Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


16 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `Boom`

  1. aan de vruchten kent men de Boom (=aan de nakomelingen kent men de ouders)
  2. aan een Boom zo vol geladen, mist men een twee pruimpjes niet. (Naar Hieronymus van Alphen) (=als er van iets grote hoeveelheden zijn, kan er wel wat gemist worden)
  3. als een blad van een Boom veranderen/omkeren (=geheel anders gaan gedragen)
  4. Boompje groot, plantertje dood (=sommige dingen hebben effecten die je niet kunt voorzien)
  5. botertje aan de Boom zijn / het is botertje tot de Boom (=alles gaat goed zonder problemen)
  6. de appel valt niet ver van de stam/Boom (=kinderen lijken vaak op de ouders )
  7. de kat uit de Boom kijken (=een afwachtende houding aannemen)
  8. een Boom van een kerel (=een grote man)
  9. een Boom(pje) opzetten (=een informele discussie starten)
  10. een dood paard aan een Boom binden (=overdreven voorzichtig zijn)
  11. Een dood paard aan een Boom binden. (=Overdreven voorzichtig zijn)
  12. men moet de Boom buigen als die jong is (=goede gewoonten kunnen het beste al jong worden aangeleerd)
  13. onder de vijgenBoom rusten (=in rust en welstand leven)
  14. op de Boom verkopen (=boomvruchten verkopen voor ze geplukt zijn)
  15. waar de Boom gevallen is, blijft hij liggen (=gedane zaken nemen geen keer)
  16. Wie in een Boomgaard werkt mag er uit eten / van de druiven eten. (=Voordeel halen uit je werk.)

Eén betekenis bevat `Boom`

  1. op de boom verkopen (=Boomvruchten verkopen voor ze geplukt zijn)

Het dialectenwoordenboek kent 87 spreekwoorden met `Boom`

  1. Brakels (gld): bomke (=Boompje)
  2. Booms: E zit boa Mannekes (=hij is in de middelbare school van Boom)
  3. Valkenswaards: Nun Bom (=Een Boom)
  4. Booms: ékenissen (=liesstreek)
  5. Westerkwartiers: hij zicht deur de Boom'n het bos niet meer (=er komt teveel tegelijk op hem af)
  6. Westerkwartiers: olle Boom'n moe'je niet meer verpoot'n (=oude mensen moet je niet meer verkassen)
  7. Munsterbilzen - Minsters: waaj vër nog joenk worre moeste vër èn de bës on de deense waajers ganse zek foenkelhoot, sjots en denneknüp gon raope (=in onze jeugdjaren moesten we van onze ouders heel wat zakken kleinhout, Boomschors en dennenappels gaan rapen)
  8. Booms: Tissendeer (=Af en toe)
  9. Booms: bleftoraf (=blijf daarvan af)
  10. Booms: rondoemedoem (=helemaal eromheen)
  11. Booms: ne krabbekoker (=ongewoon iemand)
  12. Booms: goasem bitskoemmer ! (=gij deugniet !)
  13. Booms: vierklaavers (=in volle vaart)
  14. Gents: den deze is veel huuger of den diene (=deze Boom is hoger dan die Boom)
  15. Booms: schoeffele (=gulzig eten)
  16. Knesselaars: ten kandêêle gaon (=een Boom of iets anders wegruimen)
  17. Gents: de katte uit d'orloge kââken (=de kat uit de Boom kijken)
  18. Kerkraads: De eppel valle nit wied van d'r Boom. (=De appels vallen niet ver van de Boom.)
  19. Enschedees: stenen gooie op een kattebies toet het ut dienen Boom kumt (=de kat uit de Boom kijken)
  20. Gronings: de appel vaalt nooit wied van de Boom (=de appel valt nooit ver van de Boom)
  21. Rillaars: Ge keunt erroan hange dan hedde 't zwiere verniet. (=Je kunt de Boom in.)
  22. Booms: Em schèt in zen broek (=Hij heeft schrik)
  23. Booms: das ne glettege (=dat is me er eentje !)
  24. Booms: dau komt em aongestesseld (=daar komt ie aangestapt)
  25. Booms: de kakkenest (=jongste spruit in de famillie)
  26. Booms: gor sloage (=zorg voor iets dragen)
  27. Booms: oa ging nogalis ne gerlago (=Hij ging nogal onderuit)
  28. Berchems: ge kunt gij vierkantig mijn kljuutn kuisn (=je kan de hoogste Boom in)
  29. Booms: Mie blaas et licht ôt, Jef stekt de stoof in de kas (=(krachtterm))
  30. Booms: Tstaa èveréksoem (=Het staat ondersteboven)
  31. Gronings: de abbel vaalt nooit ver vanne Boom (=de appel valt nooit ver van de Boom)
  32. Evergems: Ee ee't van gieën 'ond g'ïrfd (=De appel valt niet ver van de Boom)
  33. Fries: krekt san lul als sien heit (=De appel valt niet ver van de Boom)
  34. Munsterbilzen - Minsters: de kons mich vierkanteg men kloete kisse (=je kunt me de Boom in !)
  35. Booms: loèpt nodde poemp (=loop naar de maan)
  36. Booms: leupt noa de poemp (=loop naar de maan)
  37. Booms: em ei z'n loeten (=hij heeft kuren)
  38. Booms: Em wet van toete of blaaze (=Hij weet van niets)
  39. Booms: Em hei en stik in zijne frak (=Hij is dronken)
  40. Booms: adave smikkel (=hou je mond)
  41. Booms: ô ij gezij (=hij heeft gezegd)
  42. Bilzers: datter (noë de kloete) lèp!\r\ndatter mich verrèk (=hij kan de Boom in)
  43. Bevers: die kan rond nen Boom kijken (=scheelzien)
  44. Booms: hij is bediend (=hij heeft het sacrament der stevenden gekregen)
  45. Booms: Dien ei sondags naor tschool gewest (=Hij is niet van de slimsten)
  46. Hulshouts: Baa tjoste bjompke droaëm vrum (=Aan de eerste Boom draaide hij terug)
  47. Weerts: Aan de vaere kindje de vuuëgel (=De appel valt niet ver van de Boom)
  48. west-vlaams: ons poezeke is schijl (=de kat valt niet ver van de Boom)
  49. Mechels (BE): 'k zal veu ou is e verken oep nen Boom jagen (=ik zal voor jou eens een varkrn op een Boom jagen)
  50. Booms: da's wa gescheete (=dat is heel wat)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen