Spreekwoorden met `rd`

Zoek


475 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `rd`

  1. te woord staan (=luisteren naar en bereid zijn te spreken met)
  2. tegen de verdrukking in groeien (=ondanks zware omstandigheden toch vooruit komen)
  3. trekken aan een dood paard. (=het is een onbegonnen zaak)
  4. tussen de soep en de aardappels (=terloops)
  5. tussen hemel en aarde hangen (=in een lastige situatie verkeren)
  6. twisten om des keizers baard (=om kleinigheden ruzie maken)
  7. uit wiens hand men eet wiens woord men spreekt (=diegene bij wie we ons geld verdienen geven we meestal gelijk)
  8. uitdrogen als een Harderwijker (=alsmaar vervelender worden)
  9. van december tot maart is de schol de pan niet waard (=platvis moet je in de zomer eten)
  10. van een mooi bord kun je niet eten (=aan uiterlijk alleen heb je niets)
  11. van een mooie / knappe tafel kun je niet eten. / Van een mooi bord kun je niet eten. (=knap van uiterlijk heeft ook wel eens nadelen.)
  12. van huis en haard verdreven (=dakloos zijn)
  13. van je á propos gebracht worden (=in de war gebracht worden)
  14. van je paard gevallen zijn (=een positie verliezen)
  15. van koper blijf je proper en van ijzer word je niks wijzer (=koper is veel waard, ijzer niet)
  16. van nul en generlei waarde (=waardeloos)
  17. van stuurboord naar bakboord zenden (=van het kastje naar de muur sturen)
  18. van zijn hart geen moordkuil maken (=zijn gevoelens niet opkroppen / vrijuit zeggen wat je niet bevalt / eerlijk zeggen over hoe er over iets gedacht wordt)
  19. vechten om `s keizers baard (=vechten om niets)
  20. veel voeten in de aarde hebben (=veel moeite en tijd kosten)
  21. verdrinken eer men water gezien heeft (=mislukken voordat het begonnen is)
  22. verkikkerd zijn (=dol zijn op iemand/iets of verliefd zijn op iemand)
  23. verkoop de huid niet voordat de beer geschoten is (=je moet niet geld uitgeven voordat je het hebt verdiend)
  24. vertrouwen komt te voet en gaat te paard (=het is makkelijker om iemands vertrouwen te schaden, dan te verkrijgen)
  25. via de achterdeur (=indirect, onopgemerkt, stiekem)
  26. vieze varkens worden niet vet (=wie overal vies van is, zal niet veel te eten krijgen)
  27. voor geen geld of goede woorden (tot iets bereid zijn) (=niet bereid zijn tot iets, wat iemand ook ervoor biedt, en welke argumenten iemand ook naar voren brengt)
  28. voor geen klein geruchtje vervaard (=niet gauw bang)
  29. voor geen kleintje vervaard zijn (=veel durven)
  30. voor God een baard van vlas maken (=schijnheilig zijn)
  31. vorderen als een luis op een teerton (=erg moeizaam opschieten)
  32. vrienden in nood, honderd in een lood (=wanneer er zich problemen voordoen, laten vrienden je vaak in de steek)
  33. vroeger, toen kraaiden de hanen nog. Tegenwoordig gapen ze alleen nog maar, zei de dove (=veranderingen in een situatie zijn vaak niet feitelijk, maar een subjectieve beleving)
  34. vrouwenhanden en paardentanden staan nooit stil. (=een vrouw is altijd wel wat aan het doen)
  35. waar geen aardappelen gepoot worden, zullen er ook geen groeien (=als je niet een goed begin voor iets legt, zal er ook niets van worden)
  36. waar gehakt wordt, vallen spaanders (=waar werk verricht wordt, worden ook wel wat fouten gemaakt)
  37. waar het paard aangebonden is moet het vreten (=men moet zich naar de omstandigheden schikken)
  38. waar meerderman komt moet minderman wijken (=als een machtig persoon iets zegt, moet de minder machtige zwijgen)
  39. wanneer twee honden vechten om een been, loopt de derde ermee heen (=als twee strijdende personen of partijen zich richten op elkaar, kan een ander daarvan profiteren door zich datgene toe te eigenen waar om gestreden wordt)
  40. wat heb je aan een mooi bord als het leeg is? (=lichamelijke behoeften gaan voor zintuiglijke)
  41. wat helpt fluiten, als het paard niet pissen wil. (=een zinloze oplossing)
  42. wat Jantje is zal Jan worden. (=wel ouder worden maar dezelfde streken houden)
  43. wat was hij op zijn paardje. (=wat werd hij driftig of wat zat hij op zijn praatstoel)
  44. werken als een molenpaard (=hard werken)
  45. werken als een paard (=zeer hard werken)
  46. werken als een paard. (=hard werken)
  47. weten waar Abraham de mosterd haalt (=weten hoe iets in zijn werk gaat; dingen goed snappen)
  48. wie `s nachts gaat vissen moet overdag zijn netten drogen (=wie te veel heeft gedronken is de volgende dag niets waard)
  49. wie de teugel slap laat hangen, kan met een mak paard nog op hol raken. (=blijf altijd aandachtig en geconcentreerd)
  50. wie een paard uit de wei wil halen, moet het beest niet eerst met het halster tegen de kop slaan. (=je bereikt meer met vriendelijkheid, dan met strengheid)

894 betekenissen bevatten `rd`

  1. het kaf van het koren scheiden (=het waardevolle van het waardeloze scheiden)
  2. de maat is vol (=het wordt niet langer getolereerd)
  3. wie het eerst komt, het eerst maalt (=het wordt toegekend aan degene(n) die het eerst komt)
  4. dat schaap zal een zachte dood nemen. (=het wordt vergeten)
  5. oude kerken hebben duistere glazen. (=het zicht wordt minder als je ouder wordt)
  6. zijn pruik staat scheef (=hij is slecht gehumeurd)
  7. boontje komt om zijn loontje (=hij krijgt wat hij verdient, de gevolgen zal iemand altijd wel een keer moeten gaan dragen)
  8. zijn ogen zijn groter dan zijn maag (=hij neemt meer op zijn bord dan hij kan eten)
  9. het is goed aan hem besteed (=hij verdient het, hij zal er op de goede manier mee omgaan)
  10. zijn eigen luizen bijten hem (=hij wordt gekweld door zijn eigen kinderen)
  11. jong geleerd is oud gedaan (=hoe eerder men iets leert, des te langer de vaardigheid zal blijven)
  12. klein is de rouwe, valt de oude koe dood. (=hoe ouder iemand sterft hoe minder het verdriet)
  13. wat doe je voor de kost? (=hoe verdien je je geld?)
  14. grote vissen scheuren het net (=hooggeplaatste personen worden niet zo gemakkelijk gestraft)
  15. wie eten wil moet de kok niet beledigen. (=hou je meerdere te vriend.)
  16. elke ketter heeft zijn letter (=ieder denkt dat de eigen mening bewezen kan worden)
  17. elk vogeltje zingt zoals het gebekt is (=ieder laat zich uit op een wijze die door zijn eigen aard en opvattingen bepaald worden)
  18. wie een kluitje heeft, heeft  er graag een turfje bij (=ieder probeert zijn bezittingen te vermeerderen)
  19. elk is een dief in zijn nering (=ieder zoekt zijn voordeel)
  20. men vindt geen molenaar of hij at gestolen koren. (=ieder zoekt zijn voordeel, ook al is het ten koste van anderen.)
  21. maak je bed zoals je wilt slapen (=iedereen is verantwoordelijk voor zijn eigen daden)
  22. met man en macht iets doen (=iedereen werkt hard mee)
  23. iemand iets in de schoenen schuiven (=iemand aanwijzen als de schuldige of als de verantwoordelijke voor een mislukking)
  24. iemand het licht in de ogen niet gunnen (=iemand absoluut niet kunnen verdragen)
  25. een schurftig paard vreest de roskam (=iemand die aan iets schuldig is, heeft liever niet dat datgeen onderzocht wordt)
  26. ere wie ere toekomt (=iemand die de eer verdient moet die ook krijgen)
  27. zo stom als een vis (=iemand die geen woord zegt)
  28. Jantje Contrarie (=iemand die nooit akkoord is)
  29. een profeet die brood eet (=iemand die waardeloze voorspellingen doet)
  30. een held op sokken (=iemand die zich dapper voordoet, maar in werkelijkheid niets durft. Een bangerik)
  31. iemand de voeten spoelen (=iemand doen verdrinken / in zee verdrinken)
  32. vurige kolen op iemands hoofd stapelen (=iemand een groot schuldgevoel geven door hem onverdiende lof of vriendelijkheid te geven.)
  33. iemand een hengst verkopen. (=iemand een harde klap geven)
  34. iemand een worst voorhouden (=iemand een voordeeltje in het vooruitzicht stellen, teneinde hem te bewegen ergens mee akkoord te gaan)
  35. iemand op het verkeerde been zetten (=iemand ergens een verkeerde indruk van geven, waardoor hij of zij iets gaat denken wat helemaal niet klopt)
  36. iemand van repliek dienen (=iemand gevat antwoorden)
  37. het op iemand begrepen hebben (=iemand goed kunnen verdragen / iemand is altijd de pineut)
  38. iemand wel achter het behang kunnen plakken (=iemand heel vervelend vinden, waardoor je het liefst even helemaal niets meer met hem of haar te maken zou willen hebben)
  39. voor iemand in het krijt treden (=iemand helpen en verdedigen)
  40. iemand iets aansmeren (=iemand iets (weinig waardevols) verkopen)
  41. iemand blij maken met een dode mus (=iemand iets goeds in het vooruitzicht stellen, dat uiteindelijk waardeloos zal blijken te zijn)
  42. iemand van katoen geven (=iemand met een pak slaag of woorden straffen)
  43. met een kluitje in het riet sturen (=iemand met veel woorden niet veel wijzer maken)
  44. iemand niet kunnen zetten (=iemand niet aardig vinden)
  45. het niet op iemand hebben (=iemand niet goed kunnen verdragen)
  46. iets tegen iemand hebben (=iemand niet goed kunnen verdragen)
  47. liever iemand zijn hielen zien dan zijn tenen (=iemand niet goed kunnen verdragen)
  48. iemands bloed wel kunnen drinken (=iemand niet mogen en daardoor alles doen om die persoon te hinderen)
  49. aan de schors blijven hangen (=iemand of iets alleen op het uiterlijk beoordelen)
  50. iemand ongesuikerd zeggen waar het op staat (=iemand ongegeneerd de waarheid zeggen)




Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen