Spreekwoorden met `WOr`

Zoek


78 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `WOr`

  1. `t Is gelijk of men van/door de kat of de kater/hond gebeten WOrdt (=het maakt niet uit hoe of waardoor je benadeeld bent geweest)
  2. aan een balk, die uit het bos gehaald WOrdt, moet veel gehakt WOrden, voor hij in het huis past (=in een religieuze groep, vereniging, etc,: je kunt leden uit een gemeenschap winnen, maar hun moet wel geleerd worden zich aan te passen)
  3. als de boter duur WOrdt, leert men het brood droog eten. (=als het niet anders kan, is men ook met minder tevreden.)
  4. als de bruid verpatst is WOrdt zij gewild. (=wat niet meer beschikbaar is lijkt aantrekkelijker voor anderen)
  5. als de ene hand de andere wast WOrden ze beide schoon (=de taak wordt gemakkelijk als je elkaar helpt)
  6. als een lam ter slachtbank geleid WOrden (=weerloos zijn)
  7. als je geschoren WOrdt, moet je stilzitten (=als er scherpe kritiek op je is (je wordt geschoren), kun je beter rustig wachten tot het voorbij is, in plaats van erop in te gaan)
  8. betalen als de paus geus WOrdt (=nooit betalen)
  9. boeren en varkens WOrden knorrend vet (=een boer die klaagt heeft daar wellicht geen reden toe)
  10. daar WOrdt niet hard op gebikt. (=met tegenzin eten.)
  11. dat gebeurt pas als de Paus een geus WOrdt (=dat gebeurt nooit)
  12. de bastaard van de graaf WOrdt later bisschop (=alleen hoge heren kunnen hun buitenechtelijke kinderen een toekomst bieden)
  13. de bijl aan de WOrtel leggen (=het kwaad in de oorsprong trachten uit te roeien)
  14. de bijl ligt al aan de WOrtel (=de straf zal spoedig volgen)
  15. de breedste riemen WOrden uit andermans leer gesneden (=het is gemakkelijk met kwistige hand te beschikken over wat een ander toebehoort)
  16. de soep WOrdt nooit zo heet gegeten, als zij WOrdt opgediend (=er worden meestal minder zware maatregelen toegepast dan was aangekondigd)
  17. de sterkte van de ketting WOrdt bepaald door de zwakste schakel (=het geheel is niet sterker dan het zwakste onderdeel)
  18. de teerling is geWOrpen (=de beslissing is genomen)
  19. de vis WOrdt duur betaald (=het vergt veel opoffering ( je moet er wat voor over hebben) om te krijgen wat je wilt)
  20. door de ouderdom WOrdt de wolf grijs. (=mildheid komt met de jaren)
  21. door het verleden achtervolgd WOrden (=problemen of fouten van vroeger blijven invloed hebben.)
  22. door schade en schande WOrdt men wijs (=een mens leert het beste van z`n fouten)
  23. door vragen WOrdt men wijs (=door het stellen van vragen kun je veel te weten komen en veel kennis opdoen)
  24. dun snijden is het behoud van de WOrst. (=goed kunnen rondkomen door zuinig te zijn)
  25. een goed zeeman WOrdt ook wel eens nat (=ieder kent zijn tegenslagen)
  26. een haas is graag waar hij geWOrpen is. (=ieder wil graag zijn waar hij geboren is)
  27. een harde dobber (zijn/WOrden) (=niet gemakkelijk (zijn/worden))
  28. een pakje WOrdt een zakje. (=als je een probleem niet aanpakt kan het zich uitbreiden en erger worden.)
  29. een vogel die te vroeg zingt, WOrdt `s avonds van de kat gegeten. (=wie al te jong naar genot streeft, gaat te gronde.)
  30. er heet noch koud van WOrden (=zich nergens iets van aantrekken)
  31. er WOrdt een erfenis verdeeld. (=gezegd als iets erg lang duurt)
  32. gestolen kunnen WOrden (=van geen belang meer zijn - niet langer nodig zijn)
  33. gezien mogen WOrden (=er goed uitzien)
  34. gezien WOrden als een rotte appel/kool bij een fruitvrouw/groenvrouw (=er niet erg welkom zijn)
  35. gierigheid is de WOrtel van alle kwaad (=door gierigheid ontstaan er veel problemen en is er veel ellende in de wereld)
  36. groen en geel voor de ogen WOrden (=duizelen en/of erg van schrikken)
  37. het bekomt hem als de hond de knuppel na het stelen van de WOrst (=het valt hem zwaar tegen)
  38. het beste paard van stal WOrdt overgeslagen (=grappige uitspraak wanneer iemand overgeslagen wordt)
  39. het staal WOrdt in de wind gehard. (=moeilijkheden en tegenslagen kunnen je sterker maken)
  40. het WOrdt buigen of barsten (=het ergens op wagen)
  41. het zal me WOrstwezen (=het maakt voor mij geen enkel verschil)
  42. iemand een WOrst voorhouden (=iemand een voordeeltje in het vooruitzicht stellen, teneinde hem te bewegen ergens mee akkoord te gaan)
  43. iets in de schoot geWOrpen krijgen (=iets verkrijgen zonder al te veel moeite er voor te doen)
  44. iets niet koud laten WOrden (=ergens onmiddellijk op ingaan)
  45. in het diepe gegooid WOrden (=in een baan aan het werk moeten zonder ingewerkt te worden)
  46. je woorden WOrden weer thuisgebracht. (=als je iets negatiefs zegt kan dat leiden tot negatieve gevolgen voor jezelf)
  47. jong en oud, op het eind WOrdt alles koud. (=uiteindelijk gaat iedereen dood.)
  48. kinderen die vragen WOrden overgeslagen (=brutale kinderen die altijd overal om vragen, worden genegeerd)
  49. lach als je begraven WOrdt (=dat is geen reden om te lachen)
  50. lieverkoekjes WOrden hier niet gebakken (=zin of geen zin, je moet het doen)

305 betekenissen bevatten `WOr`

  1. op de vingers kijken (=(Op een vervelende manier) scherp toezien hoe iemand iets doet, zodat elke fout direct opgemerkt WOrdt)
  2. het licht zien (=1: begrijpen wat men daarvoor nog niet begreep 2: geboren WOrden, ontstaan)
  3. kinderen die zwijgen zullen ook nooit wat krijgen (=aanvulling op `Kinderen die vragen WOrden overgeslagen.`)
  4. iemand het hof maken (=aardig tegen iemand doen in de hoop aardig gevonden te WOrden)
  5. een korf krijgen (=afgewezen WOrden)
  6. een blauwe scheen lopen (=afgewezen WOrden)
  7. een blauwtje lopen (=afgewezen WOrden (in de liefde))
  8. het doel heiligt de middelen (=alle middelen zijn toegelaten, zolang het doel maar bereikt WOrdt)
  9. achter de wolken schijnt de zon (=alle nare dingen zijn tijdelijk en daarna WOrdt het beter)
  10. boven water zijn (=alles is bekend geWOrden of is teruggevonden)
  11. overdag hebben waar men `s nachts van droomt (=alles zomaar in de schoot geWOrpen krijgen)
  12. vele handen maken licht werk (=als een karwei samen WOrdt opgepakt is het snel en gemakkelijk gedaan)
  13. eén rotte appel in de mand, maakt al het gave fruit te schand (=als één persoon uit een groep zich misdraagt, WOrdt de hele groep erop aangekeken. / Een negatieve beïnvloeding van één persoon kan vele anderen op het slechte pad brengen.)
  14. men noemt geen koe bont, of er is een vlekje aan (=als er allerlei vervelende dingen WOrden verteld is er vast wel iets van waar)
  15. als je geschoren wordt, moet je stilzitten (=als er scherpe kritiek op je is (je WOrdt geschoren), kun je beter rustig wachten tot het voorbij is, in plaats van erop in te gaan)
  16. aan een boom zo vol geladen, mist men een twee pruimpjes niet (=als er van iets grote hoeveelheden zijn, kan er wel wat gemist WOrden)
  17. als de nood aan de man komt (=als het ernstig WOrdt)
  18. gezelligheid kent geen tijd (=als het gezellig is, is het niet erg als het wat later WOrdt)
  19. mei koel en wak, veel koren in de zak. (=als het in mei nat en koud is WOrdt de opbrengst hoog)
  20. dan moet de wal het schip maar keren (=als iemand niet vooraf rekening houdt met een naderend probleem, dan moet het probleem maar daadwerkelijk in volle omvang ontstaan, en dan alsnog WOrden opgelost)
  21. uitlekken (=als iets ongewenst publiekelijk bekend WOrdt)
  22. een pakje wordt een zakje. (=als je een probleem niet aanpakt kan het zich uitbreiden en erger WOrden.)
  23. ongevraagd, ongeweigerd (=als je iets doet waarvoor geen toestemming is gevraagd kan het achteraf niet meer geweigerd WOrden omdat het al gebeurd is)
  24. jong te paard, oud te voet (=als je in je jeugd erg WOrdt verwend, krijg je het later erg moeilijk)
  25. waar geen aardappelen gepoot worden, zullen er ook geen groeien (=als je niet een goed begin voor iets legt, zal er ook niets van WOrden)
  26. ouderdom komt met gebreken (=als je ouder WOrdt ga je van alles mankeren)
  27. wie zijn klomp breekt, schiet gemakkelijk uit zijn slof (=als je WOrdt teleurgesteld, kun je gemakkelijk boos WOrden)
  28. een groene Kerstmis een witte Pasen. (=als Kerst warm is WOrdt Pasen koud)
  29. oude paarden jaagt men aan de dijk (=als men zijn taak niet goed meer aankan, WOrdt men ontslagen)
  30. de appel wegdragen/winnen (=als schoonste erkend WOrden)
  31. wanneer twee honden vechten om een been, loopt de derde ermee heen (=als twee strijdende personen of partijen zich richten op elkaar, kan een ander daarvan profiteren door zich datgene toe te eigenen waar om gestreden WOrdt)
  32. uitdrogen als een Harderwijker (=alsmaar vervelender WOrden)
  33. zitten alsof men een luis in zijn oor heeft (=alsof hij door zijn geweten beschuldigd WOrdt)
  34. altijd de kwade pier zijn (=altijd als de schuldige aangewezen WOrden)
  35. van leer trekken (=beginnen met vechten, duidelijk laten merken dat iets als vervelend ervaren WOrdt)
  36. ten grave dalen (=begraven WOrden)
  37. aan het licht komen (=bekend WOrden van ongunstige dingen)
  38. op de bon gaan (=bekeurd WOrden)
  39. eer is teer (=beledigd WOrden doet pijn)
  40. heeft de duivel het paard gegeten, dan neemt hij de toom ook nog. (=ben je eenmaal in de macht van slechte mensen, dan WOrdt het alleen maar erger)
  41. in de val lopen (=betrapt WOrden)
  42. tegen de lamp lopen (=betrapt/gesnapt WOrden)
  43. om kaneelwater lopen (=beuzelwerk doen - van het kastje naar de muur gestuurd WOrden)
  44. de kerk in het midden laten (=bij een meningsverschil geven beide personen wat toe om het eens te WOrden)
  45. in een goed blaadje staan (=bijzonder gewaardeerd WOrden)
  46. blijf uit zijn kielwater of je raakt in zijn zog (=blijf uit zijn buurt, want je WOrdt er slechter van)
  47. op de been blijven (=blijven staan; niet ziek WOrden; niet verslagen WOrden)
  48. zo rood worden als een kalkoense haan (=bloedrood WOrden (van schaamte))
  49. de gal loopt over (=boos WOrden)
  50. in de gordijnen klimmen (=boos WOrden)

50 dialectgezegden bevatten `WOr`

  1. ''...die wit wel WOr Abram de mosterd holt'' (=Een jongen die geen voorlichting meer nodig heeft.) (Waalwijks)
  2. 't is om t even of je deur de katte of den hoengd WOr gebete (=het is om het even of je door de kat of door de hond WOrdt gebeten) (Flakkees)
  3. 't WOr vroeg kloar (=de zon komt vroeg op) (Kaprijks)
  4. a neije WOr (=ah nee hoor) (`t-Heikes)
  5. as ge 't moar begrèpt wôr (=Als je het maar begrijpt he) (Bosch)
  6. as ich ne voeëgel WOr dan vloeëg ich wijd van haus....mér ich kan nie vlieëge en doeëmèt voeëgel ich mér taus (=je moet het leven nemen zoals het is) (Munsterbilzen - Minsters)
  7. as mën tant Kl...hoch, WOr 't mënë noenk (=Als...als) (Munsterbilzen - Minsters)
  8. as men tante kloete hoch, WOr et mene noenk (=gedane zaken nemen geen keer) (Munsterbilzen - Minsters)
  9. as men tante kloete hoch, WOr et mëne noenk (=Als...als) (Munsterbilzen - Minsters)
  10. Attet nen hond WOr hochter dich allang gebiëte (=Het ligt voor je neus en je ziet het niet) (Bilzers)
  11. Bertës van de Sjeiper WOr zjus dezelfde aster mèt ze piëd on kaffei bij Zjengske èn Hiëseld stond (=Bertus x werd ook geregeld door zijn paard teruggereden van bij Café Welkom in Heesveld) (Munsterbilzen - Minsters)
  12. da WOr e graut fijasko (=dat ging de mist in!) (Munsterbilzen - Minsters)
  13. da WOr ëm, gezwoeëre! (=das was hij, heel zeker!) (Munsterbilzen - Minsters)
  14. da WOr geen moejlëke bevalling (=de vroedvrouw kraamt er vanalles uit) (Munsterbilzen - Minsters)
  15. da WOr un pan mee spreeuwe (=dat WOrdt niets) (Oudenbosch)
  16. daaj WOr ferm èn her K gebieëte (=die was kwaad, zeg!) (Munsterbilzen - Minsters)
  17. daaj WOr rap geaod (=die had zich rap thuis gevoeld) (Munsterbilzen - Minsters)
  18. daaj WOr rap riepe snaaje (=die was er vlug vanonder!) (Munsterbilzen - Minsters)
  19. daaj WOr sjaanëtëg gësmink (=ze was schandalig opgesmukt) (Munsterbilzen - Minsters)
  20. daaj WOr tër goed de K...t van èn (=zij was sterk ontgoocheld) (Munsterbilzen - Minsters)
  21. dae ès zoe loemp assët piëd van slivënheir (en dat WOr nën iëzel) (=hij is heel dom) (Munsterbilzen - Minsters)
  22. dae WOr mekan vannet matsje (=hij was bijna dood) (Munsterbilzen - Minsters)
  23. dae WOr tër nie zoe sjiëtëg op (=hij was er niet zo voor te vinden) (Munsterbilzen - Minsters)
  24. daor WOr wa afgezeverd (=voortdurend WOrdt daar gezeurd) (Oudenbosch)
  25. dat moês tevan koëme dat WOr te verwaachte dat stond ver de diër (=dat moest een keer gebeuren) (Bilzers)
  26. dat sjol nie viël of hae WOr morrie (=dat scheelde niet veel of hij was dood (mort)) (Munsterbilzen - Minsters)
  27. dat WOr één graute sirk (=dat was een echte schijnvertoning) (Munsterbilzen - Minsters)
  28. dat WOr iëver het sjroëm (=dat was erover) (Bilzers)
  29. dat WOr mich ën kaol bedoening (=overdreven activiteit, chichi) (Munsterbilzen - Minsters)
  30. dat WOr te dènke (=dat was te voorzien) (Bilzers)
  31. de kons nie vër alleman goed doen...kiek mèr ës noeë Slievenheir, dat WOr zau ne goejë mins en toch hëbbë zë dae nog aoën ët kreis genèchëld (=je kan zoe goed zijn als je wil, als het tegenzit ben je toch de peaneut) (Munsterbilzen - Minsters)
  32. de man oet nog nen heiring waaj ter daus WOr (=dat is gemakkelijk) (Munsterbilzen - Minsters)
  33. WOr niks (=Dat komt nooit goed) (Bosch)
  34. de zoën van Mo-zés WOr Mo-ziëve (=zo dom als zijn vader) (Bilzers)
  35. den atste taus WOr nog èn de fleur van ze laeve waaj ter nen attak kriëg (=mijn vader was nog kerngezond toen hij een infarct kreeg) (Munsterbilzen - Minsters)
  36. Dendienn WOr strontraupere agter den treen (=Gezegd van iemand die niet veel kan en het nooit ver zal schoppen) (Maldegems)
  37. der WOr gene mwajae mei vür viëraut te koëme (=ik kon niet meer vooruit) (Bilzers)
  38. der WOr n opstropping (=het verkeer was blijven vastzitten) (Munsterbilzen - Minsters)
  39. des nie zo snugger WOr (=dat is niet zo slim) (Bosch)
  40. deur onnerviening WOr je wies (=men leert van de praktijk) (Westerkwartiers)
  41. deur vroag'n WOr je wies (=vraag maar, daar leer je van) (Westerkwartiers)
  42. Doa WOr ich hoorendul van! (=Daar WOrd ik zot van.) (Overpelts)
  43. doar WOr ' k mizzelk van (=daar WOrd ik niet goed van) (Westerkwartiers)
  44. doar WOr je kregel van (=daar raak je van in de war) (Westerkwartiers)
  45. doë WOr mèr onderhaave man enne piëdskop (=er was bitter weinig volk) (Munsterbilzen - Minsters)
  46. dòr wòr de hôorne dòl van (=daar WOrd je stapelgek van) (Tilburgs)
  47. èn de siëvetiger joeëre WOr Bilze te kleen vër de jazz-manne (=Bilzen werd in de jaren zeventig overrompeld door de festivalgangers) (Munsterbilzen - Minsters)
  48. en doezend WOr geen één (=en nog zo vanalles) (Munsterbilzen - Minsters)
  49. et hoofnauws WOr al aofgeloope (=de nieuwslezer las tussen de regels) (Munsterbilzen - Minsters)
  50. ët kos nog baetër, mér dan WOr ët nog dierdër (=voor wat, hoort wat) (Munsterbilzen - Minsters)




Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen