Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


50 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `dag`

  1. aan de dag leggen (=vertonen)
  2. aan de orde van de dag zijn (=vaak voorkomen)
  3. Aken en Keulen zijn niet op een dag gebouwd (=niet alles is onmiddellijk klaar - even geduld)
  4. Aken en Keulen zijn niet op één dag gebouwd. (=voor een uitgebreide klus heb je meer tijd nodig)
  5. alle dagen een draadje is een hemdsmouw in het jaar (=met geduld kan men veel bereiken - vele kleintjes maken een groot)
  6. als de boeren niet meer klagen en de pastoors niet meer vragen, dan nadert het einde der dagen (=sommige mensen veranderen nooit.)
  7. als de dagen (gaan) lengen, gaat/gaan de vorst/winter/nachten strengen. (=het koudste deel van de winter valt na de kortste dag.)
  8. als je ergens gaat logeren, moet je maar een paar dagen blijven. (=)
  9. als Pasen en Pinksteren op één dag vallen (=iets wat nooit zal gebeuren)
  10. bezoek en vis blijven drie dagen fris (=je moet geen gasten te lang laten logeren want dan ga je je aan hun gewoonten ergeren)
  11. de koe van de pastoor eet iedere dag mals gras. (=wie trouw is aan machtige mensen, heeft een heerlijk leven.)
  12. een blauwe maandag zijn (=erg kort)
  13. een gat in de dag slapen. (=lang doorslapen.)
  14. een poolse landdag (=wilde, ongeregelde vergadering)
  15. een zondagse steek houdt geen week. (=de zondag is geen werkdag maar de dag des Heeren.)
  16. een zondagskind (=iemand die steeds geluk heeft.)
  17. een zondagssteek houdt geen week. (=er rust geen zegen op het werk wat iemand op zondag doet)
  18. elke dag een draadje is een hemdsmouw in een jaar. (=als je iedere dag een beetje doet komt het karwei uiteindelijk klaar)
  19. elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad. (=men moet zich niet zorgen maken over de toekomst)
  20. er verstand van hebben als een kraai van een zaterdag (=er geen verstand van hebben)
  21. geef een man een vis dan heeft hij die dag te eten (=je kunt iemand beter leren vissen dan heeft hij z’n leven lang vis te eten)
  22. geen daglicht kunnen verdragen/velen (=iets wordt stiekem en/of oneerlijk gedaan)
  23. geen zorgen voor de dag van morgen. (=maak je nu nog niet druk over mogelijke toekomstige problemen.)
  24. geen zorgen voor morgen, elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad. (=de moeilijkheden van vandaag zijn genoeg om je zorgen over te maken)
  25. heden ten dage (=tegenwoordig)
  26. het daglicht niet kunnen verdragen/zien (=geheim moeten blijven)
  27. het is alle dagen visdag maar geen vangdag (=als de buit of vangst tegen valt)
  28. het krieken van de dag/dageraad (=de vroege ochtend)
  29. hoe later op de avond/dag hoe schoner volk (=schertsend gezegd bij het laat binnenkomen van vrienden of familie)
  30. in de dagen van olim (=in vroeger dagen)
  31. jaar en dag (=al heel lange tijd)
  32. Keulen en Aken zijn niet op een dag gebouwd. (=grote projecten kosten tijd (en vergen geduld))
  33. kort dag zijn (=snel (in tijd) naderen)
  34. maandag houden (=niet werken op Maandag)
  35. men moet de dag niet prijzen voor het avond is. (=pas als alles gedaan is kun je zeggen of het goed ging)
  36. men moet geen paaseieren op goede vrijdag eten (=alles op zijn tijd, het feest niet te vroeg vieren)
  37. morgen komt er weer een dag (=niet zo haastig, morgen kan het ook nog)
  38. overdag hebben waar men s nachts van droomt (=alles zomaar in de schoot geworpen krijgen)
  39. pluk de dag (Carpe diem). (=geniet van vandaag.)
  40. Poolse landdag (=een wilde, ongeregelde bijeenkomst)
  41. Rome is niet in één dag gebouwd. (=relativeren: Leer geduld te hebben.)
  42. Rome is niet op een dag gebouwd (=je moet het niet overhaasten)
  43. sinds jaar en dag (=al lange tijd)
  44. tot in lengte van dagen (=tot het einde der tijden)
  45. van de nacht een dag maken (='s nachts werken)
  46. verrijzen als paddestoelen na een regenachtige dag (=plots tevoorschijn komen)
  47. voor dag en dauw (zijn) (=heel vroeg)
  48. wanneer de boeren niet meer klagen, nadert het einde der dagen (=boeren klagen altijd)
  49. werken zolang het dag is (=werken zo lang iemand kan)
  50. wie ’s nacht gaat vissen moet overdag zijn netten drogen (=Wie te veel heeft gedronken is de volgende dag niets waard)

21 betekenissen bevatten `dag`

  1. een mens lijdt dikwijls het meest door het lijden dat hij vreest. (=(doch dat nooit op zal dagen. Zo heeft men meer te dragen, dan God te dragen geeft. Nic. Beets))
  2. elke dag een draadje is een hemdsmouw in een jaar. (=als je iedere dag een beetje doet komt het karwei uiteindelijk klaar)
  3. mastiek maken (=de dagelijkse schoonmaak verrichten)
  4. in de tredmolen lopen (=de dagelijkse sleur volgen - zich onderwerpen)
  5. een zondagse steek houdt geen week. (=de zondag is geen werkdag maar de dag des Heeren.)
  6. een tukje doen (=een kort middagslaapje)
  7. een zondagssteek houdt geen week. (=er rust geen zegen op het werk wat iemand op zondag doet)
  8. als de dagen (gaan) lengen, gaat/gaan de vorst/winter/nachten strengen. (=het koudste deel van de winter valt na de kortste dag.)
  9. de gaande en komende man. (=iedereen die komt opdagen.)
  10. iemand de handschoen toewerpen (=iemand ergens toe uitdagen of met iemand de strijd willen aangaan)
  11. iemand het lemmer bieden (=iemand uitdagen)
  12. iemand in het harnas jagen (=iemand uitdagen, tot vijand maken)
  13. in de dagen van olim (=in vroeger dagen)
  14. een oud beestje van stal halen (=met iets dat al oud is, opnieuw voor de dag komen)
  15. het kan niet altijd kaviaar zijn (=niet elke dag is een topdag)
  16. verstek laten gaan (=niet komen opdagen)
  17. zijn kat sturen. (=niet komen opdagen.)
  18. maandag houden (=niet werken op Maandag)
  19. de handschoen toewerpen (=uitdagen)
  20. gaar zijn (=uitgeput zijn, met name na geestelijke inspanning, bijvoorbeeld een hele dag vergaderen)
  21. wie ’s nacht gaat vissen moet overdag zijn netten drogen (=Wie te veel heeft gedronken is de volgende dag niets waard)

Het dialectenwoordenboek kent 127 spreekwoorden met `dag`

  1. Westerkwartiers: één oafkamm'n (=iemand in een kwaad daglicht stellen)
  2. Munsterbilzen - Minsters: da zien ver dan wol, zaachte blinne (=zorgen voor morgen komen altijd één dagte vroeg)
  3. Bredaas: daggut bekikt! (=Bekijk het maar!)
  4. Zeeuws: spotters kriehen dur loe-an , errebeiers dur daggeld (=spotters)
  5. Mestreechs: unnen daag, twie daog (=een dag, twee dagen)
  6. Antwerps: zeigetnogalissitte (=het is haar dagje niet)
  7. Oudenbosch: zurreg dagoe peeje op tijt uitet (=zorg voor de toekomst)
  8. Roeselaars: Het gesproken dagblad (=Het journaal op de radio)
  9. Waregems: 't mag de kloar'n nie sien (=het kan het daglicht niet verdragen)
  10. Mols: liege dagge zwet zie (=grove leugens vertellen)
  11. Oudenbosch: maokt dagge wegkomt lillukke gataope (=scheer je weg)
  12. Roois (Sint-Oedenrode): daggut wit! (=Dat je het maar weet!)
  13. Ninoofs: Ik zal au sjebiet nekië nen trok geven dage nimme wetj van wa parroche dage zetj (=Pas op, of ik sla u)
  14. Turnhouts: 't gesproken dagblad (=het nieuws op de radio)
  15. Geels: t gesproken dagblad (=nieuws op de radio)
  16. Sint-Niklaas: overanderen dag.... (=om de twee dagen...)
  17. brabants: dagge bedaankt zij, dah witte war (=hartstikke bedankt)
  18. Bergs: en dagge bedankt zijt da witte (=heel hartelijk bedankt)
  19. Oudenbosch: mispunt dagge daor zijt (=doe niet zo vervelend)
  20. Westerkwartiers: die stij ien 'n kwoad daglicht (=die staat slecht te boek)
  21. Aalsters: gelek dagge me anne pie in de pap slotsh (=iets tevergeefs doen)
  22. Oudenbosch: maokt dagge zijt waorut te doen is (=zorg dat je kunt meedoen)
  23. Ossendrechts: 'tIs mar dagget wit (=Je bent gewaarschuwd!/ Knoop het goed in je oren!)
  24. Munsterbilzen - Minsters: vrigger worre vër joenk en sjaun, nau nog alleen mèr sjaun (=we worden wel een dagje ouder en...lelijker)
  25. Zunderts: Maokt dagge wegkomt meej oew gemauw! (=Stop toch eens met die praatjes!)
  26. Oudenbosch: zurreg dagge vor de bui binne zijt (=maak dat je op tijd klaar bent)
  27. Westerkwartiers: dat ken 't daglicht niet verdroag'n (=dat moet stiekem gebeuren)
  28. Oudenbosch: dan motte zien dagge mee gaank wegzijt (=dan moet je maken dat je weg komt)
  29. Gents: kgoa ui mee ui moile tegen de Dampuurte plakke dagge viertieng doage brauwne ziepe schaat (=een man bedreigen)
  30. Roosendaals: ik zijn blij dagge d'r zijt (=ik ben blij dat je er bent.)
  31. Ninoofs: 't es van'n trok dagge moetj leven (=je moet de gelegenheid te baat nemen)
  32. Oudenbosch: zurreg dagge vor d n donkere tuis zijt (=zorg dat je thuiskomt voordat het avond wordt)
  33. Schevenings: dag pand (=dag lieverd)
  34. West-Vlaams: GOED dag (=GOED dag)
  35. Oudenbosch: de kommede dagen zijnkur nie (=de eerstkomende dagen ben ik afwezig)
  36. Bilzers: een van diës (=een van de komende dagen)
  37. Millers: ëën pôar dôag van të veurrë (=enkele dagen ervoor)
  38. Volendams: bedakke dag (=gezellige Volendammer dag)
  39. Nijkerkerveens: hele dag op schommeltje bom (=hele dag onderweg)
  40. Bilzers: een van diës; een van diës daog (=één dezer dagen)
  41. Liedekerks: Aske naa ne oëtskitj gevek a een kartesj dagge steirekes ziet (=Als je nu niet stopt geef ik je een pak rammel)
  42. Tilburgs: de gaansen dag (=de hele dag)
  43. Geffes: d'n ollinge dag (=heel de dag)
  44. Westlands: godganse dag het leplazerus werreke (=Hele dag hard werken)
  45. Brakels: è banane (=dag vriend)
  46. Westerkwartiers: 't hink'nd peerd komt achteraan (=na goede dagen komen weer slechte)
  47. Brakels: in zijn noveen zijn (=dagen aan een stuk dronken zijn)
  48. Bilzers: dae geet et nimei lang trékke (=zijn dagen zijn geteld)
  49. Vechtdals: 'k haar 'n bestn dag ehad. (=ik had een goede dag)
  50. Kessels: unne daag neet gelache, is unne daag neet gelaefd (=Een dag niet gelachen, is een dag niet geleefd)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen