Spreekwoorden met `Um`

Zoek

22 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `Um`

  1. ad fundUm (=tot op de bodem) (Latijn)
  2. ad hoc negotiUm (=tot deze zaak behorend) (Latijn)
  3. ad infinitUm (=tot in het oneindige) (Latijn)
  4. cUm annexis (=met bijbehoren) (Latijn)
  5. cUm expensis (=met (on)kosten) (Latijn)
  6. cUm grano salis (=met een korreltje zout) (Latijn)
  7. cUm laude (=met eer) (Latijn)
  8. een nUmmer zijn (=van weinig betekenis zijn of althans zo behandeld worden)
  9. errare hUmanUm est (=zich vergissen is menselijk) (Latijn)
  10. het ei van ColUmbus (=de (slimme) oplossing)
  11. iemand op zijn nUmmer zetten (=iemand zeer nadrukkelijk op zijn fouten wijzen, op een wijze die voor die persoon beschamend is)
  12. iesus hominUm salvator (=jezus de redder der mensheid)
  13. in adamskostuUm (=naakt, zonder kleren)
  14. in een mUm van tijd (=in heel korte tijd)
  15. in partibus infideliUm (=in het land der ongelovigen) (Latijn)
  16. jesus nazarenus rex judaeorUm (=jezus van Nazareth, koning der Joden) (Latijn)
  17. magnUm opus (=een zeer groot werk) (Latijn)
  18. quantUm libet (=zoveel men wil) (Latijn)
  19. quod bonUm felix faustUmque sit (=moge dat goed en gezegend zijn) (Latijn)
  20. sUmma cUm laude (=met de hoogste eer) (Latijn)
  21. sUmma sUmmarUm (=uiteindelijk - tenslotte) (Latijn)
  22. verkleUmen tot op het bot (=het heel koud krijgen)

26 betekenissen bevatten `Um`

  1. dat is geen punt. / Daar maken we geen punt van (=dat is geen probleem. / Dat is helemaal geen argUment)
  2. dat raakt kant noch wal (=dat is geen zinnig argUment)
  3. dat gaat je niet in de kouwe/koude kleren zitten (=dat is heel ingrijpend. Daar ben je niet snel overheen (bijvoorbeeld een traUmatische ervaring))
  4. wie schrijft, die blijft. (=docUmenteer alles goed voor je eigen bestwil)
  5. uit de heup schieten (=een discussie ingaan met een ongenuanceerde argUmentatie)
  6. een bodem in de markt leggen (=een minimUmprijs vastleggen)
  7. de muts stond hem scheef. (=een slecht hUmeur hebben)
  8. de muts zich verkeerd staan (=een slecht hUmeur hebben)
  9. slecht gemutst zijn (=een slecht hUmeur hebben)
  10. met het verkeerde been uit bed stappen (=een slecht hUmeur hebben)
  11. op een volle buik staat een vrolijk hoofd. (=een volle buik brengt een blij en tevreden hUmeur.)
  12. er komt een dominee voorbij (=er valt een plotselinge stilte in een rUmoerig gezelschap)
  13. de pee in hebben (=erg gehUmeurd zijn)
  14. er Spaans aan toe gaan (=erg wild en rUmoerig aan toe gaan)
  15. zijn pruik staat scheef (=hij is slecht gehUmeurd)
  16. dat is koren op zijn molen (=hij zal dat meteen gebruiken als argUment voor wat hij toch al wilde)
  17. iemand het land opjagen (=iemand uit zijn hUmeur brengen)
  18. iemand op de kast jagen (=iemand zijn goede hUmeur doen verliezen door plagen)
  19. er je eigen plasje overheen doen (=iets een beetje veranderen zodat helemaal naar je zin is. In werksituaties kan dit soms uit de hand lopen, als er veel belanghebbers zijn die allemaal hun eigen plasje over een docUment willen doen. Het kan dan resulteren in een onleesbare tekst.)
  20. het zwart op wit hebben (=in geschreven of gedrukte vorm. GedocUmenteerd)
  21. met de witte perdekies naar Velzeke rijden (=krankzinnig worden. In Velzeke bevindt zich een sanatoriUm; de `witte perdekies` (witte paardjes) verwijzen naar een ziekenwagen, waarmee de geestesgestoorde afgevoerd wordt. Uitdrukking uit het zuiden van Oost-Vlaanderen)
  22. het maar in het midden laten (=niet argUmenteren)
  23. voor geen geld of goede woorden (tot iets bereid zijn) (=niet bereid zijn tot iets, wat iemand ook ervoor biedt, en welke argUmenten iemand ook naar voren brengt)
  24. een oud paard van stal halen. (=oude argUmenten opnieuw gebruiken)
  25. de bokkenpruik op hebben (=slecht gehUmeurd zijn)
  26. het op de heupen hebben (=slecht gehUmeurd, op geestdriftige wijze iets doen, zenuwachtig, verstoord zijn)

50 dialectgezegden bevatten `Um`

  1. ` 't zal d'r aan ligke wi-j 't veltj` zag de bezeuker wi-j ze 'm vrooge Um te bliêve aete en hae keek nao de dröppel aan de vrouw eur naas (=niet meteen toehappen, een slag om de arm houden) (Weerts)
  2. 'k ken Um nie bekwèkt krijge (=hij hoort me niet roepen) (Bredaas)
  3. 'n Peerd en un hond hinkt Um de stront (=Wanneer een paard of een hond maar iets aan hun poten hebben, lopen ze mank) (Achterhoeks)
  4. 'ne krînk Um de maon kân nog in windj vergaon, 'ne krînk Um de zón bringtj rengel in de tón (=weerspreuk) (Weerts)
  5. 't Book is Um gedrage (=Je bent te laat voor het eten) (Mechels (NL))
  6. 't Geit neet Um einen boerenhaof (=Riskeer gerust wat bij het kaartspel) (Venloos)
  7. 't Is goed weer Um een arfenis te deile (=Het is somber, regenachtig weer) (Nijkerks)
  8. 't is good Um haver te zejje (=iedereen zwijgt) (Weerts)
  9. 't lópt Um dun dör deboks (=bang zijn) (Genneps)
  10. 't Was un rib uit mu lijf. / Ik het Um weer flink uit m'n broek laten hange / (=Het heeft mij veel geld gekost...) (Utrechts)
  11. 't zal Um voare (=ergens veel moeite mee hebben) (Luyksgestels)
  12. A'j n vearkn veuroet wilt loatn loopn dan mö'j Um an n stert trekn. (=Aktie is reaktie) (Twents)
  13. A'j Twents könt proat'n, mu'j 't Um mie nich loat'n. A'j Plat kuiern könt, mö'j ’t nie loatn! (=Als je Twents kan praten moet je het om mij niet laten.) (Twents)
  14. Aggij nou nie oew bakkus houwt, dan slao ik Um subbiet meepussaant dicht (=als jij nu niet je mond houd sla ik hem zo direct dicht) (Tilburgs)
  15. as de klant met de slager praat, mut de wurst Um stilhouwe (=als Pietje met Robert praat moet Peter zich stilhouden) (Leewarders)
  16. As ge nie goewd nor de mister loistert, dan kriede un draoi Um oew orre (=Als je niet goed naar de meester luistert krijg je een draai om je oren) (Liessents)
  17. as twie hun vechte Um e bien, dan lup de 3de dermee hien (=als 2 honden vechten om een been, loopt de 3de er mee heen) (Rekems)
  18. azje doorrege spek van eur vêrkes wiltj sni-jje, mojje ze Um d'n angersten daag honger laote li-jje (=iets slim aanpakke) (Weerts)
  19. bèt ie a-k Um aaj (=bijt hij als ik hem aai) (Tilburgs)
  20. bet tie ak em aai, bèttie ak em ai, bet tie ak Um aai (=bijt die als ik hem aai) (Geldermalsens)
  21. Bettie ak Um aai? (=Bijt hij (de hond / kat) als ik hem aai?) (werkendams)
  22. Bettie ak Um aai? (=Bijt hij als ik hem aai?) (Bredaas)
  23. bettie ek Um oai (=bijt hij als ik hem aai) (Brakels (gld))
  24. binndeur is nooit Um (=er niet omheen draaien) (Twents)
  25. blaost Um mar op (=loop naar de maan) (Tilburgs)
  26. d'n ooievaar haet Um in ut bein gebete (=zij is aangeteld / zwanger) (Venloos)
  27. da viel Um koud op z n dak (=dat viel hem erg tegen) (Oudenbosch)
  28. daaj hèt niks Um of aon (=zij is haveloos gekleed) (Munsterbilzen - Minsters)
  29. dae e wiêf troutj Um eur liêf, verluusj 't liêf en heltj 't wiêf............. (=niet alleen trouwen vanwege het uiterlijk) (Weerts)
  30. dae haet Um goot zitte (=hij heeft stevig gedronken) (Venloos)
  31. dae is nog te voêl Um zien kloeëte op te höffe (=dat is een luierik) (Weerts)
  32. dae mót op ' ne törf gaon staon Um e vêrke in zien gaat te kieke (=iemand die heel klein is) (Weerts)
  33. dae twieë zwegelkes noeëdig heet Um zien piêp aan te staeke, weurtj noeëts riêk (=als je niet zuinig bent, word je nooit rijk) (Weerts)
  34. Dae wet onneet wem Um gesjeete het (=Hij heeft een verbeelding) (Susters)
  35. Dao löp ein blind paerd niks Um (=Die mensen zijn zo arm, dat zij zich nauwelijks meubilair kunnen veroorloven) (Venloos)
  36. dao zoodje 'n kêrk op bouwe, mer 't schiêthoês veltj d'r op Um (=ten onrechte iemand vertrouwen) (Weerts)
  37. dat gaait Um wel (=in de smaak vallen, wel oren naar hebben) (Genneps)
  38. Dat hef niks Um hakken (=Dat heeft niets te betekenen / stelt niets voor) (Drents)
  39. dat höbste Um toch good geflik (=dat heb je mooi geflikt) (Berg en Terblijts)
  40. dat is Um 't aeve (=dat maakt geen verschil) (wijlres)
  41. dat is Um gesjeete ... (=die lijkt sprekend op ...) (Berg en Terblijts)
  42. dat kult Um nog uz (=dat gaat eens mis) (Genneps)
  43. Dat naast Um waal. (WT) (=Dat vind hij wel fijn) (Mechels (NL))
  44. Dat nast Um waal (=Dat bevalt hem wel) (Gulpens)
  45. De daag kómme op Um rij (=Rustig aan, morgen is er weer een dag) (Genneps)
  46. dê hi veul kreUm gekôst Um dien bôm Um te doewe (=dat heeft veel inspanning gekost om die boom neer te halen) (Boakels)
  47. De kins d' n aezel waal nao de baek leie maar Um doon zoèpe kanste neet (=Domme mensen kan men niet alles leren) (Venloos)
  48. de koei lupte en ze viel Um (=de koe liep en ze viel) (Brabants)
  49. Dè mag Um den boik nie rimpellu (=Het komt niet zo precies) (helmonds)
  50. den boer waar himmol aachter op zunnen èkker, k-kos Um nie bekwêeke krèège (=de boer was helemaal achter op zijn akker, ik kon hem niet bereiken met roepen) (Tilburgs)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen