Spreekwoorden met `ete`

Zoek


280 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `ete`

  1. voorkomen is beter dan genezen (=door voorzichtig te zijn kun je problemen en ongelukken voorkomen)
  2. waar het paard aangebonden is moet het vreten (=men moet zich naar de omstandigheden schikken)
  3. wat de heren wijzen moeten de gekken prijzen (=aan beslissingen van het hoger gezag moet men zich onderwerpen)
  4. wat hansje niet leert zal hans nooit weten (=je moet het eerst leren om het later te kunnen)
  5. we gaan geen ijsje eten (=alles mislukt)
  6. weten hoe de vork in de steel zit (=precies weten wat er gebeurd is)
  7. weten hoe laat het is (=weten hoever het staat)
  8. weten hoe men dat in het vat zal gieten (=de oplossing weten)
  9. weten uit welke hoek de wind waait (=weten hoe het in elkaar zit, wie de baas is)
  10. weten van kikken noch mikken (=nergens van weten)
  11. weten waar Abraham de mosterd haalt (=weten hoe iets in zijn werk gaat; dingen goed snappen)
  12. weten waar de aal kruipt (=de ware bedoelingen van iemand doorzien)
  13. weten waar de schoen wringt (=weten waar het probleem zit)
  14. weten waar men aan toe is (=weten wat men te verwachten heeft)
  15. weten waar Petrus de sleutel had (=op de hoogte zijn van wat niet iedereen weet)
  16. weten wat de klok slaat (=weten hoe laat het is)
  17. weten wat voor vlees men in de kuip heeft (=weten met wat voor iemand men te doen heeft)
  18. wie eten wil moet de kok niet beledigen. (=hou je meerdere te vriend.)
  19. wie gaat slapen zonder te hebben gegeten, staat op zonder te hebben geslapen. (=voor de gezondheid zijn eten en slapen van belang.)
  20. wie honing wil eten moet lijden dat de bijen hem steken (=wie iets wil bereiken moet daar iets voor over hebben)
  21. wie in een boomgaard werkt mag er uit eten / van de druiven eten. (=voordeel halen uit je werk.)
  22. wie met de duivel uit één schotel wil eten, moet een lange lepel hebben. (=het valt niet mee iemand te bedriegen, die er zelf bedrieglijke parktijken op na houdt.)
  23. wie niet werkt zal niet eten (=wie niet werkt verdient de kost niet)
  24. wie werkt als een paard zal haver eten. (=hard werken is voor de meeste mensen geen garantie op een goed inkomen)
  25. willen weten welk vlees men in de kuip heeft (=eerst willen weten hoe iemand is)
  26. willens en wetens iets doen (=met opzet)
  27. zich de kaas niet van het brood laten eten (=opkomen voor iets)
  28. zien eten doet eten. (=iemand zien eten bevordert de eigen eetlust.)
  29. zoete broodjes bakken (=dingen zeggen om een goede indruk achter te laten bij mensen met invloed)
  30. zweten als een aandrager (=overmatig zweten)

374 betekenissen bevatten `ete`

  1. met de mond vol tanden staan (=niet weten wat je moet zeggen / ergens versteld van staan)
  2. niets om het lijf hebben (=niets betekenen, geen waarde hebben)
  3. op je lauweren rusten (=niets doen en genieten van de vrije tijd)
  4. er geen bal van weten (=niets ervan weten)
  5. een wassen neus zijn (=niets te betekenen hebben)
  6. geen naam mogen hebben (=niets te betekenen zijn)
  7. geen sjoege hebben van (=niets weten over)
  8. krakende wagens lopen/rijden het langst (=nieuw hoeft niet altijd beter te zijn / mensen die vaak ziek zijn worden vaak toch heel oud)
  9. nieuwe bezems vegen schoon, maar oude bezems kennen alle hoeken en gaten (=nieuwe medewerkers (of: nieuwe leiders) pakken de zaken grondig aan, maar oude medewerkers (of: oude leiders) weten hoe het moet op grond van ervaring)
  10. uit de pot van Egypte eten (=nog thuis eten bij de ouders die voor je zorgen)
  11. iets voor de boeg hebben (=nog werk te doen hebben. / Nog iets mee moeten maken)
  12. eten als een dijker. (=onbeschoft veel eten.)
  13. op de knieën zitten (=onderworpen zijn, geen oplossing meer weten)
  14. eten als een varken. (=ongemanierd eten.)
  15. van zijn stuk raken (=onzeker worden en niet meer weten wat te zeggen)
  16. de bal terugkaatsen (=op een vraag die gesteld wordt geen antwoord geven, maar een tegenvraag stellen; op een kritische opmerking van iemand reageren door zelf ook meteen een kritische opmerking te maken over de ander)
  17. er gloeiend bij zijn (=op heterdaad betrapt zijn)
  18. de gebraden haan uithangen (=op onverantwoordelijke wijze erg veel geld uitgeven aan met name lekker eten en drinken)
  19. op een droogje zitten (=op visite zijn en niks te eten of drinken krijgen)
  20. naar binnen spelen (=opeten)
  21. achter de kiezen hebben (=opgegeten hebben)
  22. achter de knopen hebben (=opgegeten hebben)
  23. het paard ruikt de stal (=opschieten om gauw thuis te komen)
  24. tot de jaren des onderscheids komen (=oud genoeg zijn om zelf te weten/mogen wat wel en niet mag)
  25. zweten als een aandrager (=overmatig zweten)
  26. dominee brand je bekje niet (=pas op! Het eten of de drank is heet!)
  27. van december tot maart is de schol de pan niet waard (=platvis moet je in de zomer eten)
  28. het klappen van de zweep kennen (=precies weten hoe het eraan toegaat, ervaren zijn)
  29. door en door kennen (=precies weten hoe iemand is)
  30. weten hoe de vork in de steel zit (=precies weten wat er gebeurd is)
  31. er haring of kuit van willen hebben (=precies willen weten hoe het in elkaar steekt)
  32. de tafel de nodige eer bewijzen. (=smakelijk gaan eten.)
  33. er is een tijd van spreken en er is een tijd van zwijgen. (=soms is het beter om niets te zeggen)
  34. het eten niet meer op kunnen. (=spoedig moeten sterven.)
  35. een snijder heeft maar een darm. (=spotternij van boeren, die veel meer eten dan de kleermaker.)
  36. een tere snaar aanroeren (=spreken over iets waar men beter niet over had gesproken)
  37. in de bres springen (=te hulp schieten)
  38. de hond in de pot vinden (=te laat zijn voor het eten (alles is op))
  39. je buik op de leest slaan (=te veel eten)
  40. katjes die muizen miauwen niet (=tijdens het eten wordt er veel minder gesproken)
  41. tussen hamer en aanbeeld (=tussen twee slechte dingen moeten kiezen)
  42. uit de luizen zijn (=uit een netelige situatie gered zijn)
  43. tussen twee vuren zitten (=uit twee slechte dingen moeten kiezen)
  44. ongegund brood wordt veel gegeten. (=vaak kan men het niet verdragen dat het een ander beter gaat.)
  45. arbeid adelt (=van hard te werken word je een nobeler/beter mens)
  46. naar iets mogen kijken (=van iets moeten afblijven)
  47. een smulpaap zijn (=van lekker eten houden)
  48. voor de fret zijn (=van lekker eten houden)
  49. nu breekt mijn klomp (=van verbazing niet meer weten wat te zeggen)
  50. vis laat de mens zoals hij is (=van vis eten wordt je niet dik)




Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen