Spreekwoorden met `RU`

Zoek


193 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `RU`

  1. hij zal mijn koffer niet kRUien (=hem zal ik mijn zaken niet toevertrouwen)
  2. hora RUit (=de tijd vliet snel) (Latijn)
  3. ieder huisje heeft zijn kRUisje (=er mankeert overal wel iets)
  4. ieder moet zijn eigen kRUis dragen (=ieder moet zijn eigen tegenslagen verwerken)
  5. iemand met de neus op de feiten dRUkken (=iemand iets zó onder de aandacht brengen, dat hij het niet langer kan negeren)
  6. iemands voetstappen dRUkken (=iemands voorbeeld volgen of hetzelfde beroep gaan doen)
  7. iets op een procRUstesbed leggen (=een regeling zo toepassen dat hij er voordeel van heeft)
  8. in de RUnning (=in competitie - doet nog mee)
  9. in febRUari klagen de boeren het minst. (=boeren klagen altijd maar februari heeft de minste dagen om in te klagen (grapje))
  10. in iemands huid kRUipen (=zich in een ander verplaatsen)
  11. in kannen en kRUiken zijn (=alles is geregeld)
  12. in zijn schulp kRUipen (=zich in zichzelf terugtrekken, niet verder aandringen)
  13. je dRUk maken over (=je kwaad maken om, je aantrekken van)
  14. je ellebogen gebRUiken (=zich ten koste van anderen opwerken)
  15. je het apelazaRUs werken (=heel hard werken)
  16. je het apelazeRUs schrikken (=heel heftig schrikken)
  17. je kan wel dansen al is het niet met de bRUid (=je kan ook wel tevreden zijn met iets minder dan het beste)
  18. je kRUit droog houden (=geen onnodige acties ondernemen of energie verspillen.)
  19. je kRUit op de mussen verschieten (=zijn woorden verspillen)
  20. je kRUit verschoten hebben (=uitgeput zijn, niets meer kunnen doen)
  21. je kRUk ergens tussen steken (=ergens ter hulp komen)
  22. je kunt nooit weten waar een paling kRUipt (=zeg nooit nooit)
  23. je kunt wel dansen, ook al is het niet met de bRUid (=je kunt je best amuseren ook al is het niet altijd precies wat je zou willen)
  24. je moet geen `hei` roepen voordat je de bRUg over bent (=vreugde over een goede afloop is pas toepasselijk als er niets meer verkeerd kan gaan)
  25. je schaduw vooRUit werpen (=zich onheilspellend aankondigen)
  26. je snor dRUkken (=afwezig blijven / zijn werk niet doen)
  27. je verstand gebRUiken (=het verstandig aanpakken)
  28. je weren als een kat in de kRUllen (=je fel verweren)
  29. je ziet eRUit als een afgegoten patat (=katerig)
  30. jesus nazarenus rex judaeoRUm (=jezus van Nazareth, koning der Joden) (Latijn)
  31. kRUis noch munt hebben (=geen geld hebben)
  32. kRUis of munt gooien (=ervoor loten)
  33. kRUisjes achter de RUg hebben (=tientallen jaren oud zijn)
  34. kRUit noch lood hebben (=helemaal ongewapend zijn)
  35. lazaRUs zijn (=dronken zijn)
  36. liegen of/dat het gedRUkt staat (=heel erg hard liegen)
  37. lont RUiken (=ergens het vermoeden toe hebben / het gevaar tijdig aanvoelen)
  38. maart heeft een kRUl in zijn staart. (=in maart kan het wisselvallig zijn)
  39. met de RUg tegen de muur staan (=geen kant op kunnen, hooguit een laatste uitweg)
  40. met los kRUit schieten (=schijnbaar streng straffen met een straf die in feite geen nadeel oplevert)
  41. moet is een bitter kRUid. (=dingen die men moet doen kunnen onaangenaam of vervelend zijn.)
  42. na gedane arbeid is het goed RUsten (=als een klus geklaard is kan men er tevreden op terug kijken)
  43. niet RUim kunnen soppen (=niet erg rijk zijn)
  44. onder de vijgenboom RUsten (=in rust en welstand leven)
  45. onder de wol kRUipen (=naar bed gaan)
  46. onkRUid vergaat niet (=het slechte is moeilijk uit te roeien)
  47. ook de beste boom geeft slechte vRUchten (=zelfs goede ouders kunnen kinderen hebben die het verkeerde pad inslaan.)
  48. op elkaar lijken als twee dRUppels water (=precies op elkaar lijken)
  49. op het glazen bRUggetje geweest zijn (=in doodsgevaar zijn geweest, op het nippertje ontsnappen)
  50. op het hart dRUkken (=met de grootste nadruk zeggen)

234 betekenissen bevatten `RU`

  1. niemand genoemd, niemand gelasterd. (=het vermijden van het noemen van namen voorkomt onnodige RUzie)
  2. met gelijke munt betalen (=hetzelfde kwaad teRUgdoen)
  3. dat is koren op zijn molen (=hij zal dat meteen gebRUiken als argument voor wat hij toch al wilde)
  4. het heilig kruis achterna geven (=hopen dat iets of iemand nooit meer teRUgkomt)
  5. ieder vist op zijn getij (=iedereen maakt gebRUik van het geschikte ogenblik)
  6. iemand in de luren leggen (=iemand bedriegen of misbRUiken)
  7. iemand de ijzers aanleggen (=iemand boeien of onder grote dRUk zetten)
  8. een hennentaster (=iemand die zich dRUk maakt om ongelegde eieren)
  9. het zonnetje in huis (=iemand die zorgt voor een goede, opgeRUimde sfeer)
  10. iemand pootje lichten (=iemand doen stRUikelen)
  11. iemand een worst voorhouden (=iemand een voordeeltje in het vooRUitzicht stellen, teneinde hem te bewegen ergens mee akkoord te gaan)
  12. iemand op het verkeerde been zetten (=iemand ergens een verkeerde indRUk van geven, waardoor hij of zij iets gaat denken wat helemaal niet klopt)
  13. iemand blij maken met een dode mus (=iemand iets goeds in het vooRUitzicht stellen, dat uiteindelijk waardeloos zal blijken te zijn)
  14. kroes haar kroeze zinnen (=iemand met gekRUld haar is wispelturig)
  15. iemand op zijn voorman zetten (=iemand nadRUkkelijk op zijn plicht wijzen)
  16. iemand het vuur na aan de schenen leggen (=iemand onder dRUk zetten)
  17. iemand het mes op de keel zetten (=iemand onder zware dRUk zetten)
  18. iemand de duimschroeven aanzetten (=iemand scherp ondervragen, onder grote dRUk zetten)
  19. iemand op zijn nummer zetten (=iemand zeer nadRUkkelijk op zijn fouten wijzen, op een wijze die voor die persoon beschamend is)
  20. een voetveeg zijn (=iemand zijn die voor minderwaardige klusjes gebRUikt wordt)
  21. het werkt als haarlemmerolie (=iets dat overal voor te gebRUiken is)
  22. vaste voet aan de grond krijgen (=iets gedaan krijgen en/of als gebRUikelijk beschouwd gaan worden)
  23. te/van pas komen (=iets goed kunnen gebRUiken)
  24. een goede beurt maken (=iets heel goed doen, een goede indRUk maken)
  25. een spiering uitwerpen om een kabeljauw te vangen (=iets kleins aan een ander geven met de gedachte zelf iets groots teRUg te krijgen)
  26. er op hameren (=iets voortdurend benadRUkken)
  27. met een metworst naar een zij spek gooien (=iets weinig waardevols opofferen om iets waardevols teRUg te krijgen)
  28. dat zal mijn klomp niet roesten (=ik maak me er niet dRUk om; het kan mij niet schelen)
  29. nood zoekt list. (=in benarde situaties worden ongebRUikelijke oplossingen gevonden)
  30. het zwart op wit hebben (=in geschreven of gedRUkte vorm. Gedocumenteerd)
  31. haring bij de vleet (=in overvloed. (Een `vleet` is een groot net dat door de haringloggers werd/wordt gebRUikt.))
  32. onder de vijgenboom rusten (=in RUst en welstand leven)
  33. op je tandvlees lopen (=in totale uitputting voortdoen, zijn laatste krachten gebRUiken)
  34. in het achterschip geraken (=in zaken achteRUit gaan)
  35. aan de heidenen overgeleverd (=in zware moeilijkheden - in de macht van mensen zonder scRUpules)
  36. je (te) sappel maken (=je (te) dRUk over iets maken)
  37. langzaam aan, dan breekt het lijntje niet (=je kunt beter RUstig doorwerken, dan kan er het minste fout gaat)
  38. de aanval is de beste verdediging (=je kunt in een strijd of RUzie beter zelf actie ondernemen dan afwachten)
  39. op twee oren slapen (=je mag geRUst zijn)
  40. hooi als de zon schijnt (=je moet de gelegenheid gebRUiken als die zich voordoet)
  41. je katoen houden (=je RUstig houden)
  42. twist verkwist. (=je schiet niets op met RUzie maken)
  43. de melk optrekken (=je woord teRUgnemen, je belofte niet helemaal vervullen)
  44. met de witte perdekies naar Velzeke rijden (=krankzinnig worden. In Velzeke bevindt zich een sanatorium; de `witte perdekies` (witte paardjes) verwijzen naar een ziekenwagen, waarmee de geestesgestoorde afgevoerd wordt. UitdRUkking uit het zuiden van Oost-Vlaanderen)
  45. geen zorgen voor de dag van morgen (=maak je nu nog niet dRUk over mogelijke toekomstige problemen)
  46. in het schuitje zitten en mee moeten varen (=mee moeten doen, zich niet meer kunnen teRUgtrekken)
  47. een gehuurd paard en eigen sporen maken korte mijlen. (=men is geneigd andermans spullen te misbRUiken)
  48. met een dood kalf is het goed sollen (=men kan geRUst wat proberen met iets dat al verloren is)
  49. op het hart drukken (=met de grootste nadRUk zeggen)
  50. op het hart binden (=met de grootste nadRUk zeggen)




Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen