Spreekwoorden met `op de`

Zoek


162 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `op de`

  1. op de kaak spelen (=zich aanstellen)
  2. op de kaart zetten (=gemaakt tot iets waar rekening mee gehouden wordt.)
  3. op de keien komen (=ontslagen worden)
  4. op de keien staan (=werkloos zijn)
  5. op de kleintjes letten (=zuinig zijn. Ook de kleine uitgaven proberen terug te dringen)
  6. op de klippen lopen (=mislukken)
  7. op de kloosters reizen (=altijd bij vrienden of kennissen logeren)
  8. op de knieën zitten (=onderworpen zijn, geen oplossing meer weten)
  9. op de koffie komen (=zonder afspraak ergens heen gaan)
  10. op de koop toe (=bovendien)
  11. op de koop toe nemen (=een onbedoeld gevolg accepteren)
  12. op de kop af (=nauwkeurig / precies, exact)
  13. op de kop tikken (=voor een goede prijs iets kopen)
  14. op de lange baan schuiven (=iets uitstellen of vertragen.)
  15. op de lappen (=een beetje opgeknapt - op stap om te drinken)
  16. op de lat kopen (=zonder te betalen iets kopen en daarmee schulden maken)
  17. op de letter (=heel nauwkeurig uitgesproken)
  18. op de magerste paarden bijten de dazen. (=arme mensen hebben vaak pech)
  19. op de man af (=direct, zonder omwegen)
  20. op de markt werpen (=overal aanbieden)
  21. op de penning zestien (=zeer duur)
  22. op de penning zijn (=gierig zijn)
  23. op de pianist schieten (=de onschuldige (de brenger van het nieuws) straffen)
  24. op de pit leunen (=zich laten voorzeggen (door toneelspelers))
  25. op de pof komen (=iets kopen zonder direct te betalen)
  26. op de poot spelen (=bij de kleinste tegenslag flink te keer gaan/razen)
  27. op de proppen helpen (=iemand steunen en verder helpen)
  28. op de reutel (=op afbetaling)
  29. op de rooi af (=op goed geluk geschat)
  30. op de schobberdebonk leven (=dakloos zijn en/of bedelend leven)
  31. op de schopstoel zitten (=elk ogenblik ontslagen kunnen worden)
  32. op de tast (=op het gevoel, zonder te zien)
  33. op de tong liggen (=zeggensklaar zijn)
  34. op de valreep (=op het laatste ogenblik)
  35. op de vingers kijken (=(Op een vervelende manier) scherp toezien hoe iemand iets doet, zodat elke fout direct opgemerkt wordt)
  36. op de vingers zien (=streng op iemand opletten)
  37. op de voet volgen (=stap voor stap volgen)
  38. op de voorgrond staan (=onder de aandacht staan)
  39. op de voorgrond treden (=onder de aandacht treden)
  40. op de vuist gaan (=knokken)
  41. op de wereld schijten (=overal maling aan hebben)
  42. op de wip zitten (=elk ogenblik ontslagen kunnen worden)
  43. op de wipstoel zitten (=elk ogenblik ontslagen kunnen worden)
  44. op den boer (=op den buiten)
  45. op dezelfde golflengte zitten (=het grotendeels eens zijn)
  46. op dezelfde leest geschoeid zijn (=erg op elkaar lijken)
  47. op dezelfde voet voortzetten (=op dezelfde manier)
  48. pas op de plaats maken (=geen voortgang maken. Geen groei of ontwikkeling doormaken)
  49. plat op de buik gaan (=aan iemand toegeven, zich overleveren)
  50. tot op de draad versleten (=helemaal versleten)

50 dialectgezegden bevatten `op de`

  1. dao is alles naovenant: de pispot op de taofel en de kjeskomp ònger 't bèd (=dat is een huishouden van Jan Steen) (Aelsers)
  2. Dao kèns te op de blote vot mit nao Kölle rieje (=Als een schaar erg bot is:) (Sittards)
  3. Dao kin se mei op de vot nao Kölle (=Een bot mes) (Veldens)
  4. dao liekt 'n houte sjink op de taofel (=over een familie die armoede lijdt) (wijlres)
  5. dao veurt e sjeeëp op de knaal (=Daar vaart een boot op het kanaal) (Neerharens)
  6. Daomit kinse op de bloote vot nao Kölle (Kaeveleer) rieje. (=Het mes is bot.) (Roermonds)
  7. daor is een vreemde haane op de mèspluize ewest (=die heeft overspel gepleegd) (Oldebroeks)
  8. daor kundaltijd op de klep valle (=daar ben je altijd welkom) (Oudenbosch)
  9. Das zèk (zeik) op de rik (=Dat is onzin / gezeur) (Geldermalsens)
  10. dat kin naait! (=het is helaas onmogelijk op de manier die u nu handhaaft.) (Gronings)
  11. Dat ku'j baeter verdragen as un möltjen op de latten. (=Dat smaakt goed, dat is niet slecht.) (Aaltens)
  12. dat lik zwaur op de maog (lett.) ; dat lik op de laever (fig.) (=dat ligt zwaar op de maag) (Bilzers)
  13. dat meulend maar op 't zelfde seeltje deur (=dat maalt maar op de zelfde vergunning door) (Wierings)
  14. Dat smaak of dich ein èngelke op de tòng pis!! (=Dat is een heerlijk drankje!!) (Steins)
  15. dat wichtje is nogal trugholl'nd (=dat meisje houdt zich op de vlakte) (Westerkwartiers)
  16. de achterste poat d'rfoor sette (=de puntjes op de i zetten) (Bildts)
  17. de bek op slaon (=op de mond slaan) (Sallands)
  18. de bès viël sjündër aste laachs (=lach eens op de mensen) (Munsterbilzen - Minsters)
  19. de boek op de lieste zetten (=Te veel te hebben gegeten) (Giethoorns)
  20. de boin’op sijn (=op de baan zijn) (Kaprijks)
  21. de bróm opdreie (=kinderen kietelen op de onderrug) (Heitsers)
  22. De dêik òpgân; effe òp de dêik kêike (=Uitgaan) (Volendams)
  23. de dûvel drit altied op de grootste hoop (=De rijken worden het meest bevoordeeld) (Epers)
  24. de duvel schaijt aeltijd op de grôte hoop (=De grootste rijke rotzakken hebben het meeste geluk in het leven en vangen nog meer geld dan nodig is: vangen het meeste geld.) (Utrechts)
  25. de duvel schit altied op de dikste bult'n (=wie geld heeft krijgt er nog meer bij) (Westerkwartiers)
  26. de duvel sjietj altied op dezelfdje houp (=dat komt op de verkeerde plek terecht; mensen die het al goed hebben krijgen alleen nog maar meer) (Heitsers)
  27. De flosj (af)trekken (=op de kermismolen een gratis rit mogen maken (letterlijk). Geluk hebben (figuurlijk).) (bambrugs)
  28. de flosj pakk'n (=kwast op de kermismolen (die recht geeft op een gratis rit)) (Meers)
  29. de goit verzette Kan ook gewoon in huis op de wc. (=urineren (buiten)) (Westfries)
  30. De haane op de knippe haolden. (=op de centen letten.) (Sallands)
  31. De haann op de knippe holln. (=De handen op de portemonnee houden.) (Sallands)
  32. de hand op de knip hebben (=zuinig zijn) (Genneps)
  33. de hëbs de naogel op de kop geslaoge! (=dat heb je heel juist gezegd!) (Munsterbilzen - Minsters)
  34. De huirtuitse brekke kome de bouwelse beirege aflekke (=de herenthoutse kinderen komen spelen op de Bouwelse bergen) (Grobbendonks)
  35. de kantenier, iës Vanheusde van Miëseme, en ternoë Gus Stas van on de staose èn Minster, onderhoele de waeg en de slaute van Minster, zaumèr èn hun ééntsje opte viloo mètten sjoep enne bessem...en twor ammel goed onderhaage (=de respektievelijke kantoniers, Vanheusden van Meershoven en Guust Stas van Munster, onderhielden de straten en grachten van Munster zomaar in hun ééntje, met schop en bezem op de fiets...en het was netter dan nu.) (Munsterbilzen - Minsters)
  36. De kat komt op de koor (=De aap komt uit de mouw) (Lenniks)
  37. de kèttël ophange (=de moor of kasserol op de hete kachelplaat zetten) (Munsterbilzen - Minsters)
  38. de kieës op te vloj (=de kers op de taart) (Munsterbilzen - Minsters)
  39. de klets weg kriege (=verkouden worden door op de tocht te staan) (Heitsers)
  40. De klup is op de vot. (=De club is failliet, opgeheven, op de fles) (Roermonds)
  41. de koe stuuetj dich (=werd gezegd als iemand te dik de boter op de boterham smeerde) (Heitsers)
  42. de kok n vaeg autte pan gaeve (=een timmerman op de vingers tikken) (Munsterbilzen - Minsters)
  43. de kop van Jut roak'n (=de spijker op de kop slaan) (Westerkwartiers)
  44. de maus op te stang zitte (=kom hier maar bij me op de fiets) (Munsterbilzen - Minsters)
  45. de meeste strontvliege vèndste trèg op de maogërste beiste (=de armste mensen worden het meest uitgebuit) (Munsterbilzen - Minsters)
  46. de mêrt(ë) doen (=leuren op de markt) (Munsterbilzen - Minsters)
  47. De meubels op de wiend zetten (=Koffie zetten) (Giethoorns)
  48. de minsen stingen allegoare t'hope op den diek (=de mensen stonden op een kluitje op de dijk) (Terneuzens)
  49. De motrice van de nonantdeuj es gederailleit op den aiguillage van den avenulouees (=De motorwagen van tram 92 is ontspoord op de wissel aan de Louizalaan) (Brussels)
  50. de muër stoe te zojjen op de stoof (=de moor staat te koken op de kachel) (Meers)




Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen