Spreekwoorden met `à`

Zoek


4381 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `à`

  1. als het regent in mei, is april voorbij (=spreekwoord dat de spot drijft met spreekwoorden die open deuren intrappen)
  2. als het schip lek is, gaan de ratten van boord. (=als het verkeerd loopt, laten valse vrienden je in de steek)
  3. als het tij verloopt verzet men de bakens (=men moet zich aan de omstandigheden aanpassen)
  4. als het varken zat is, gooit het de bak om. (=gezegd als iemand geen dankbaarheid toont)
  5. als het voeten heeft (=als de omstandigheden gunstig zijn)
  6. als het water zakt, kraakt het ijs (=elke oorzaak heeft gevolgen)
  7. als Hollands welvaren (=blakend van gezondheid)
  8. als honden konden bidden zou het kluiven regenen (=als is een niet ter zake doende opmerking)
  9. als Ieren en Britten op één land (=twee aartsvijanden in één ruimte)
  10. als ik ze niet hoef te hoeden laat ik de ganzen ganzen zijn (=ik bemoei me niet met andermans zaken als het niet hoeft)
  11. als je alles van tevoren weet, ga je liggen voor je valt (=het heeft geen zin zich na afloop te beklagen over gebrek aan voorkennis. (Meestal in antwoord op klachten als `Als ik dat van tevoren geweten had.`))
  12. als je alles van tevoren wist, dan kwam je met een dubbeltje de wereld rond (=het heeft geen zin zich na afloop te beklagen over gebrek aan voorkennis. (Meestal in antwoord op klachten als `Als ik dat van tevoren geweten had.`))
  13. als je geschoren wordt, moet je stilzitten (=als er scherpe kritiek op je is (je wordt geschoren), kun je beter rustig wachten tot het voorbij is, in plaats van erop in te gaan)
  14. als je hem een vinger geeft, neemt hij de hele hand (=als je iemand een beetje helpt, wil diegene altijd je hulp)
  15. als je je pet ertegenaan gooit dan blijft hij hangen (=dat stukje verfwerk is niet erg vlak uitgevoerd)
  16. als je veel eet, dan ben je lelijk als je dood bent. (=waarschuwing tegen te veel eten.)
  17. als jut voor de haakmand staan (=beteuterd, triest)
  18. als katten muizen, mauwen ze niet (=wanneer je aan het eten bent, praat je niet zoveel)
  19. als klap op de vuurpijl (=een verrassing)
  20. als los zand aan elkaar hangen (=zonder enige samenhang)
  21. als men van de duivel spreekt trapt men hem op zijn staart (=degene waarover men spreekt, laat zich dikwijls op dat moment zien)
  22. als niet komt tot iet dan is het allemans verdriet (=een `parvenu` heeft dikwijls kapsones)
  23. als niet komt tot iet kent iet zichzelf niet (=een `parvenu` heeft dikwijls kapsones)
  24. als oude honden blaffen, is het tijd om uit te zien (=als ervaren mensen waarschuwen moet je luisteren)
  25. als paddenstoelen uit de grond schieten (=snel en in grote massa tevoorschijn komen)
  26. als Pasen en Pinksteren op één dag vallen (=iets wat nooit zal gebeuren)
  27. als proefkonijn dienen (=dienen voor een of ander experiment)
  28. als puntje bij paaltje komt (=als het erop aankomt)
  29. als sardientjes in een blik (=stijf boven op elkaar; dicht opeen)
  30. als sneeuw voor de zon verdwijnen (=ergens niets van over blijven)
  31. als twee honden vechten om een been loopt de derde ermee heen (=als twee mensen ruzie maken, profiteert een derde ervan.)
  32. als warme broodjes over de toonbank gaan (=zeer goed verkopen)
  33. als winnaar/beste uit de bus komen (=iets of iemand blijkt het beste te zijn)
  34. als zwijnen aan de bak gaan (=zonder te bidden gaan eten.)
  35. alsof er een engeltje over je tong piest (=iets lekker vinden)
  36. altijd brood eten verdriet ook. (=een mens wil ook eens een verzetje.)
  37. altijd de kwade pier zijn (=altijd als de schuldige aangewezen worden)
  38. altijd de oude knecht blijven (=geen vorderingen maken (ook geen achteruitgang))
  39. altijd het oude liedje (=steeds weer hetzelfde)
  40. altijd hetzelfde deuntje zingen (=steeds weer hetzelfde herhalen)
  41. ambt geeft verstand. (=een baan gekregen hebben zonder er iets van af te weten)
  42. Amerikaanse toestanden. (=overdreven grote en heftige situatues)
  43. andere heren andere wetten (=nieuwe bazen willen nieuwe regels)
  44. anderhalve man en een paardenkop (=weinig aanwezigen)
  45. andermans boeken zijn duister te lezen (=de toestand of bedoelingen van een ander zijn moeilijk in te schatten)
  46. andermans veren (=iets van een ander (andermans eer))
  47. angst is een slechte raadgever (=laat je niet leiden door angst. / Emoties zijn gevaarlijk)
  48. apen en beren op de weg zien (=bezwaren zien)
  49. appelen/knollen voor citroenen verkopen (=oplichten, bedriegen)
  50. appels met peren vergelijken (=twee totaal verschillende dingen vergelijken)

4419 betekenissen bevatten `à`

  1. goed voorgaan doet goed volgen (=als je zelf op de goede manier handelt, nemen anderen dat vanzelf over)
  2. wie geeft wat hij heeft, is waard dat hij leeft (=als je zoveel geeft zoveel je kunt, dan kan niemand je iets verwijten)
  3. een groene Kerstmis een witte Pasen. (=als Kerst warm is wordt Pasen koud)
  4. meeuwen op het land, onweer aan het strand. (=als meeuwen het binnenland intrekken omdat er slecht weer op zee is)
  5. oude liefde roest niet (=als men al lang verliefd is, verdwijnt die liefde niet meer)
  6. een gegeven paard mag men niet in de bek kijken. (=als men een geschenk krijgt, dan moet men niet zoeken of er hier of daar wat aan mankeert.)
  7. wat men afdingt is het eerst betaald (=als men het goedkoop krijgt, is het vlugger betaald)
  8. honger maakt rauwe bonen zoet (=als men honger heeft, smaakt alles)
  9. wie vuur eet schijt vonken (=als men iets gevaarlijks onderneemt krijgt men nare gevolgen)
  10. wat het huis verliest, brengt het weer terug (=als men iets in huis zoek maakt, komt het meestal vanzelf weer tevoorschijn)
  11. de kruik gaat zo lang te water tot ze barst/breekt (=als men steeds risico`s blijft nemen, gaat het een keer mis)
  12. men moet de schapen scheren maar niet villen (=als men uit hebberigheid de inkomstenbron opoffert heeft men niets meer voor in de toekomst)
  13. oude paarden jaagt men aan de dijk (=als men zijn taak niet goed meer aankan, wordt men ontslagen)
  14. in zijn achterhoofd hebben (=als reserve klaar hebben)
  15. de appel wegdragen/winnen (=als schoonste erkend worden)
  16. iemand in de buik straffen. (=als straf geen eten geven.)
  17. als twee honden vechten om een been loopt de derde ermee heen (=als twee mensen ruzie maken, profiteert een derde ervan.)
  18. twee geloven op een kussen daar slaapt de duivel tussen (=als twee personen van een verschillend geloof trouwen, gaat het zelden goed)
  19. wanneer twee honden vechten om een been, loopt de derde ermee heen (=als twee strijdende personen of partijen zich richten op elkaar, kan een ander daarvan profiteren door zich datgene toe te eigenen waar om gestreden wordt)
  20. haar wil is wet (=als wat zij wil niet gebeurt, dan ontstaan er grote conflicten)
  21. uitdrogen als een Harderwijker (=alsmaar vervelender worden)
  22. zitten alsof men een luis in zijn oor heeft (=alsof hij door zijn geweten beschuldigd wordt)
  23. altijd de kwade pier zijn (=altijd als de schuldige aangewezen worden)
  24. op de kloosters reizen (=altijd bij vrienden of kennissen logeren)
  25. recht door zee gaan (=altijd eerlijk blijven/zijn)
  26. de pastoor gaat voor en de dominee loopt met hem mee (=altijd eerst de machtige mensen, dan de mindere mens)
  27. semper virens (=altijd groen)
  28. het is altijd koekoek éénzang (=altijd hetzelfde verhaal vertellen of zelfde voorbeeld geven)
  29. met alle winden meedraaien (=altijd iedereen gelijk geven)
  30. met alle winden draaien (=altijd iedereen gelijk geven)
  31. met alle winden waaien (=altijd iedereen gelijk geven / door alles en iedereen laten beïnvloeden)
  32. van leugens aaneenhangen (=altijd maar liegen)
  33. draaien als een molen (=altijd meegaan met de heersende mening - naar de mond van de toehoorder praten)
  34. wie veel begeert veel ontbeert (=altijd meer willen maakt ongelukkig)
  35. een bodemloos vat zijn (=altijd te weinig van iets zijn of opraken)
  36. onder een gelukkig gesternte geboren zijn (=altijd voorspoed hebben en gelukkig zijn)
  37. semper idem (=altijd weer hetzelfde)
  38. strijk en zet (=altijd weer opnieuw)
  39. niets dan wonden en builen zoeken (=altijd willen vechten)
  40. niet in een goed vel steken (=altijd ziek zijn, nooit gezond)
  41. ratione officii (=ambtshalve)
  42. ex officio (=ambtshalve)
  43. in een andere vorm gieten (=anders voorstellen)
  44. uit de toon vallen (=anders zijn dan de anderen)
  45. of je worst lust! (=antwoord als iemand `Wat?!` zegt)
  46. april doet wat hij wil (=april geeft onvoorspelbaar weer)
  47. van geld voorzien zijn als een pad van veren (=arm zijn)
  48. winter hebben (=arm zijn)
  49. armoe met eren kan niemand deren. (=arm zijn is niet erg als je maar eerlijk bent)
  50. op de magerste paarden bijten de dazen. (=arme mensen hebben vaak pech)

50 dialectgezegden bevatten `à`

  1. a wet van toeten of bloaze (=hij weet er niets van) (Antwerps)
  2. a wet van tuten noch blèiz'n (=hij weet van niets) (Meers)
  3. a wet watem zei (=hij heeft er verstand van) (Nijlens)
  4. a wièërn / wièërd'a (=je best doen / doe je best) (Kaprijks)
  5. a wiltj a uituër'n (=hij wil je de pieren uit de neus halen) (Meers)
  6. a witte kaaskes in de was (=uw witte kousen in de was) (Aalsters)
  7. a woenjt op ’t oeëgste/d' oeëgste verdiep (=hij woont op de hoogste verdieping) (Meers)
  8. a zal em moete pleiten (=zich moeten aanpassen) (Meers)
  9. a zal ém osten (=hij zal het niet doen) (Meers)
  10. a zal gieënen ouën top skieëren (=hij zal niet oud worden) (Meers)
  11. a zal op zèn banne moete pass'n (=hij zal op zijn hoede moeten zijn) (Meers)
  12. a zal zè sjiejel ni aftrekken (=hij zal niet teveel doen) (Meers)
  13. a zal zè sjiël nie aftrekken (=hij zal zijn zeel niet aftrekken hij zal zich niet uitsloven) (Meers)
  14. a zal zénne wég wél mauken (=hij zal het ver schoppen) (Meers)
  15. A zette zaon sirein oep (=Hij begon te wenen met veel lawaai) (Mechels (BE))
  16. A zit boa Mannekes (=hij is in de middelbare school van Boom) (Booms)
  17. a zit op meine blaak (=in iemands vaarwater zitten) (Nijlens)
  18. a zitj 'r dik in (=hij zit goed bij kas) (Meers)
  19. a zitj mè 't bistj'n (=hij heeft jicht) (Meers)
  20. a zitj mè t'bistj'n (=kater - hij zit met een kater) (Meers)
  21. a zitj met 't bistjen (=een kater hebben) (Meers)
  22. a zitj met d'n afgank (=hij heeft diarree) (Meers)
  23. a zitj mi 't speen (=hij heeft aambeien) (Meers)
  24. a zitj mi 't verskot (=hij heeft rugpijn) (Meers)
  25. a zitj mi de poepers (=hij heeft schrik) (Meers)
  26. a zitj op 'n oeven (=hij is de laatste ongehuwde broer) (Ninoofs)
  27. a zitj op 'n wieër (=blijven doorzagen) (Meers)
  28. a zitj op 't fintrek (=hij zit op de wc) (Meers)
  29. a zitj op 't gemak (=hij is op de wc) (Meers)
  30. a zitj op ‘t eusken (=hij zit op het toilet) (Galmaardens)
  31. a zitj op de zille van de veerdeer (=nog een week wachten en het is aan ons) (Ninoofs)
  32. a zitj op den beroo (=hij is bediende) (Ninoofs)
  33. a zitj op druëg zoeët (=hij heeft geen geld meer) (Meers)
  34. a zitj op zenne zak (=hij is gierig) (Meers)
  35. a zitj op'n oeven (=als laatste van de kinderen ongehuwd blijven) (Ninoofs)
  36. à zôon ende mèns! (=wat een lange kerel!) (Hulsters (NL))
  37. a zou ne seng in twieën bijten (=hij is erg gierig) (Meers)
  38. a zue spel van mauken (=iets belangrijk achten, overschatten) (Wetters)
  39. A-j over de hond koemen, koem ie ook over de start (=Wie A zegt, moet ook B zeggen) (Giethoorns)
  40. A-j over de hond koemen,koem ie ook over de start (=Wie A zegt moet ook B zeggen) (Giethoorns)
  41. a: 't Es aun a (=Het is jouw beurt) (Lebbeeks)
  42. Aaft a toot (=Hou je mond) (Liedekerks)
  43. aagd: Aagd a (ale) goed ee! (=Het beste nog!) (Lebbeeks)
  44. aagt a annen on a gedong (van a velo) (=Hou je handen op je (fiets) stuur) (Aalsters)
  45. achter a gat klabm (=achter je rug praten) (Kaprijks)
  46. adde me gistere g'uud was ek na a mase (=ik ben je slaaf niet) (Leefdaals)
  47. affetur et a / vervjuderd'a (=riskeer het u) (kaprijks)
  48. afgaun: Da gaud a (ni) af (=Dat staat je (niet) goed / dat ligt je (niet) goed) (Lebbeeks)
  49. afgaun: Da gaud a goed af (=Jij bent daar de geschikte persoon voor) (Lebbeeks)
  50. Ajei a stuk in zenne kraag (=Hij heeft een stuk in zijn kraag) (Mechels (BE))




Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen