Spreekwoorden met `ze`

Zoek


464 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `ze`

  1. zeven kleuren bagger schijten (=erg bang zijn)
  2. zijn eigen luizen bijten hem (=hij wordt gekweld door zijn eigen kinderen)
  3. zijn hoed staat op halfzeven (=hij is dronken)
  4. zijn schip voert te grote zeilen (=te veel geld uit geven)
  5. zijn zeis in een anders koren slaan (=stelen, zich in het werk van iemand anders bemoeien)
  6. zo dicht als een zeef. (=spottend gezegd van iets met veel zwakke plekken)
  7. zo lek als een zeef zijn (=heel erg lek zijn)
  8. zo vast staan als een muts met zeven keelbanden (=erg vast staan)
  9. zo zeker als de bank (=iemand die in alles te vertrouwen is)
  10. zo zeker als tweemaal twee vier is (=absoluut zeker)
  11. zoals het reilt en zeilt (=zoals het zijn gangetje gaat)
  12. zoden aan de dijk zetten (=daadwerkelijk hulp verschaffen)
  13. zonder blikken of blozen (=onbeschaamd, zonder zich iets van anderen aan te trekken)
  14. zuinigheid met vlijt, bouwt huizen als kastelen (=door zuinig en ijverig te zijn, kan men veel bereiken)

696 betekenissen bevatten `ze`

  1. alle hout is geen timmerhout (=niet iedereen beschikt over dezelfde kwaliteiten / niet alles is van voldoende kwaliteit)
  2. je hebt luxe paarden en werkpaarden (=niet iedereen heeft dezelfde positie, de een moet harder of zwaarder werken dan de ander)
  3. niet kunnen hard maken (=niet kunnen bewijzen)
  4. geen twee missen voor hetzelfde geld doen (=niet tweemaal hetzelfde zeggen of doen)
  5. een bord voor de kop hebben (=niet voor andere zienswijzen openstaan)
  6. met de mond vol tanden staan (=niet weten wat je moet zeggen / ergens versteld van staan)
  7. als hadden geweest is, is hebben te laat. (=niet zeuren over gedane zaken)
  8. geen hout snijden (=niets bewijzen , niet van toepassing zijn)
  9. een ei op hebben (=niets durven te zeggen)
  10. niets in de melk te brokken hebben (=niets te zeggen hebben)
  11. stommetje spelen (=niets willen zeggen)
  12. boe noch bah zeggen (=niets zeggen)
  13. geen mond open doen (=niets zeggen)
  14. nieuwe heren nieuwe wetten (=nieuwe bazen vaardigen ook nieuwe regels uit)
  15. andere heren andere wetten (=nieuwe bazen willen nieuwe regels)
  16. nog niet op eigen benen kunnen staan (=nog niet zichzelf volledig zelfstandig kunnen redden)
  17. het mes op de keel zetten (=onder sterke druk zetten)
  18. het ene ongeluk kan niet op het andere wachten. (=ongeluk komt zelden alleen)
  19. het ene ongeluk roept het ander. (=ongeluk komt zelden alleen)
  20. de mijn is verkeerd gesprongen (=ongeveer als: wie een put graaft voor een ander, valt er zelf in)
  21. de daad bij het woord voegen (=onmiddellijk doen wat men zegt te zullen doen)
  22. zo dom als touw (=onnozelheid of domheid (als in: `Je bent ook zo dom als touw hè?!`))
  23. uit het zadel wippen. (=ontslaan of uit een functie zetten)
  24. ongesuikerd zeggen waar het op staat (=onverbloemd de waarheid zeggen)
  25. iemand ongezouten de waarheid zeggen (=onverbloemd de waarheid zeggen, eerlijk zeggen waar het op staat)
  26. op het hellend vlak (=onzeker)
  27. van zijn stuk raken (=onzeker worden en niet meer weten wat te zeggen)
  28. uilen naar Athene brengen. (=onzinnig werk (er zijn al wijzen=uilen genoeg in Athene))
  29. met de maat waarmee gij meet, zal u weder gemeten worden (=op de manier zoals je een ander behandelt zal je ook zelf behandeld worden)
  30. hoc loco (=op deze plaats)
  31. op dezelfde voet voortzetten (=op dezelfde manier)
  32. iemand door de mosterd halen (=op duidelijke wijze kenbaar maken wat iemand fout gedaan heeft)
  33. de bal terugkaatsen (=op een vraag die gesteld wordt geen antwoord geven, maar een tegenvraag stellen; op een kritische opmerking van iemand reageren door zelf ook meteen een kritische opmerking te maken over de ander)
  34. komen waar de duivel zijn staart keert (=op een zeer onherbergzame plaats aankomen.)
  35. in het zicht van de haven schipbreuk lijden (=op het laatste nippertje nog verliezen)
  36. elkaar vliegen afvangen (=op onbeduidende details elkaar beconcurreren dan wel duidelijk willen laten uitkomen dat men zelf gelijk heeft en de ander niet)
  37. de gebraden haan uithangen (=op onverantwoordelijke wijze erg veel geld uitgeven aan met name lekker eten en drinken)
  38. de grote klok luiden (=op opvallende wijze bekend maken)
  39. malletje naar malletje (=op precies dezelfde wijze herhaald)
  40. het vossenvel aandoen (=op sluwe wijze iets willen bereiken)
  41. op zee blijven (=op zee vergaan/omkomen)
  42. tot de jaren des onderscheids komen (=oud genoeg zijn om zelf te weten/mogen wat wel en niet mag)
  43. heden ik morgen gij (=oud grafschrift: gedenk, lezer, dat jij ook zal sterven)
  44. oude bomen moet men niet verplanten (=oude mensen doet men liever niet verhuizen)
  45. oude paarden jaagt men achter de schans (=oudere werknemers worden soms aan de kant gezet)
  46. het hart op de lippen hebben (=over zijn emoties durven praten - alles zeggen wat men denkt)
  47. met iemands woorden naar de markt gaan (=overal rondvertellen wat men elders horen zeggen heeft)
  48. prijs de dag niet voor het avond is (=pas als alles gedaan is kun je zeggen of het goed ging)
  49. met stomheid geslagen (=plotseling geen woord meer kunnen zeggen)
  50. tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren (=praktische belemmeringen weerhouden ons van het realiseren van onze plannen.)

50 dialectgezegden bevatten `ze`

  1. de liëgës koëmen altijd aut, al moeten de kraeën ze autbringe (=leugens komen altijd uit) (Munsterbilzen - Minsters)
  2. de lucht kloart al weer wat op (=ze zien het alweer beter zitten) (Westerkwartiers)
  3. De meiste omaas zeen dik ómdet ze vol leefdje zitte! (=De meeste oma's zijn dik omdat ze vol liefde zitten!) (Kinroois)
  4. de mes mèr alles geleeve wat ze èn de bikskes sjrijve (=lezen is het fundament van alle wijsheid) (Munsterbilzen - Minsters)
  5. de moes ëm èn zë vèt loëte stoëvë (=laat hem maar wat razen...) (Munsterbilzen - Minsters)
  6. de moes nën aaên aop geen maule leiteb trèkke (=je moet oudere mensen niet willen leren hoe ze zich moeten gedragen) (Munsterbilzen - Minsters)
  7. de moes tich nie op ze nès loëte vange (=je moet goed uitkijken dat ze je niet gemakkelijk bedotten) (Munsterbilzen - Minsters)
  8. de MOETEkes (jonge kalveren) stoeën èn de stal, mér KAVER (kalveren dommeriken, zij die iets doen omdat ze dat MOETEN doen) lopen overal... (=als iemand het woord MOETEN tegen je gebruikt, antwoord je met....) (Munsterbilzen - Minsters)
  9. de molp ès al goed ont staute (=ze krijgt al mooie borstjes) (Munsterbilzen - Minsters)
  10. de paute vanonder ze lijf lope (=het kan niet snel genoeg) (Bilzers)
  11. de peiringë èn zë graof goën nog këpot van ermoej (=hij leeft als een gierige en zal ook zo sterven) (Munsterbilzen - Minsters)
  12. de petakke stoawn al skoewn ma ich móet ze nog húuge (=De aardappelen staan al hoog maar ik moet ze nog aanaarden, ophogen) (Walshoutems)
  13. de petetten (puttettun) zè zocht (=de aardappelen zijn gaar gekookt) (Sint-Niklaas)
  14. De polis stelt na een onderziek in eomda ze 't goe megeloëk vinge data geld me krimineel zokes te moken heet (=De politie stelt een onderzoek in, omdat zij het niet onwaarschijnlijk acht dat het geld te maken heeft met een criminele activiteit) (Holsbeeks)
  15. De riuë vloaë ajd'uit (=ze heeft haar maandstonden) (Kaprijks)
  16. De ro-e vlagge angt ut (=ze heeft haar maandstonden) (Poperings)
  17. de rook sloog tege nut plaffon (=ze hebben erg ruzie gemaakt) (Oudenbosch)
  18. de Rus es op bezik (=ze is aan haar maandstonden) (Bilzers)
  19. de rus ès op bezik (=ze zit met haar maandstonden) (Munsterbilzen - Minsters)
  20. de russe zin tër wier (=ze heeft haar maandstonden) (Munsterbilzen - Minsters)
  21. de Russen zin doar....de roo vlag stikt uit, (=ze heeft haar maandregels) (Sint-Niklaas)
  22. De ruûf hangt deer hóóg (=ze zijn daar arm, het is daar armoedig) (Texels)
  23. de slimste vérke krijgen ët sjunste stroj (strau) (=de zon schijnt voor iedereen, maar niet iedereen ziet ze) (Munsterbilzen - Minsters)
  24. De spultjes op ze lopies hewwe. (=Het aardig voor elkaar hebben.) (Zaans)
  25. de viëgel gon autvliege, ze zitte toch al opte boëd vant nès (=die halsuitsnijding is zo diep dat je haar borsten ziet) (Munsterbilzen - Minsters)
  26. de vinks ze, ziëker (=jij hebt ze zeker niet meer allemaal op één rij) (Munsterbilzen - Minsters)
  27. de voeërink van zè gat skijten (=erge buikloop hebben) (Meers)
  28. de voëgel op ze nès pakke (=iemand op heterdaad betrappen) (Munsterbilzen - Minsters)
  29. de wiës bau ze hange (=je kan mijn kl...kussen) (Munsterbilzen - Minsters)
  30. de wiës toch goed ze héndsje oëpe te haage (=als het er op aan komt, weet je toch goed je hand open te houden om mee te profiteren) (Munsterbilzen - Minsters)
  31. de witte dauf zit nog oppet daok (=ze zijn pas gehuwd) (Munsterbilzen - Minsters)
  32. de ziesser heil knieëk (=ze is graatmager) (Bilzers)
  33. De zwarte bessen zijn nog gruun omdat ze nog rooi zien (=De zwarte bessenzijn nog niet rijp) (Eindhovens)
  34. Deb ze moat (=Daar zou je nu toch wel iets van krijgen, zeker?) (Deinzes)
  35. Dèè ei nogàl mèllekflèsse (=ze heeft witte benen.) (Sintrùins)
  36. dee hebt 't nust onder n boom liggene (=ze gaan scheiden) (Achterhoeks)
  37. Dèè hit ze nie allemool op 'n rij. (=Die is niet goed wijs.) (Genker)
  38. dee kan rijme en dichte zonder ze gat oep te lichte (=Iemand die doet alsof hij alles kan) (Walshoutems)
  39. Dèè ziehn ze liehver mèt z'n varse as mèt z'n tiehne. (=Die ziet men liever vertrekken dan komen.) (Genker)
  40. Deeje heej gezwalkt da de verreke aan ze gat koome vrutele (=Hij heeft zich zat gedronken) (Zoutleeuws)
  41. Deer make ze allang knope van; hai komt temet awweer trug (zie ook opmerkingen) (=Iemand is reeds lang geleden overleden.) (Zaans)
  42. Dej is hure struik nie miester (=ze het is een gewillige vrouw) (Heusdens)
  43. Dem mòste ze sjpits make en de grondj in pave (=ze moesten hem de mond snoeren) (Roermonds)
  44. den atste taus wor nog èn de fleur van ze laeve waaj ter nen attak kriëg (=mijn vader was nog kerngezond toen hij een infarct kreeg) (Munsterbilzen - Minsters)
  45. Den burgemister zee tigge de Pestoor, ' ' Haawde Gij ze mar stom, dan haaw ik ze wel erm' ' (=Burgemeester en de Pastoor) (Waalwijks)
  46. Den dag da ze mé maain biene no de notches zulle smaaite (=De dag dat ze met mijn benen naar de nootjes zullen gooien) (Brussels)
  47. den diejen is te grots um te gruten (=ze is te verwaand om te groeten) (Maas en waals)
  48. den diene hee ze nie alle vijve (=niet goed bij zijn verstand) (Lovendegems)
  49. den duuvle lucht ze keîse (=het is me een raadsel) (Kortemarks)
  50. Den èene zene daud és den anere ze braud (=er staan er velen in de rij voor uw (job) ) (Bilzers)




Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen