Spreekwoorden met `ze`

Zoek


464 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `ze`

  1. het op de zenuwen hebben (=zenuwachtig zijn)
  2. het paard dat de haver verdient krijgt ze niet (=diegene die het goede gedaan heeft, krijgt de beloning niet)
  3. het pleit beslechten/beslissen/verliezen (=de zaak definitief verliezen)
  4. het ruime sop kiezen (=de haven uitvaren)
  5. het vaatje op zijn kant zetten (=het vat leegmaken (uitdrinken))
  6. het vuur aanblazen (=de ruzie erger maken)
  7. het water loopt altijd naar de zee (=zij die al het meest hebben, krijgen ook het meeste)
  8. het zal daar kluizen (=er zal hevige ruzie zijn)
  9. het zal je kind maar wezen (=je zal er maar voor op moeten draaien)
  10. het zal me worstwezen (=het maakt voor mij geen enkel verschil)
  11. het zeil (hoog) in de top halen (=een grootse vertoning weggeven)
  12. het zeil in top zetten (=een zo goed mogelijke vertoning weggeven)
  13. het zeil strijken (=het opgeven / flauw vallen / van iemand verliezen)
  14. het zijn niet allen jagers die op de hoorn blazen. (=schijn bedriegt, je kunt je in mensen vergissen)
  15. hij zeit wat (=honend gezegd van iemand die iets stoms zegt)
  16. hoer en tollenaar zijn onze lieve Heer ook dierbaar (=hoe slecht je afkomst is, God houdt van je)
  17. hongerige luizen bijten scherp (=met de arme mensen heeft men de meeste last)
  18. hoog van de toren blazen (=het grote woord willen hebben / opscheppen)
  19. horen zeggen is half gelogen. (=wat je via via hoort is niet altijd waar)
  20. horzels steken niet en hommels doden niet. (=mensen met een grote mond dragen het minste bij)
  21. huizen op iemand kunnen bouwen (=sterk op iemand kunnen vertrouwen)
  22. huizenhoog springen (=erg gelukkig zijn)
  23. ieder is zichzelf het naast (=iedereen kiest in het slechtste geval voor zichzelf)
  24. iemand aan de dijk zetten (=iemand ontslaan)
  25. iemand de deur wijzen (=iemand wegsturen)
  26. iemand de duimschroeven aanzetten (=iemand scherp ondervragen, onder grote druk zetten)
  27. iemand de ijzers aanleggen (=iemand boeien of onder grote druk zetten)
  28. iemand de les lezen (=duidelijk zeggen dat iemand iets verkeerds gedaan heeft)
  29. iemand de pen op de neus zetten (=streng ondervragen of aanpakken)
  30. iemand de tekst/les lezen (=iemand scherp berispen)
  31. iemand de voet dwars zetten (=tegenwerken)
  32. iemand de wacht aanzeggen (=een laatste waarschuwing geven)
  33. iemand de wind uit de zeilen nemen (=iemand dwars zitten)
  34. iemand een bril op de neus zetten (=iemand terechtwijzen of dwingen gehoorzaam te zijn)
  35. iemand een hak zetten (=met iemand een gemene streek uithalen)
  36. iemand een kroon opzetten (=iemand eer bewijzen)
  37. iemand een luis in de pels zetten (=iemand last bezorgen)
  38. iemand een pen op de neus zetten (=iemand dreigend vermanen)
  39. iemand het gat van de deur wijzen (=iemand zeggen dat die het pand moet verlaten of iemand wegsturen)
  40. iemand het mes op de keel zetten (=iemand onder zware druk zetten)
  41. iemand het vierkante gat wijzen (=iemand de deur wijzen, wegsturen)
  42. iemand iets betaald zetten (=wraak nemen of straffen)
  43. iemand in het zeer tasten (=bij iemand de gevoelige plek raken)
  44. iemand in het zonnetje zetten (=iemand op positieve wijze aandacht geven, iemand eer bewijzen)
  45. iemand in zijn kielwater zeilen (=iemand op de hielen volgen)
  46. iemand naar het peperland zenden (=iemand ver van huis sturen)
  47. iemand niet kunnen zetten (=iemand niet aardig vinden)
  48. iemand ongesuikerd zeggen waar het op staat (=iemand ongegeneerd de waarheid zeggen)
  49. iemand ongezouten de waarheid zeggen (=onverbloemd de waarheid zeggen, eerlijk zeggen waar het op staat)
  50. iemand op het verkeerde been zetten (=iemand ergens een verkeerde indruk van geven, waardoor hij of zij iets gaat denken wat helemaal niet klopt)

696 betekenissen bevatten `ze`

  1. in het water vallen (=falen (een opzet, een voornemen, een plan), mislukken, niet doorgaan)
  2. de bietenbrug opgaan (=falen, ten onder gaan, zwaar verliezen)
  3. aan lager wal geraken (=fortuin verliezen; arm en berooid worden)
  4. kind noch kraai hebben (=geen nazaten of andere familieleden hebben, alleen rekening moeten houden met zichzelf)
  5. geen twee hanen op een erf/werf (=geen twee bazen voor hetzelfde werk)
  6. geen twee deuntjes voor één cent zingen (=geen zin hebben hetzelfde nog een keer te herhalen)
  7. een gek en zijn geld blijven nooit lang bij elkaar (=geld uitgeven aan nutteloze en onnodige dingen)
  8. bij kleine hapjes leert men een hond eten. (=geleidelijk aan kun je zelfs aan onmogelijke dingen wennen.)
  9. bij kleine lapjes leert men de hond leer eten. (=geleidelijk aan wen je zelfs aan de onmogelijkste dingen.)
  10. geluk en glas breekt even ras. (=geluk is niet vanzelfsprekend)
  11. aan de beterhand (=genezend, herstellend)
  12. hoog spel spelen (=gevaarlijk spel spelen, veel inzetten)
  13. wat baten kaars of bril, als de uil niet zien en wil. (=gezegd als een koppig iemand advies of hulp negeert)
  14. je kan er je kont niet keren (=gezegd als het erg druk is)
  15. over de koppen kunnen lopen (=gezegd als het erg druk is)
  16. je moet om de beurt ademhalen (=gezegd als het erg druk is)
  17. met de benen buiten hangen (=gezegd als het erg druk is)
  18. als het varken zat is, gooit het de bak om. (=gezegd als iemand geen dankbaarheid toont)
  19. de deugd zit in het midden. (=gezegd als iemand tussenin zit)
  20. er wordt een erfenis verdeeld. (=gezegd als iets erg lang duurt)
  21. op één been kan je niet lopen. (=gezegd als je één drankje gehad hebt en meer wilt)
  22. dood gaan we allemaal. (=gezegd als je iets ongezonds doet)
  23. arbeid is voor de dommen. (=gezegd als je liever op twijfelachtige wijze geld verdient dan op een eerlijk manier)
  24. achterom is kermis (=gezegd als voorlangs niet de voorkeur heeft)
  25. een nieuwe voordeur krijgen (=gezegd bij het bereiken van een tiende levensjaar, dus 10, 20, 30 etc.)
  26. een goede gevel versiert het huis. (=gezegd over mensen met een grote neus)
  27. als de rechte Adam komt gaat Eva mee (=gezegd van `n meisje dat liever niet wil trouwen)
  28. beer op sokken (=gezegd van een dik, plomp persoon)
  29. het regent bakstenen (=gezegd van een hevige hagelbui)
  30. goed van de tongriem gesneden (=gezegd van een vlotte prater)
  31. Hollands welvaren (=gezegd van een zeer gezond uitziend persoon)
  32. iets in zijn holle kies kunnen stoppen (=gezegd van eten : het is de moeite niet, het is te weinig)
  33. zo komt het luie zweet eruit (=gezegd van iemand die hard werkt)
  34. het grondsop is voor de goddelozen (=gezegd van iemand die het laatste restje uitdrinkt)
  35. de maan komt al door de bomen/wolken (=gezegd van iemand die kaal begint te worden)
  36. een holle darm. (=gezegd van iemand die veel eet)
  37. een tong als een scheermes (=gezegd van iemand die venijnig uithaalt met woorden)
  38. alle goede dingen bestaan in drieën (=gezegd van iets waarvan men er twee heeft en een derde wil krijgen)
  39. in de kleinste potjes zit de beste pommade/zalf (=gezegd van uitzonderlijk kleine personen)
  40. goede waar prijst zichzelf (=goed materiaal moet niet aangeprezen worden)
  41. met een baksteen in de maag geboren worden (=graag een huis willen hebben dat van jezelf is, dat je eigendom is)
  42. geef mijn fiets terug (=grapje om Duitsers te wijzen op de Tweede Wereldoorlog, toen er veel fietsen geconfisqueerd werden)
  43. haring in het land, dokter aan de kant (=haring eten is zeer gezond; haring is zelfs één van de beste vissen voor je gezondheid)
  44. steen en been vriezen. (=heel hard vriezen (alles wordt zo hard als steen en botten))
  45. er de hand voor in het vuur steken (=heel zeker weten dat iets zo is)
  46. met een lantaarn te zoeken (=heel zeldzaam , moeilijk te vinden)
  47. zwijgen als het graf (=helemaal niets zeggen en/of totaal niets over iets vertellen)
  48. zwijgen in alle talen (=helemaal niets zeggen, niets van zich laten horen)
  49. het oude liedje (=het al zo vaak gebeurde of gezegde)
  50. het is zo lang als het breed is (=het blijft hetzelfde, hoe je het ook bekijkt)

50 dialectgezegden bevatten `ze`

  1. aziuë smijdn ze de keunènk zijn antschoens iuëk (=wanneer men iemand iets toegooit) (Kaprijks)
  2. azje doorrege spek van eur vêrkes wiltj sni-jje, mojje ze um d'n angersten daag honger laote li-jje (=iets slim aanpakke) (Weerts)
  3. Azue zee ze zij tege mij (=Zo zei zij tegen mij) (Lokers)
  4. B'ons, búllie en b'alleman bikke ze butjes (=Bij ons, bij jullie, overal eten ze ribjes) (Brabants)
  5. ba zè pietje pakkn (=beetnemen) (Meers)
  6. bau ën hin dab, moet ze ook aeitë (=als je ergens werkt, heb je daar oook recht op eten) (Munsterbilzen - Minsters)
  7. bau ën hin dab, moet ze ook konne aete (=je werkt, moet je ook te eten krijgen) (Munsterbilzen - Minsters)
  8. bau en hin dab, pik ze ook (=waar je werkt, mag je ook eten) (Munsterbilzen - Minsters)
  9. Bau éster nau (én ze vel atter nie gestreep és) (=waar is hij nu toch) (Munsterbilzen - Minsters)
  10. bau ne wil és, ésne waeg (=een vrouw kan je moeiteloos zover krijgen, dat ze ook doet wat ze zelf allang wilde) (Bilzers)
  11. bè hullie hèn ze pòrtefeseeschööfdeure (=bij hun hebben ze dubbele schuifdeuren) (Tilburgs)
  12. bekik daai éns, seffës vilt zë atërjeuver van kwoalëchéts (=over een trotse vrouw) (Tongers)
  13. belofte mok sjuld en dae ze nie hult kraajg nen dikke bult (=beloften worden gemaakt om te houden) (Munsterbilzen - Minsters)
  14. Ben je vereen (=Plagend gebruikt, als iemand vraagt wat er gezegt wordt vragen ze iets anders dat er een beetje op lijkt, bijv. 'ver heen' 'alleen') (Monnickendams)
  15. Bertës van de Sjeiper wor zjus dezelfde aster mèt ze piëd on kaffei bij Zjengske èn Hiëseld stond (=Bertus x werd ook geregeld door zijn paard teruggereden van bij Café Welkom in Heesveld) (Munsterbilzen - Minsters)
  16. bèste nau pas aut ze bèd, tès mekan noen (=nu al wakker) (Munsterbilzen - Minsters)
  17. beste wier mèt zë kaud been auttët bed opgestoën (=weer niet goedgemutst) (Munsterbilzen - Minsters)
  18. bèste ze sjiethaajf ont têlle (=handen uit je zakken!) (Munsterbilzen - Minsters)
  19. bie Buze spoten ze vroeher mee ruuk (=bij Buijze spoten ze vroeger met eau de cologne) (Zaamslags)
  20. Bie ons thuus hete ze allemoal Jan, Behalleve Frits, Die hete Henderik (=Bij ons thuis heetten ze allemaal Jan, Behalve Frits, Die heette Henderik) (Nijkerkerveens)
  21. bie ze pietje pakken (=beetnemen) (West-Vlaams)
  22. bie ze pietje pakn (=beetnemen) (Veurns)
  23. bij ze kebensje griepe (=in de kraag grijpen) (mestreechs)
  24. bloskes: ze mokt a bloskes wouijs (=ze speldt je iets op de mouw) (Lebbeeks)
  25. boa ze schabbernak pakke (=bij zijn kraag vatten) (Willebroeks)
  26. champetter, op a gat stoet een letter, op a bille stoet een o, ge zè ne dikke merteko (=veldwachter rijmpje) (Meers)
  27. d' er mi ze klakk' achter smietn (=ernaar raden) (Veurns)
  28. d' er ze kot in en (=heimelijke voldoening beleven aan) (Veurns)
  29. D' er ze schcoeërs oender steek'n (=Zich voor iiets nzetten) (Veurns)
  30. d'n die ziet druit alsof ze in d'r nest zaikt (=zij ziet er onhygiënisch uit) (Hendrik-Ido-Ambachts)
  31. d'rop vlieëgn lik Stoffel op ze katte (=flink aanpakken) (Veurns)
  32. d' er is serieus nen ' oek af (=Hij heeft ze niet op een rijtje) (Melseels)
  33. d' r is gen begién te begesselen of ze zien urbié (=er als de kippen bij zijn) (Budels)
  34. Da hemme ze hie nogal afgebiljaard (=Dat is slecht afgewerkt) (Nijlens)
  35. da kiend lat ze lip angn (=dat kind pruilt) (Kortemarks)
  36. da kiend zet ze kip (=dat kind schreit) (Kortemarks)
  37. da kraajgste nog op ze braud (=dat verwijt krijg je nog wel) (Munsterbilzen - Minsters)
  38. da sal zè gat foaren (=dat is hij niet gewoon) (Sint-Niklaas)
  39. da speelt in ze kaortn (=dat komt hem goed uit) (Kortemarks)
  40. da vielste on ze watter (=dat weet je van te voren) (Munsterbilzen - Minsters)
  41. Da we ze nog laank meugen meugen (=Dat we ze nog lang lusten) (Bevers)
  42. da zal dik taige ze gat gesniefd zèn (=hij zal zwaar ontgoocheld zijn) (Tiens)
  43. da zal op niet endigen gullèk Wannes zè wezen (=dat zal op niets eindigen) (Sint-Niklaas)
  44. Da ze denken dat ze Zwieten dan hemme ze genne kaa (=Wat zullen de mensen denken ....) (Herentals)
  45. da zé fantelatieren (=dat zijn bijkomstigheden, onbelangrijke dingen) (Sint-Niklaas)
  46. da zé kosten op ' t steirf uis (=nutteloze, overbodige uitgaven doen) (Sint-Niklaas)
  47. da ze schaite lupt (=ze kan de pot op) (Dendermonds)
  48. da zè wittebuiken (=kersen met een witte vlek?) (Sint-Niklaas)
  49. da zè woaterratten (=kinderen die veel en graag zwemmen) (Sint-Niklaas)
  50. Da-w ze nog lange maggen lusten kriegen zal wel gaon (=Een borreltje) (Giethoorns)




Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen