Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


10 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `Mere`

  1. aan de weg timMeren (=veel activiteiten ontplooien en daarmee naar buiten treden om verandering en vernieuwing te bewerkstelligen)
  2. altijd op hetzelfde aambeeld haMeren/slaan (=steeds weer op hetzelfde onderwerp terugkomen)
  3. boter aan de galg sMeren (=tevergeefse moeite doen, iets zal niet helpen)
  4. Boter op je hoofd sMeren en droog brood eten. (=In de war zijn.)
  5. de lenden sMeren (=afrossen)
  6. ergens op haMeren (=iets voortdurend benadrukken)
  7. iemand honing om de mond sMeren (=tegen iemand aardige dingen zeggen/vleien om iets gedaan te krijgen)
  8. iemand iets aansMeren (=iemand iets (weinig waardevols) verkopen)
  9. iemands licht betimMeren (=in de weg staan - het licht benemen)
  10. niet hoog timMeren (=weinig verstand hebben)

7 betekenissen bevatten `Mere`

  1. olie op de golven gieten/gooien (=de gemoederen kalMeren)
  2. Het is gezond om in het vuur te pissen (=Het is goed om hevigheid te kalMeren)
  3. iemand een koud bad geven (=iemand kalMeren , illusies ontnemen)
  4. op de hoogte stellen (=inforMeren)
  5. zijn oor te luisteren leggen (=inforMeren)
  6. iemand geen strobreed in de weg leggen (=niets doen om iemand tegen te houden of te belemMeren)
  7. poolshoogte nemen (=zich vooraf inforMeren over de situatie)

Het dialectenwoordenboek kent 121 spreekwoorden met `Mere`

  1. werviks: nunneskeetuh (=Merengue gebakje)
  2. Merenaars: die van boven de windj (=dorpen tussen Mere en zottegem)
  3. Bredaas: buizenberg (=galderse Meren)
  4. Heusdens: De boer ha 17 jung en os Merei heitte Tul os en,ooch nog Seefa en osse Jef heitte Fuin en osse Louis heitte Juul , da war fur het nie gemekklijk te maken (=de boer had 17 kinderen , allemaal jaar op jaar , 3 dochters heette Maria en werden , Tul , Mereë en Seefa genoemd, Onze Jozef heette Feun , onze Louis heete Jef en onze Henrie heette Juul, toch niet gemakkelijk he)
  5. Merenaars: In miejer op de kassau laugen drau rau auren mi ne parau derbau (=In Mere op de kassei lagen 3 rauwe eieren met een prei erbij)
  6. Merenaars: iet in de mot ebben (=vermoeden)
  7. Merenaars: op a banne letten (=voorzichtig zijn)
  8. Waregems: de vinke skoifelt, de mèrloan skoifelt (=de vink slaat , de Merel fluit)
  9. Merenaars: een mot opebben (=dronken zijn)
  10. Merenaars: a est go zeggen (=hij is gestorven)
  11. Merenaars: a ee veel wezen (=hij is opmerkzaam)
  12. Merenaars: a es gereejen (=hij is beetgenomen)
  13. Merenaars: zijn duimen leggen (=zich overgeven)
  14. Ransts: dië denkt ok dattem ne witte Merel hee (=exhibionist)
  15. Merenaars: zèn biejenen onder taufel steken (=aanschuiven aan tafel)
  16. Merenaars: ba zenne skabbernak pakken (=bij zijn kraag pakken)
  17. Merenaars: 't es in de sakosj (=de zaak is afgehandeld)
  18. Merenaars: de voeërink van zè gat skijten (=erge buikloop hebben)
  19. Merenaars: op de stinker zitten (=ergens teveel zijn)
  20. Merenaars: gotj uit mijne skietlap (=ga uit mijn weg)
  21. Merenaars: der ne skip in geven (=een benaderende oplossing geven)
  22. Merenaars: a zit met 't bistjen (=een kater hebben)
  23. Merenaars: zjieêr emmen o zen hoeërweutelen (=een kater hebben)
  24. Merenaars: a eentj in 't snotjen (=hij heeft het door)
  25. Merenaars: a tege mijne gillée trekken (=iemand omarmen)
  26. Merenaars: zemmen em een lisj oeëngezetj (=hij is beetgenomen)
  27. Merenaars: 'k zie ze vliegen (=ik heb grote honger)
  28. Merenaars: est de moeijtje wieërd (=is het de moeite waard)
  29. Merenaars: 't geldj onder de struik leggen (=niet betalen)
  30. Merenaars: stijf stoeën van 't geldj (=veel geld hebben)
  31. Merenaars: kapt moer op (=stap het maar af)
  32. Merenaars: zu dik as een padde zitten (=teveel gegeten hebben)
  33. Merenaars: 't vel over de biejenen (=zeer mager)
  34. Merenaars: op zenne puuët spelen (=zijn ongenoegen uitdrukken)
  35. Merenaars: zijnen derden tujenen (=bont maken)
  36. Merenaars: goeje meirend (=goeie morgen)
  37. Merenaars: vur nen appel en een au (='t is zeer goedkoop verkocht)
  38. Merenaars: oepen en toepen (=eender wat doen, erop los leven)
  39. Merenaars: ne muujer zojjenne woeëter (=een ketel met kokend water)
  40. Merenaars: konijnentannen: werom ejje zulke gruuëte konijnentannen - omda'k neig kan luuëpen (=grote tanden)
  41. Merenaars: iemand iet oewekluujesteren (=iets verkopen wat hij niet nodig heeft)
  42. Merenaars: a es gin sjiek wiejerd (=hij voelt zich niet lekker)
  43. Merenaars: ik em, gau etj, a eet, wèr emmen, gèr etj, zèir emmen (=vervoeging werkwoord hebben)
  44. Munsterbilzen - Minsters: de bloën ès verlèd , de hojs zen haan moete auttet nès haage (=de Merel heeft het broeden opgegeven omdat je met de eieren hebt aangeraakt)
  45. Merenaars: 't es on zè lijf gegoten (='t is juist gepast)
  46. Merenaars: zen mougd lotte kiejeren (=een boer laten)
  47. Merenaars: 't zitj ier op zè gat (=de verkoop is slecht)
  48. Merenaars: 't zitj skieëf (=er is ruzie)
  49. Merenaars: 't es e fluitjen van ne seng (=het is gemakkelijk)
  50. Merenaars: t'es manten en kalle (=het zijn goeie vrienden)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen