Spreekwoorden met `oet`

Zoek


203 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `oet`

  1. een ziekte komt te paard en gaat te voet. (=snel ziek worden, maar langzaam genezen)
  2. er een melkkoetje aan hebben (=er veel voordeel uit kunnen halen)
  3. er geen tekeningetje bij moeten maken (=het is overduidelijk)
  4. er is klei aan de kloet/knikker (=er is iets mis)
  5. eraan moeten geloven (=of iemand wil of niet, het moet toch gebeuren)
  6. gaan doet komen (=als je ergens moeite voor doet komen dingen ook jouw kant op)
  7. geen voet verzetten (=niet bewegen - niets willen doen)
  8. geen voetbreed wijken (=hard op zijn standpunt blijven)
  9. geld verzoet de arbeid (=geld dat je krijgt maakt het harde vervelende werk weer goed)
  10. geliefdes kijven doet liefde bedrijven. (=na een ruzie tussen geliefden volgt liefde)
  11. gissen doet missen (=als je niet zeker bent van je zaak maar gokt, gaat het meestal fout)
  12. goed voorbeeld doet goed volgen (=als je zelf op de goede manier handelt, nemen anderen dat vanzelf over)
  13. goed voordoen doet verkopen. (=presentatie is belangrijk als je iets wil verkopen)
  14. goed voorgaan doet goed volgen (=als je zelf op de goede manier handelt, nemen anderen dat vanzelf over)
  15. het gras voor de voeten wegmaaien (=de woorden uit de mond nemen - alle kansen ontnemen)
  16. het harde woord moet eruit (=het onaangename moet gezegd worden)
  17. het kind moet (toch) een naam hebben (=passend of niet, je moet het kunnen noemen)
  18. het komt te paard en het gaat te voet. (=ziekte en ongeluk komen vaak heel plotseling, maar het duurt lang voordat men weer hersteld is)
  19. het leven is geen zoete krentenbol (=het is niet altijd zo mooi, iedereen heeft wel eens tegenvallers)
  20. het moet uit de lengte of uit de breedte komen (=het moet hoe dan ook uitgespaard worden)
  21. het moet zo tussen neus en lippen gebeuren (=het moet bijna ongemerkt gebeuren)
  22. het paard moet tot de kribbe komen. (=wie belang heeft bij een zaak moet er zelf op uit gaan)
  23. het staat geschreven en gedrukt je moet krabben waar het jeukt (=problemen bij de bron aanpakken)
  24. honger maakt rauwe bonen zoet (=als men honger heeft, smaakt alles)
  25. hoop doet leven (=als je kan hopen op betere tijden, dan krijg je toch weer levenslust / zo lang je nog hoop hebt zijn er ook nog mogelijkheden)
  26. ieder moet zijn eigen kruis dragen (=ieder moet zijn eigen tegenslagen verwerken)
  27. ieder moet zijn eigen stoep schoonvegen (=ieder moet zijn eigen problemen oplossen - zich afvragen of hij zelf schuldig is)
  28. iedereen moet zijn last dragen (=ieder heeft zijn problemen)
  29. iemand de voet dwars zetten (=tegenwerken)
  30. iemand de voet kussen (=erg onderdanig naar iemand doen)
  31. iemand de voet lichten (=iemand op gemene manier de baan afnemen)
  32. iemand de voeten spoelen (=iemand doen verdrinken / in zee verdrinken)
  33. iemand een poets bakken (=een grap met iemand uithalen)
  34. iemand het gras voor de voeten wegmaaien (=iemand alle kansen ontnemen)
  35. iemand iets voor de voeten gooien (=iemand met iets confronteren)
  36. iemand iets voor de voeten werpen (=iemand beschuldigen van iets)
  37. iemand van het hoofd tot de voeten meten (=iemand heel nauwkeurig onderzoeken)
  38. iemands voetstappen drukken (=iemands voorbeeld volgen of hetzelfde beroep gaan doen)
  39. iemands voetveeg zijn (=iemands slaaf zijn (zich alles moeten laten welgevallen))
  40. iets voetstoots aannemen (=iets geloven zonder bewijs)
  41. iets voor het voetlicht brengen (=iets onder de aandacht brengen)
  42. iets voor zoete koek aannemen (=iets geloven wat je hoort of ziet zonder kritisch te zijn.)
  43. iets voor zoete koek slikken (=iets zomaar geloven)
  44. in het schuitje zitten en mee moeten varen (=mee moeten doen, zich niet meer kunnen terugtrekken)
  45. je doet de boter in de pan, maar bakt er niks van (=denken dat je iets begrijpt, terwijl je dat niet doet)
  46. je in de eigen voet schieten (=jezelf benadelen)
  47. je koetjes op het droge hebben (=genoeg (geld) hebben voor de rest van het leven)
  48. je kunt niet met twee voeten in één sok (=twee onverenigbare zaken kunnen niet worden gecombineerd)
  49. je moet de kat niet aan de kaas laten komen. (=zorg voor niet te veel verleiding)
  50. je moet de snaren niet te sterk spannen (=je moet niet al te streng zijn, niet al te veel eisen)

272 betekenissen bevatten `oet`

  1. de grote vissen eten de kleine (=de ondergeschikten moeten doen wat de baas zegt / het slachtoffer worden van overmacht.)
  2. wie de pot breekt betaalt de scherven (=de veroorzaker van schade moet de situatie zelf rechtzetten.)
  3. je doet de boter in de pan, maar bakt er niks van (=denken dat je iets begrijpt, terwijl je dat niet doet)
  4. denken met kousen en schoenen in de hemel te komen (=denken dat men zich niet moet inspannen)
  5. die is niet voor de poes (=die moet als tegenstander niet onderschat worden)
  6. een kattenrug maken (=diep buigend groeten)
  7. moet is een bitter kruid. (=dingen die men moet doen kunnen onaangenaam of vervelend zijn.)
  8. de tijd vliet snel gebruik hem wel (=doe wat je moet doen, terwijl je nog kan)
  9. met de wolven (in het bos) huilen (=doen wat de meerderheid doet)
  10. al doende leert men (=door iets vaak te doen, leert men hoe het moet.)
  11. moeten kiezen of delen (=een (vervelende) keus moeten maken)
  12. je mag wel ergens anders honger krijgen, als je thuis maar komt eten. (=een getrouwde man mag wel met knappe meisjes flirten, daar moet het bij blijven.)
  13. een wolf in de schaapskooi. (=een gevaarlijk iemand die zich als onschuldig voordoet)
  14. een wolf in schaapskleren (=een gevaarlijk iemand die zich als onschuldig voordoet)
  15. het juiste midden vinden (=een goed evenwicht vinden tussen twee tegengestelde aanpakken. Bijvoorbeeld, als het er om gaat hoeveel bevoegdheden de politie moet hebben om de rechtsstaat te handhaven)
  16. eet vis, als er vis is. (=een gunstige gelegenheid moet men niet ongebruikt laten voorbijgaan.)
  17. de bui zien hangen (=een ongunstige situatie aanvoelen voordat deze zich daadwerkelijk voordoet)
  18. een kool stoven (=een poets bakken)
  19. een loer draaien (=een poets bakken)
  20. ten hemel schreiend (=een toestand die zo erg is dat er eigenlijk direct iets aan gedaan zou moeten worden)
  21. ergens geen kwaad kunnen doen. (=een zeer positieve reputatie hebben ongeacht wat je doet)
  22. verandering van spijs doet eten (=eens iets anders te doen doet de mens goed)
  23. ruggespraak houden (=eerst ergens over moeten overleggen)
  24. de kost gaat voor de baat uit (=eerst moeten er kosten worden gemaakt alvorens men er iets aan verdienen kan)
  25. niet over een nacht ijs gaan (=eerst nadenken voor men iets doet - geen risico`s nemen)
  26. de rapen zijn gaar (=er is een probleem waar direct iets aan gedaan moet worden)
  27. geen twee kapiteins op één schip (=er moet maar één persoon de leiding hebben, anders gaat het niet goed)
  28. een zondagssteek houdt geen week (=er rust geen zegen op het werk wat iemand op zondag doet)
  29. een gezicht als een oorwurm trekken (=erg ontevreden kijken (omdat er bijv. iets gedaan moet worden))
  30. aan de latten hangen (=ermee ophouden - bijna bankroet zijn)
  31. de boeken sluiten (=ermee stoppen - bankroet gaan)
  32. korte rekeningen maken lange vriendschappen. (=financiële geschillen moet je direct oplossen)
  33. kind noch kraai hebben (=geen nazaten of andere familieleden hebben, alleen rekening moeten houden met zichzelf)
  34. het geld groeit niet op de rug (=geld komt niet zomaar binnen, er moet hard voor gewerkt worden)
  35. dood gaan we allemaal. (=gezegd als je iets ongezonds doet)
  36. een goed begin heeft een goed behagen maar het eindje zal de last dragen (=goed beginnen is prima, maar je moet volhouden tot het einde)
  37. goede waar prijst zichzelf (=goed materiaal moet niet aangeprezen worden)
  38. van wanten weten (=goed weten hoe men iets moet aanpakken)
  39. heb het hart eens (=heb de moed om dat te doen. (Eigenlijk: als je dat doet, zal ik je ongenadig straffen))
  40. de haring braadt hier niet (=het gaat niet zoals het zou moeten)
  41. daar hangt de po uit (=het is niet zoals het zou moeten zijn)
  42. het moet zo tussen neus en lippen gebeuren (=het moet bijna ongemerkt gebeuren)
  43. het moet uit de lengte of uit de breedte komen (=het moet hoe dan ook uitgespaard worden)
  44. het harde woord moet eruit (=het onaangename moet gezegd worden)
  45. fiat justitia (=het recht moet zegevieren)
  46. fiat justitia et pereat mundus (=het recht moet zegevieren ook al vergaat de wereld)
  47. de vis wordt duur betaald (=het vergt veel opoffering ( je moet er wat voor over hebben) om te krijgen wat je wilt)
  48. iemand uit de tent lokken (=het voor elkaar krijgen dat iemand ergens een uitspraak over doet)
  49. naar de maan lopen (=het wel mogen vergeten / weg moeten gaan)
  50. al vaak met dat bijltje gehakt hebben (=het werk al vaker gedaan hebben en weten hoe het moet)

50 dialectgezegden bevatten `oet`

  1. dat hangt maën keil oët (=dat heb ik niet graag) (winksels)
  2. Dat hingt mich 't sjót oet (=Daar heb ik schoon genoeg van) (Mechels (NL))
  3. Dat hink mich de sjtraot oet (=De strot uithangen) (Gelaens (Geleens))
  4. Dat is ónger de vuit oet (=Dat is aan de kant) (Sittards)
  5. dat ligk wied oet de slaag (=dat is ver uit de buurt) (Steins)
  6. De deur oet de hengen lopen (=De deur plat lopen) (Drents)
  7. de dieke oet de dunne raape (=minimaal actief zijn (van boeren in de winter) ) (Hamonter)
  8. De ein kre-j piktj de ânger gein oug oet (=Vrienden helpen elkaar) (Weerts)
  9. de erte oet höbbe (=het verbruid hebben) (Steins)
  10. de fiene fleur oet hangen (=zich fijntjes voordoen, doen als van betere komaf) (Venloos)
  11. de koffie oet höbbe (=de koffie opgedronken hebben) (Heitsers)
  12. De kreije valle oet de loch (=Het is ontieglijk warm) (Mestreechs)
  13. de man oet nog nen heiring waaj ter daud wos (=de man at nog een haring toen hij dood was) (Munsterbilzen - Minsters)
  14. de man oet nog nen heiring waaj ter daus wor (=dat is gemakkelijk) (Munsterbilzen - Minsters)
  15. de tösje oet pitsje (=er tussenuit knijpen) (Berg en Terblijts)
  16. de vreugmes keumt ônger de hoeëmes oet (=als de onderrok onder de jurk uit komt) (Weerts)
  17. de vrouwe kan mear met de portemonnee ' t hoes oet drèègn, dan de boer d' r met de schoefkoare in kan veurn (=de vrouw kan meer uitgeven dan de boer kan verdienen) (Twents)
  18. DET GEIT DOOR AL GEIT ' T KUEPKE DEN BOÓM oet (=ZEER ZEKER DOOR LATEN GAAN) (Maasbrees)
  19. det haet hae maar schoeën oet d'n aek gedreit (=dat heeft hij maar mooi voor elkaar gekregen / mooi gezegd) (Venloos)
  20. det hingtj mich de vot oet (=ik ben er klaar mee) (Heitsers)
  21. det is sjoeën oet d’n aek gedreidj (=dat is mooi opgelost) (Heitsers)
  22. Det keumptj mich doeër mien naas en oeëre oet (=Ik heb er genoeg van) (Weerts)
  23. Det kin ik oèt de ef (=Dat kan ik uitstekend) (Venloos)
  24. Det kump oet ein gooj weij. (=Zij is van goede afkomst.) (Roermonds)
  25. det litsj mich oet de hènj (=dat glijdt me uit de handen) (Sint-joasters)
  26. det meuktj gaar(oet) niks oet (=dat maakt niets uit) (Heitsers)
  27. det meuktj gein poes oet (=dat maakt helemaal niets uit) (Heitsers)
  28. Dich kèns mich gans de buim in! Du hubs 'n pan oet (=Jij bent helemaal gek!) (Valkenburgs)
  29. diech de tösse oet make (=maken dat je weg komt) (Mestreechs)
  30. dievel'n: Wau es 'n nottoe? 't Land oët de dievel'n tell'n. (=Waar is hij naartoe? Ik weet / zeg het niet / je hebt er geen zaken mee) (Lebbeeks)
  31. doa komt allieën den doemp oët de scha (=daar zijn ze gierig) (winksels)
  32. doar komt gain gebak oet (=allemaal het zelfde) (Gronings)
  33. Doe juugs 'm neet oet gen kuuël (=Hij is geen slimmerik) (Mechels (NL))
  34. Doe most die de ogen oet de kop schoamen (=Jij moet je diep schamen) (Gronings)
  35. Doe zies oet of es te ater 'n haag has gelamd. (WT) (=Er belabberd uitzien) (Mechels (NL))
  36. du hings mich 't sjaot oet (=je verveelt me) (Sjeeter plat)
  37. E es oët de ket gevlochten (=hij is goed gekleed) (Liedekerks)
  38. eeder ziene meug, zach 't menke, en 't oet vlêge (=ieder doet zijn eigen zin) (Weerts)
  39. eemes de peerike oet zien naas haale (=Iemand het hemd van het lijf vragen) (Weerts)
  40. Een grote heidedobbe is ontstaon oet een klein wellegie (=Uit iets kleins kan iets groots voort komen) (Drents)
  41. Ei waer òm oet sjtaele te gaon. (=Het is guur weer, je ontmoet niemand) (Roermonds)
  42. eit oaw telluur oet (=eet uw bord uit) (Neerpelts)
  43. emes de perik oet de naas haole (=iets van iemand te weten willen komen) (Tegels)
  44. Emes de vot oet hange (=Iemand continu lastig vallen) (Steins)
  45. er e gat oët goan (=snel rijden) (Winksels)
  46. Es te aod bès doortj 't langer óm oet te röste es óm meug te waere! (=Wanneer je oud bent duurt het langer om uit te rusten dan om moe te worden!) (Kinroois)
  47. gank oet de wiek, gank ane wiek, wiek dich (=ga aan de kant) (Heitsers)
  48. garla: (Goeid) oët mijne garla! (=(Ga) uit mijn weg!) (Lebbeeks)
  49. ge hoeft nè alles oet de bus te bloazen (=je hoeft niet alles te verklappen) (Budels)
  50. geine klauw oet staeke (=geen hand uitsteken) (Geuls)




Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen