paard overlaten, dat heeft een groter hoofd (=niet te veel denken maar doen)
  13. Denken moet je aan een paard overlaten, die hebben een groter hoofd. (=Je moet niet te veel denken)
  14. die heeft een graat in z'n keel (=hij is (spreekt) bekakt)
  15. Die werkt als een paard zal haver eten. (=Hard werken is voor de meeste mensen geen garantie op een goed inkomen.)
  16. Die werkt als een paard zal haver eten. (=Hard werken is voor de meeste mensen geen garantie op een goed inkomen)
  17. door de bril van een ander zien (=de mening van een ander blind vertrouwen)
  18. door de knieën gaan (=ergens met tegenzin mee akkoord gaan)
  19. door de zure appel (heen)bijten (=het onaangename doen of over zich heen laten gaan)
  20. door een donkere bril bekijken (=op een pessimistische manier bekijken)
  21. door merg en been dringen/snijden (=buitengewoon kwetsend of doordringend zijn)
  22. door merg en been gaan (=hartverscheurend zijn)
  23. doorslaan als een blinde vink (=hoogst onlogisch redeneren)
  24. draaien als een molen (=altijd meegaan met de heersende mening - naar de mond van de toehoorder praten)
  25. duren is een mooie stad (=nu is het goed, maar blijft dat zo?)
  26. een (goede) neus voor iets hebben (=precies aanvoelen hoe iets moet of gaat)
  27. een (modder)figuur slaan (=een belachelijke of domme indruk maken)
  28. een aal bij de staart hebben (=Een lastige taak ondernemen)
  29. een aangeklede aap (=een bespottelijk iemand)
  30. een aardje naar zijn vaartje hebben (=qua karakter op zijn vader lijken)
  31. een achterdeurtje (=een manier om iets te ontduiken)
  32. een achterdeurtje openhouden (=een redmiddel in nood houden)
  33. een adder aan zijn borst/boezem koesteren (=iets doen voor een ondankbaar iemand)
  34. een aflossing van de wacht (=een vervanging van de ene persoon door een andere)
  35. een ander liedje laten zingen (=mores leren, van gedacht doen veranderen)
  36. een andere toon aanslaan (=op een andere manier tegen iemand gaan praten)
  37. een antenne hebben voor iets (=iets goed aanvoelen)
  38. een appeltje met iemand te schillen hebben (=nog een vervelend onderwerp met iemand te bepraten hebben)
  39. een appeltje voor de dorst (=een reserve voor moeilijke tijden die mogelijk nog gaan komen)
  40. een Augiasstal reinigen (=het opruimen van een vreselijk vuile boel)
  41. een baas boven baas zijn (=er is altijd wel iemand die het beter kan of het beter denkt te kunnen)
  42. een Babylonische spraakverwarring (=door elkaar spreken zonder naar elkaar te luisteren en elkaar niet verstaan)
  43. een bedrijvige Martha zijn (=een zeer ijverige vrouw zijn)
  44. een beentje lichten (=doen struikelen (letterlijk of figuurlijk))
  45. een beer op sokken (=een goedzak)
  46. een beurt krijgen (=onderhanden genomen worden)
  47. een bitter beetje (=een klein beetje)
  48. een bittere pil slikken (=grote moeite ergens mee hebben)
  49. een blauwe boon (=een kogel)
  50. een blauwe maandag (=erg kort)

1085 betekenissen bevatten `een`

  1. in de fuik lopen (=door eigen stommiteiten in een valstrik lopen)
  2. zuinigheid die de wijsheid bedriegt (=door het baseren van een beslissing (bv aankoop) op basis van hoeveel iets kost, levert dit later juist extra problemen en kosten met zich mee zodat iemand duurder uit is)
  3. een proefballonnetje oplaten (=Door het doen van een uitspraak de mening van anderen peilen)
  4. buurmans leed troost (=door het verdriet of de pijn van een ander kun je je eigen verdriet en pijn beter verdragen)
  5. een spaak in het wiel steken (=door iemands ingrijpen gaat een plan van de ander niet door)
  6. alle hoop de bodem in (laten) slaan (=door iets geen enkele hoop meer (laten) hebben)
  7. de nekslag geven (=door iets wordt de situatie een te groot probleem waardoor men het niet meer aan kan)
  8. met gesloten beurs betalen (=door middel van een wederzijdse schuld het bedrag verrekenen)
  9. eigen roem/lof stinkt (=door over jezelf op te scheppen maak je een nare indruk)
  10. liefde is blind (=door verliefdheid de gebreken van een ander niet zien)
  11. de derde man brengt de spraak aan (=drie hebben gemakkelijker een gesprek dan twee)
  12. als niet komt tot iet dan is het allemans verdriet (=een 'parvenu' heeft dikwijls kapsones)
  13. als niet komt tot iet kent iet zichzelf niet (=een 'parvenu' heeft dikwijls kapsones)
  14. een boterham met tevredenheid (=een (droge) boterham (zonder beleg))
  15. moeten kiezen of delen (=een (vervelende) keus moeten maken)
  16. een koperen bruiloft (=een 12½-jarig huwelijk)
  17. leven als een god in Frankrijk (=een aangenaam en zorgeloos leven hebben)
  18. meisjes die bloemen dragen, mag je kussen zonder te vragen (=een aanmoediging om meisjes met bloemen te kussen)
  19. in het zakje blazen (=een ademtest ondergaan)
  20. een gedwongen eed doet/is god leed (=een afgedwongen belofte wordt niet gehouden)
  21. de kat uit de boom kijken (=een afwachtende houding aannemen)
  22. de pot verwijt de ketel dat die zwart ziet (=een ander aanwijzen als schuldige, terwijl die zelf hetzelfde gedaan heeft)
  23. het is altijd vet op een andermans schotel (=een ander heeft het schijnbaar altijd beter)
  24. is de paus katholiek? (=een antwoord op een vraag waarvan het antwoord overduidelijk `Ja` is)
  25. jut en jul (=een apart of raar stelletje)
  26. een blind paard zou er geen schade doen (=een armoedig interieur)
  27. hazenvlees gegeten hebben (=een bangerik zijn)
  28. op de lappen (=een beetje opgeknapt - op stap om te drinken)
  29. iets aan het handje hebben (=een beetje verkering hebben)
  30. zand schuurt de maag (=een beetje zand eten is niet erg (meer algemeen: stel je niet aan!))
  31. een (modder)figuur slaan (=een belachelijke of domme indruk maken)
  32. Het beste paard van stal vergeten. (=een belangrijk persoon over het hoofd zien)
  33. iets over zich hebben (=een bepaalde indruk geven)
  34. de knoop doorhakken (=een beslissing forceren. (Afgeleid van het verhaal van de Gordiaanse knoop))
  35. de schepen achter zich verbranden (=een beslissing nemen en niet meer terug kunnen)
  36. een aangeklede aap (=een bespottelijk iemand)
  37. paradepaard (=een bezit, eigenschap, kunst of vaardigheid waar iets of iemand trots op is)
  38. sanitaire stop (=een bezoek aan de W.C)
  39. een speld in een voer hooi zoeken (=een bijna onmogelijke opdracht uitvoeren)
  40. voor paal/schut staan (=een blunder begaan voor de ogen van anderen (en schamen))
  41. iets in één adem uitlezen (=een boek waaraan je begonnen bent heel snel uitlezen, omdat je het zo spannend vindt)
  42. boeren en varkens worden knorrend vet (=een boer die klaagt heeft daar wellicht geen reden toe)
  43. een natte deken (=een borrel)
  44. een pannetje lusten (=een borrel lusten)
  45. een slaapmutsje nemen (=een borreltje nemen voor het slapen gaan)
  46. in de pen klimmen (=een brief gaan schrijven)
  47. naar de pen grijpen (=een brief schrijven)
  48. een Uriasbrief (=een brief waarin een verschrikkelijk bericht staat)
  49. een doos van Pandora zijn (=een bron van problemen, ellende, ziekte en misère zijn)
  50. een veer op de hoed steken (=een compliment geven/krijgen)

Het dialectenwoordenboek kent 3551 spreekwoorden met `een`

  1. Lopiks: een bakkie pleur doen (=een kopje koffie drinken)
  2. Zeels: een lulleke miene (=een lelijke gezicht)
  3. Sint-Niklaas: een pikketijn (=een moeilijke, bazige vrouw)
  4. Lovendegems: een stijte bieste (=iemand met een stoute tong*)
  5. Rotterdams: Die is met een gouwe pik gebore (=Hij is een geluksvogel)
  6. Klings: iemand een pee stoven (=iemand een poets bakken)
  7. Zeeuws: moet je een schoon bord (=iemand laat een boer)
  8. Evergems: azoan een harte zoale (=het is een hard zadel)
  9. Moes: stijf as een berre (=zo stijf als een plank)
  10. kortemarks: jis zoî roend of een ei (=het is een dommerik)
  11. Veurns: 't Was ard teeg'n oenzochte (='t Was een harde strijd)
  12. Munsterbilzen - Minsters: kloeteraaj (=alle gekheden op een stokje)
  13. Rotterdams: Je ken een hoop stront paars verruve, maar ut blijf een hoop stront (=Al draagt een aap een gouden ring, het is en blijft een lelijk ding.)
  14. Munsterbilzen - Minsters: van stroeët geraoke (=aan een lief komen)
  15. Walshoutems: De kardonse gon be petje rulle (=Bestraffing bij een balspel)
  16. Zaans: eve de gait verpenne (=even een plasje doen)
  17. Munsterbilzen - Minsters: effekes thikske um (=eventjes een luchtje scheppen)
  18. Munsterbilzen - Minsters: sloekke waaj ne sjierdosser (=eten als een paard)
  19. Tongers: Hè ès èn bansjiet (=Hij is een bangerik)
  20. Westerkwartiers: hij het de wiesheid ien pacht (=hij is een betweter)
  21. Westerkwartiers: hij het 'n fluweel'n tong (=hij is een flikflooier)
  22. Westerkwartiers: hij is 'n buut'nbeendje (=hij is een zonderling)
  23. Drents: Hij is franterig (=Hij heeft een slecht humeur)
  24. Westerkwartiers: hij het 'n streepke veur (=hij krijgt een voorkeursbehandeling)
  25. Wetters: Zijn moag slaat ep (=Hij laat een boertje)
  26. Lichtervelds: tis ne gasreerdn duuvle (=het is een onbeschofte kerel)
  27. Teralfene: Toek en Fannie (=Het is een raar duo)
  28. Bilzers: de zossem ongebiech de kemiene gaeve (=het is een schijheilige)
  29. Bilzers: de zossem ongebich de kemiene gaeve (=het is een schijnheilige)
  30. Munsterbilzen - Minsters: tès e krabberke (=het is een tweederangsrenner)
  31. Ninoofs: 't es een skeet in een fles (=het is niets bijzonders)
  32. Westels: aare of joeng (=het een of het ander)
  33. Lichtervelds: jee veel nootn up zne zang (=het is een druktemaker)
  34. Kortemarks: tis ol kop en gat (=het is een klein ventje)
  35. Waregems: 't es 'n bloaze (=het is een leeghoofd)
  36. Lichtervelds: tis ne gestampte boer (=het is een lomperik)
  37. Giesbaargs: tes tieen of tander (=het is het een of het ander)
  38. Tilburgs: um un hèndje geeve (=hem een handje helpen)
  39. Veurns: 't was doar èn oar in de butter (=daar was een meningsverschil)
  40. Oudenbosch: das un eule gewaorworring (=dat is een hele belevenis)
  41. Munsterbilzen - Minsters: das ne slimme voëgel (=dat is een leperd)
  42. Sint-Niklaas: das ne sprinkoan (spierink) (=dat is een magere mens)
  43. Oudenbosch: daorebbe we geluk mee gat (=dat is een meevaller geweest)
  44. Harelbeeks: Dadd'es 'n bescheet'n kemissie (=Dat is een mislukt iets)
  45. Munsterbilzen - Minsters: a (=dat is een moeilijke vent)
  46. Tilburgs: dè-s unne gêeve (=dat is een mooie)
  47. Merenaars: 't es alom (=dat is een omweg)
  48. Westerkwartiers: da's 'n onnergeschoov'm kiendje (=dat is een ondergewaardeerd iets)
  49. Boakels: dê jis un hel weefke (=dat is een pienter vrouwtje)
  50. Oudenbosch: daddistereen van aoverstrooi (=dat is een slap iemand)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen