Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


11 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `wijs`

  1. `s Lands wijs, `s lands eer (=ieder volk is gehecht aan zijn eigen gewoonten, hoewel anderen ze maar raar vinden)
  2. als de wijn is in de man, is de wijsheid in de kan (=drank verdringt gezond verstand)
  3. als het bier is in de man dan is de wijsheid in de kan (=van dronkaards verwacht men geen verstandige woorden)
  4. de jongste schepen wijst het vonnis (=de kinderen willen het het best weten)
  5. de wijsheid in pacht hebben (=erg verstandig zijn of althans doen alsof)
  6. door schade en schande wordt men wijs (=een mens leert het beste van z`n fouten)
  7. door vragen wordt men wijs (=door het stellen van vragen kun je veel te weten komen en veel kennis opdoen)
  8. voorzichtigheid is de moeder der wijsheid (=doe het voorzichtig, dan komt er geen schade)
  9. zelfkennis is het begin van alle wijsheid (=men moet eerst zichzelf kennen om verdere kennis te kunnen verwerven)
  10. zo wijs als Salomo`s kat zijn (=erg wijs denken te zijn, maar eigenlijk totaal niet zijn)
  11. zuinigheid die de wijsheid bedriegt (=door het baseren van een beslissing (bv aankoop) op basis van hoeveel iets kost, levert dit later juist extra problemen en kosten met zich mee zodat iemand duurder uit is)

26 betekenissen bevatten `wijs`

  1. aan de voeten van Gamaliël zitten (=aandachtig luisteren naar de les die een wijs persoon meegeeft)
  2. daar is kop noch staart aan te vinden (=daar geraak je niet uit wijs)
  3. dat snijdt geen hout (=dat heeft er niets mee te maken; het bewijst niets)
  4. een hoge borst opzetten (=eigenwijs en hoogmoedig zijn)
  5. in de knoop zitten (=er niet meer wijs uitraken - van slag zijn)
  6. zo wijs als Salomo`s kat zijn (=erg wijs denken te zijn, maar eigenlijk totaal niet zijn)
  7. een van de vijf is uit kuieren (=hij is niet goed wijs)
  8. het scheelt hem in zijn bovenverdieping (=hij is niet goed wijs)
  9. Er zit een schroefje bij hem los (=hij is niet helemaal goed wijs)
  10. iemand iets diets maken (=iemand iets wijs maken)
  11. iemand voor het lapje houden (=iemand iets wijs maken of voor de gek houden)
  12. iemand iets op de mouw spelden (=iemand iets wijsmaken)
  13. iemand een rad voor de ogen draaien (=iemand iets wijsmaken / iemand op gemene wijze bedriegen)
  14. iemand zand in de ogen strooien (=iemand iets wijsmaken, iemand bedriegen)
  15. iemand verlakken (=iemand onwaarheden wijs maken of bedriegen)
  16. iemand knollen voor citroenen verkopen (=iemand wat wijsmaken, met praatjes foppen)
  17. iets voetstoots aannemen (=iets geloven zonder bewijs )
  18. zijn eigen naad naaien (=iets op zijn eigen manier uitvoeren; eigenwijs zijn)
  19. bij de neus hebben (=iets wijsmaken)
  20. oren aannaaien (=iets wijsmaken)
  21. niet goed bij zijn hoofd zijn (=niet goed wijs zijn, gekke dingen doen)
  22. het zijn niet allen koks die lange messen dragen (=niet het uiterlijk vertoon bewijst iemands vaardigheid)
  23. het zijn niet allen monniken die kappen dragen (=niet het uiterlijk vertoon bewijst iemands vaardigheid)
  24. Paardenkeutels zijn geen vijgen (=Uiterlijk kan bedriegen / laat je niks wijsmaken)
  25. twee joden weten wat een bril kost (=we hoeven elkaar niets wijs te maken)
  26. als de stok stijf staat is de uil gaan vliegen (=zit je eenmaal met een erectie, dan is de wijsheid ver zoeken)

Het dialectenwoordenboek kent 114 spreekwoorden met `wijs`

  1. Bilzers: de moes zen eege geen bliëskes wijsmaoke (=je moet jezelf niets wijsmaken)
  2. Bilzers: Dae konste wijsmaoke dat de piepele hoj aete (=Die kan je alles wijsmaken)
  3. Lovendegems: bloaskes wijsmaken (=iemand iets wijs maken*)
  4. Steins: emes eine opbènje (=iemand iets wijsmaken (2))
  5. Sint-Niklaas: bè èm pakta nie (=hem moet je zoiets niet wijsmaken)
  6. Kortenbergs: kakkemoikes vertelle (=blaasjes wijsmaken)
  7. Bilzers: Kop noch stat on get krijge (=Niet wijsgeraken uit iets)
  8. Munsterbilzen - Minsters: grijs mèr wijs (=de wijsheid komt met de jaren)
  9. Sallands: Hejt of kriejt? (=Ben je wel goed wijs)
  10. Tegels: Det is unne geklaadsde (=Die is niet wijs)
  11. Veurns: je vangt ze (=je bent niet goed wijs)
  12. Bilzers: De vings! (=Je bent niet goed wijs!)
  13. Lichtervelds: etwieë puppn wysmoakn (=iemand iets wijsmaken)
  14. Steins: eine get opbènje (=iemand iets wijsmaken)
  15. Brakels: ge moet mij gjien muil'n lir'n trèk'n (=je moet mij niets wijsmaken)
  16. Oudenbosch: laotoeweige nie blijmaoke meejun dooie mus (=laat je niets wijsmaken)
  17. Westerkwartiers: deur ervoaring wies word'n (=door ervaring wijs geworden)
  18. Antwerps: diën ei ne slag van de meule gat (=die is niet goed wijs)
  19. Twents: Doar is ne stek an lös (=Die is niet helemaal goed wijs)
  20. Munsterbilzen - Minsters: daaj hëb ich opgeloje (=dieheb ik wat wijs gemaakt)
  21. Antwerps: ajei ne slag van de meule gat (=hij is niet goed wijs)
  22. Munsterbilzen - Minsters: de bès van lotsje getik (=je bent niet goed wijs)
  23. Veurns: Ze nie ol op è riksje hen (=Niet goed wijs zijn)
  24. Vechtdals: 'n tik met 'n möllewieke had hem'm (=niet goed wijs zijn)
  25. Rijssens: hee hef ze nit alle veerntwentug in 't kratje (=hij is niet goed wijs)
  26. Oudenbosch: gij breng mij van m ne aprepoo af (=je brengt mij van de wijs)
  27. Gents: morge brenge in een oedenduuze (=je probeert mij wat wijs te maken)
  28. Aspers: ie moakt mij bloaskes wijs (=hij maakt me iets wijs)
  29. Munsterbilzen - Minsters: iemes blieëskes wijsmaoke (=iemand wat op de mauw spelden)
  30. Boorsems: Es te miech neet geluifs, dan maak iech diech get anges wies. (=als je me niet geloofd, dan maak ik je wat anders wijs.)
  31. Twents: He'j 'n good wies an diggeln (=Heb je ze niet allemaal op een rijtje/ ben je niet goed wijs?)
  32. Kaatsheuvels: Ge zè maans genoeg om dè te doen (=Je bent oud en wijs genoeg om dit te doen)
  33. Tilburgs: as ie nie rokt, ròkt ie van de wèès (=wanneer hij niet rookt, raakt hij van de wijs)
  34. Bilzers: astes nie geleûfs maok ichtich get aanes wijs (=echt waar of niet ?)
  35. Bilzers: iemed bliëskes wijsmaoke (=iemand iets op de mauw spelden)
  36. Sittards: Ein óns gelök is mee waerd es ein póndj versjtandj (=Beter een ons geluk dan een pond wijsheid)
  37. Munsterbilzen - Minsters: de mes mèr alles geleeve wat ze èn de bikskes sjrijve (=lezen is het fundament van alle wijsheid)
  38. Waregems: de gierighied beskijt de wijshied (=goedkope toestellen gaan snel kapot)
  39. Tegels: Dae is neet gans richtig (=Hij is niet goed wijs)
  40. Urkers: Je olle verstaand (=Je bent niet goed wijs)
  41. Lutters: ie bint nie goed wies (=je bent niet wijs)
  42. Veurns: ze vang'n (=niet goed wijs zijn)
  43. Bilzers: van de hand Gods geslaoge (=van de wijs)
  44. Brakels: vant lamgods gesleen (=totaal van de wijs)
  45. kortemarks: jee ze nie ollemoale toîpe (=hij is niet goed wijs)
  46. Arnhems: Bi'j nie wies.. (=Ben je niet wijs)
  47. Zeeuws: bi j nie wiezder? (=ben je wijs?)
  48. Roeselaars: jis van lotje getikt (=die is niet goed wijs)
  49. Munsterbilzen - Minsters: g (=maak dat een ander wijs)
  50. Kortemarks: eentwieë puppn upangn (=iemand iets wijs maken)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen