464 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `ze`
- zeven kleuren bagger schijten (=erg bang zijn)
- zijn eigen luizen bijten hem (=hij wordt gekweld door zijn eigen kinderen)
- zijn hoed staat op halfzeven (=hij is dronken)
- zijn schip voert te grote zeilen (=te veel geld uit geven)
- zijn zeis in een anders koren slaan (=stelen, zich in het werk van iemand anders bemoeien)
- zo dicht als een zeef. (=spottend gezegd van iets met veel zwakke plekken)
- zo lek als een zeef zijn (=heel erg lek zijn)
- zo vast staan als een muts met zeven keelbanden (=erg vast staan)
- zo zeker als de bank (=iemand die in alles te vertrouwen is)
- zo zeker als tweemaal twee vier is (=absoluut zeker)
- zoals het reilt en zeilt (=zoals het zijn gangetje gaat)
- zoden aan de dijk zetten (=daadwerkelijk hulp verschaffen)
- zonder blikken of blozen (=onbeschaamd, zonder zich iets van anderen aan te trekken)
- zuinigheid met vlijt, bouwt huizen als kastelen (=door zuinig en ijverig te zijn, kan men veel bereiken)
696 betekenissen bevatten `ze`
- alle hout is geen timmerhout (=niet iedereen beschikt over dezelfde kwaliteiten / niet alles is van voldoende kwaliteit)
- je hebt luxe paarden en werkpaarden (=niet iedereen heeft dezelfde positie, de een moet harder of zwaarder werken dan de ander)
- niet kunnen hard maken (=niet kunnen bewijzen)
- geen twee missen voor hetzelfde geld doen (=niet tweemaal hetzelfde zeggen of doen)
- een bord voor de kop hebben (=niet voor andere zienswijzen openstaan)
- met de mond vol tanden staan (=niet weten wat je moet zeggen / ergens versteld van staan)
- als hadden geweest is, is hebben te laat. (=niet zeuren over gedane zaken)
- geen hout snijden (=niets bewijzen , niet van toepassing zijn)
- een ei op hebben (=niets durven te zeggen)
- niets in de melk te brokken hebben (=niets te zeggen hebben)
- stommetje spelen (=niets willen zeggen)
- boe noch bah zeggen (=niets zeggen)
- geen mond open doen (=niets zeggen)
- nieuwe heren nieuwe wetten (=nieuwe bazen vaardigen ook nieuwe regels uit)
- andere heren andere wetten (=nieuwe bazen willen nieuwe regels)
- nog niet op eigen benen kunnen staan (=nog niet zichzelf volledig zelfstandig kunnen redden)
- het mes op de keel zetten (=onder sterke druk zetten)
- het ene ongeluk kan niet op het andere wachten. (=ongeluk komt zelden alleen)
- het ene ongeluk roept het ander. (=ongeluk komt zelden alleen)
- de mijn is verkeerd gesprongen (=ongeveer als: wie een put graaft voor een ander, valt er zelf in)
- de daad bij het woord voegen (=onmiddellijk doen wat men zegt te zullen doen)
- zo dom als touw (=onnozelheid of domheid (als in: `Je bent ook zo dom als touw hè?!`))
- uit het zadel wippen. (=ontslaan of uit een functie zetten)
- ongesuikerd zeggen waar het op staat (=onverbloemd de waarheid zeggen)
- iemand ongezouten de waarheid zeggen (=onverbloemd de waarheid zeggen, eerlijk zeggen waar het op staat)
- op het hellend vlak (=onzeker)
- van zijn stuk raken (=onzeker worden en niet meer weten wat te zeggen)
- uilen naar Athene brengen. (=onzinnig werk (er zijn al wijzen=uilen genoeg in Athene))
- met de maat waarmee gij meet, zal u weder gemeten worden (=op de manier zoals je een ander behandelt zal je ook zelf behandeld worden)
- hoc loco (=op deze plaats)
- op dezelfde voet voortzetten (=op dezelfde manier)
- iemand door de mosterd halen (=op duidelijke wijze kenbaar maken wat iemand fout gedaan heeft)
- de bal terugkaatsen (=op een vraag die gesteld wordt geen antwoord geven, maar een tegenvraag stellen; op een kritische opmerking van iemand reageren door zelf ook meteen een kritische opmerking te maken over de ander)
- komen waar de duivel zijn staart keert (=op een zeer onherbergzame plaats aankomen.)
- in het zicht van de haven schipbreuk lijden (=op het laatste nippertje nog verliezen)
- elkaar vliegen afvangen (=op onbeduidende details elkaar beconcurreren dan wel duidelijk willen laten uitkomen dat men zelf gelijk heeft en de ander niet)
- de gebraden haan uithangen (=op onverantwoordelijke wijze erg veel geld uitgeven aan met name lekker eten en drinken)
- de grote klok luiden (=op opvallende wijze bekend maken)
- malletje naar malletje (=op precies dezelfde wijze herhaald)
- het vossenvel aandoen (=op sluwe wijze iets willen bereiken)
- op zee blijven (=op zee vergaan/omkomen)
- tot de jaren des onderscheids komen (=oud genoeg zijn om zelf te weten/mogen wat wel en niet mag)
- heden ik morgen gij (=oud grafschrift: gedenk, lezer, dat jij ook zal sterven)
- oude bomen moet men niet verplanten (=oude mensen doet men liever niet verhuizen)
- oude paarden jaagt men achter de schans (=oudere werknemers worden soms aan de kant gezet)
- het hart op de lippen hebben (=over zijn emoties durven praten - alles zeggen wat men denkt)
- met iemands woorden naar de markt gaan (=overal rondvertellen wat men elders horen zeggen heeft)
- prijs de dag niet voor het avond is (=pas als alles gedaan is kun je zeggen of het goed ging)
- met stomheid geslagen (=plotseling geen woord meer kunnen zeggen)
- tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren (=praktische belemmeringen weerhouden ons van het realiseren van onze plannen.)
50 dialectgezegden bevatten `ze`
- de liefde ès blind, zaag te boer, en hae poende zë vêrkë (=als je van iemand houdt, zie je zijn gebreken niet) (Munsterbilzen - Minsters)
- de liëgës koëmen altijd aut, al moeten de kraeën ze autbringe (=leugens komen altijd uit) (Munsterbilzen - Minsters)
- de lucht kloart al weer wat op (=ze zien het alweer beter zitten) (Westerkwartiers)
- De meiste omaas zeen dik ómdet ze vol leefdje zitte! (=De meeste oma's zijn dik omdat ze vol liefde zitten!) (Kinroois)
- de mes mèr alles geleeve wat ze èn de bikskes sjrijve (=lezen is het fundament van alle wijsheid) (Munsterbilzen - Minsters)
- de moes ëm èn zë vèt loëte stoëvë (=laat hem maar wat razen...) (Munsterbilzen - Minsters)
- de moes nën aaên aop geen maule leiteb trèkke (=je moet oudere mensen niet willen leren hoe ze zich moeten gedragen) (Munsterbilzen - Minsters)
- de moes tich nie op ze nès loëte vange (=je moet goed uitkijken dat ze je niet gemakkelijk bedotten) (Munsterbilzen - Minsters)
- de MOETEkes (jonge kalveren) stoeën èn de stal, mér KAVER (kalveren dommeriken, zij die iets doen omdat ze dat MOETEN doen) lopen overal... (=als iemand het woord MOETEN tegen je gebruikt, antwoord je met....) (Munsterbilzen - Minsters)
- de molp ès al goed ont staute (=ze krijgt al mooie borstjes) (Munsterbilzen - Minsters)
- de paute vanonder ze lijf lope (=het kan niet snel genoeg) (Bilzers)
- de peiringë èn zë graof goën nog këpot van ermoej (=hij leeft als een gierige en zal ook zo sterven) (Munsterbilzen - Minsters)
- de petakke stoawn al skoewn ma ich móet ze nog húuge (=De aardappelen staan al hoog maar ik moet ze nog aanaarden, ophogen) (Walshoutems)
- de petetten (puttettun) zè zocht (=de aardappelen zijn gaar gekookt) (Sint-Niklaas)
- De polis stelt na een onderziek in eomda ze 't goe megeloëk vinge data geld me krimineel zokes te moken heet (=De politie stelt een onderzoek in, omdat zij het niet onwaarschijnlijk acht dat het geld te maken heeft met een criminele activiteit) (Holsbeeks)
- De riuë vloaë ajd'uit (=ze heeft haar maandstonden) (Kaprijks)
- De ro-e vlagge angt ut (=ze heeft haar maandstonden) (Poperings)
- de rook sloog tege nut plaffon (=ze hebben erg ruzie gemaakt) (Oudenbosch)
- de Rus es op bezik (=ze is aan haar maandstonden) (Bilzers)
- de rus ès op bezik (=ze zit met haar maandstonden) (Munsterbilzen - Minsters)
- de russe zin tër wier (=ze heeft haar maandstonden) (Munsterbilzen - Minsters)
- de Russen zin doar....de roo vlag stikt uit, (=ze heeft haar maandregels) (Sint-Niklaas)
- De ruûf hangt deer hóóg (=ze zijn daar arm, het is daar armoedig) (Texels)
- de slimste vérke krijgen ët sjunste stroj (strau) (=de zon schijnt voor iedereen, maar niet iedereen ziet ze) (Munsterbilzen - Minsters)
- De spultjes op ze lopies hewwe. (=Het aardig voor elkaar hebben.) (Zaans)
- de viëgel gon autvliege, ze zitte toch al opte boëd vant nès (=die halsuitsnijding is zo diep dat je haar borsten ziet) (Munsterbilzen - Minsters)
- de vinks ze, ziëker (=jij hebt ze zeker niet meer allemaal op één rij) (Munsterbilzen - Minsters)
- de voeërink van zè gat skijten (=erge buikloop hebben) (Meers)
- de voëgel op ze nès pakke (=iemand op heterdaad betrappen) (Munsterbilzen - Minsters)
- de wiës bau ze hange (=je kan mijn kl...kussen) (Munsterbilzen - Minsters)
- de wiës toch goed ze héndsje oëpe te haage (=als het er op aan komt, weet je toch goed je hand open te houden om mee te profiteren) (Munsterbilzen - Minsters)
- de witte dauf zit nog oppet daok (=ze zijn pas gehuwd) (Munsterbilzen - Minsters)
- de ziesser heil knieëk (=ze is graatmager) (Bilzers)
- De zwarte bessen zijn nog gruun omdat ze nog rooi zien (=De zwarte bessenzijn nog niet rijp) (Eindhovens)
- Deb ze moat (=Daar zou je nu toch wel iets van krijgen, zeker?) (Deinzes)
- Dèè ei nogàl mèllekflèsse (=ze heeft witte benen.) (Sintrùins)
- dee hebt 't nust onder n boom liggene (=ze gaan scheiden) (Achterhoeks)
- Dèè hit ze nie allemool op 'n rij. (=Die is niet goed wijs.) (Genker)
- dee kan rijme en dichte zonder ze gat oep te lichte (=Iemand die doet alsof hij alles kan) (Walshoutems)
- Dèè ziehn ze liehver mèt z'n varse as mèt z'n tiehne. (=Die ziet men liever vertrekken dan komen.) (Genker)
- Deeje heej gezwalkt da de verreke aan ze gat koome vrutele (=Hij heeft zich zat gedronken) (Zoutleeuws)
- Deer make ze allang knope van; hai komt temet awweer trug (zie ook opmerkingen) (=Iemand is reeds lang geleden overleden.) (Zaans)
- Dej is hure struik nie miester (=ze het is een gewillige vrouw) (Heusdens)
- Dem mòste ze sjpits make en de grondj in pave (=ze moesten hem de mond snoeren) (Roermonds)
- den atste taus wor nog èn de fleur van ze laeve waaj ter nen attak kriëg (=mijn vader was nog kerngezond toen hij een infarct kreeg) (Munsterbilzen - Minsters)
- Den burgemister zee tigge de Pestoor, ' ' Haawde Gij ze mar stom, dan haaw ik ze wel erm' ' (=Burgemeester en de Pastoor) (Waalwijks)
- Den dag da ze mé maain biene no de notches zulle smaaite (=De dag dat ze met mijn benen naar de nootjes zullen gooien) (Brussels)
- den diejen is te grots um te gruten (=ze is te verwaand om te groeten) (Maas en waals)
- den diene hee ze nie alle vijve (=niet goed bij zijn verstand) (Lovendegems)
- den duuvle lucht ze keîse (=het is me een raadsel) (Kortemarks)
Bronnen
De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers.
Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook:
- vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen