Spreekwoorden met `mijn`

Zoek


50 dialectgezegden bevatten `mijn`

  1. dun stjoep van minnen duim doe zeer (=de top van mijn duim doet pijn) (Sint-Niklaas)
  2. è wel jeire (=Oh, mijn god!) (Kortrijks)
  3. êdde krêike (=zin in wat op mijn bord ligt?) (Zottegems)
  4. ée goatter geen putjes mee zeeken (=hij gaat mijn geld niet opdoen) (Sint-Laureins)
  5. een kot in maan kaws (=Een gat in mijn kous) (Mols)
  6. Een peir tege mijnen appel (=Een klap tegen mijn hoofd) (Herentals)
  7. Ekkes mun klauwuh wassuh (=Even mijn handen wassen) (brabants)
  8. engelken: Pessies en engelken dad op mijn tong pist (=Wat een lekker drankje) (Lebbeeks)
  9. es mien tante kluutjes houw, waas ze miene noenk (=als mijn tante teelballetjes had, was ze mijn nonkel) (Opglabbeeks)
  10. ewk mee te zijne in ik mee mijn predde (=ieder met zijn eigen partner) (Kaprijks)
  11. G'et zwerte knienen Melanie. Ge moetj'ze wassen dak'et zie. En as ze gewassen zijn meugde ze steken bij de mijn. (=Je hebt zwarte knieën Melanie. Je moet ze wassen dat ik ze zie. En als ze gewassen zijn mag je ze stoppen bij mijn knieën.) (Bambrugs)
  12. gaode gij vor mijn nog effe gaawis naor de wienkel (=wil je voor mij vlug nog eens een boodschap doen) (Oudenbosch)
  13. garla: (Goeid) oët mijne garla! (=(Ga) uit mijn weg!) (Lebbeeks)
  14. Ge bring mie uut miin spèl! (=Je stoort mijn concentratie!) (Harelbeeks)
  15. Ge keud ier allemoal mijne zak opbloazen (=Jullie kunnen mijn zak opblazen (ik doe niet meer mee) ) (Lokers)
  16. ge keun mijn uure kusse (=bekijk het maar) (Gents)
  17. ge kunt berrevoets men vaur opdraitse (=je kan mijn rug op) (Overijses)
  18. ge kunt gij vierkantig mijn kljuutn kuisn (=je kan de hoogste boom in) (Berchems)
  19. Ge loopt in menne pad (=Je loopt voor mijn voeten) (Wuustwezel)
  20. ge moet-er mijn kadde van klabm (=dat lijkt me nogal vanzelfsprekend) (Kaprijks)
  21. ge mut is tegoei kaake, 'tzit bezaan in men tes (=je moet eens goed kijken, het zit opzij van mijn broekzak) (Heist-op-den-Berg)
  22. Ge stuid in menne zjoer (=Je staat in mijn weg) (Aarschots)
  23. gè zè me zoeteken (=jij bent mijn liefste) (Sint-Niklaas)
  24. ge zet de nagel van men doewedskist (=je bent mijn grootste vijand) (Wommersoms)
  25. ge zij mijn beste keppe (=je bent mijn liefste schat) (Waregems)
  26. Ge zijt er mee aan 't loteren (=U bent met mijn voeten aan het spelen) (Zelzaats)
  27. geddin mijn roapen gescheten (=je hebt me onrecht aangedaan) (Vels)
  28. gerigeleerd achter men vasse (=Regelen achter mijn rug) (Zoutleeuws)
  29. Gien lid an me laif. (=Geen haar op mijn hoofd.) (zaans)
  30. gifde gij mijn effekes een stukske kaes? (=mag ik een stukje kaas?) (Brabants)
  31. gij goa mee mijn de kachel nie oanmoake (=je kan met mij niet doen wat je wil) (Gastels)
  32. Gij goa mee mijn gin elluf ure luien (=Ik laat niet met me sollen, ik laat me niet voor de gek houden) (Roosendaals)
  33. Gij hangt vierkant men klowete uit ze moat (=Je werkt op mijn zenuwen) (Geels)
  34. gij maok mee mijn nie de kachel aon (=ik laat mij niet door jou bezighouden) (Oudenbosch)
  35. Gij mok mijn de zeik nie lauw (=Jij maakt mij niet overstuur) (Geldermalsens)
  36. Gisteren zwaar begaaid, kwaai van 't padje af (=Was gisteren goed feest, erg naar mijn zin gehad) (Brabants )
  37. goa moar 'n pooske topp'n op 'd ossemaarkt (=ga asjeblieft even uit mijn buurt) (Westerkwartiers)
  38. Goa uit menne schietlap (=Ga uit mijn weg.) (Stekens)
  39. God zegent oe en god bewaurd oe (van den dievel en de groten tirk) (=Wat mijn vader zei als ik ging slapen..) (Maldegems)
  40. goit van mijn plansier (=ga van mijn voetpad af) (Londerzeels)
  41. got (gank) aut mën zon! (=onder mijn voeten uit!) (Munsterbilzen - Minsters)
  42. Gou duit menne schiettelap (=Ga uit mijn weg) (Bevers)
  43. gu mot mee oe poten van m'n jong blijve (=je moet van mijn kind afblijven) (brabants)
  44. gudder ne de mert, chmoet nog gruun kuul en e bitske poor hemme veur men sop (=ga je naar de markt, ik moet nog groene kool hebben en een beetje prei voor mijn soep) (Heusdens)
  45. ha spjokte in menne nek (=hij spuwde in mijn nek) (Hulshouts)
  46. haatop mét te mauze én maajn prulle (=hou op met te snuffelen in mijn zaken) (Bilzers)
  47. He swa (=Goedendag mijn waarde vriend) (Achterhoeks)
  48. Hebdege moane frak gezien (=Heb je mijn jas gezien) (Schels)
  49. Het dut mij zeer in de narm (=Ik heb pijn in mijn arm) (Hoogeveens)
  50. Het jokt mij zo op mien rugge (=Het jeukt mij zo op mijn rug) (Hoogeveens)




Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen