Spreekwoorden met `mo`

Zoek


285 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `mo`

  1. de molen is/loopt door de vang (=de zaak of persoon is in de war (gek))
  2. de mond roeren (=van zich laten horen, spreken)
  3. de mond snoeren (=tot zwijgen brengen)
  4. de morgen doet het werk. (=`s morgens ben je het productiefst)
  5. de mossel doet de vis afslaan. (=veel slechte waar op de markt doet de prijzen van de goede waar dalen)
  6. de ochtendstond/morgenstond heeft goud in de mond (=door vroeg te beginnen kan men meer werk verrichten)
  7. de oudste moet de wijste zijn (=van het oudste kind wordt het meeste verwacht)
  8. de smoor in hebben (=er een geweldige hekel aan hebben)
  9. de tramontane kwijt zijn (=het spoor bijster zijn)
  10. de vermoorde onschuld spelen (=net doen alsof je van niets weet)
  11. de voorsten doen wat de achtersten niet mogen (=wie eerst komt is in het voordeel)
  12. de woorden uit de mond halen/nemen (=zeggen wat de ander ook net wou zeggen)
  13. denken moet je aan een paard overlaten, dat heeft een groter hoofd (=niet te veel denken maar doen)
  14. denken moet je aan een paard overlaten, die hebben een groter hoofd. (=je moet niet te veel denken)
  15. die molen maalt langzaam (=dat gaat traag)
  16. die snaar moet men niet aanroeren (=daarover moet niet gesproken worden)
  17. die wel doet, wel ontmoet. (=wie anderen goed behandelt, kan zelf goede behandeling verwachten.)
  18. donkere morgens mooie dagen. (=een slecht begin hoeft geen mislukking te zijn)
  19. door de molen halen (=een zeer uitgebreide procedure doen ondergaan)
  20. draaien als een molen (=altijd meegaan met de heersende mening - naar de mond van de toehoorder praten)
  21. duren is een mooie stad (=nu is het goed, maar blijft dat zo?)
  22. een (modder)figuur slaan (=een belachelijke of domme indruk maken)
  23. een glas op zijn tijd houdt de mot uit de maag. (=wordt gezegd door mensen die graag een borreltje lusten)
  24. een goed mondstuk hebben (=goed kunnen spreken)
  25. een goeie vis moet drie keer zwemmen (=in het water, in de boter of kookvocht en in de wijn)
  26. een grote mond hebben/opzetten (=brutaal zijn)
  27. een klap van de molen (beet) hebben (=niet goed bij het verstand zijn)
  28. een klap van de molen gekregen hebben (=niet goed meer bij verstand zijn)
  29. een kleine aardappel moet je niet schillen (=aan mensen die weinig geld hebben, moet je niet veel geld vragen)
  30. een mens moet werken voor de brok en voor de rok. (=je moet werken om te kunnen eten en kleding te kunnen kopen.)
  31. een mond als een hooischuur (=een grote of erg brutale mond)
  32. een mooi span voor een bokkenwagen (=een zonderling koppel)
  33. een mop met een baard (=een oude mop)
  34. een morse muur is snel afgebroken (=een slechte zaak gaat niet lang mee)
  35. een mot in de maag hebben (=honger lijden)
  36. een oude boom moet je niet verpoten. (=ouderen houden niet van veranderingen)
  37. een paard met een zachte mond moet men met zachte toom besturen. (=zachtaardige mensen moet men niet streng behandelen)
  38. een rollende steen vergaart geen mos. (=voortdurende verandering werpen vaak geen vruchten af)
  39. een Salomonsoordeel vellen (=met een heel vraagstuk een zeer wijze en goede beslissing nemen)
  40. een veer (moeten) laten (=met minder genoegen moeten nemen)
  41. een veer van zijn mond kunnen blazen (=nog niet totaal uitgeput zijn)
  42. een vogel zingt zowel van armoe als van weelde. (=je kan positief zijn onder alle omstandigheden)
  43. eerst komt het eten dan de moraal. (=overleven is belangrijker dan het volgen van regels.)
  44. elke dag een draadje is een hemdsmouw in een jaar (=als je iedere dag een beetje doet komt het karwei uiteindelijk klaar)
  45. er de mond vol van hebben (=praten over de zaken die iemand bezighouden)
  46. er geen tekeningetje bij moeten maken (=het is overduidelijk)
  47. er is meer dan de molen in het woud omgegaan (=er is iets bijzonders gebeurd)
  48. er is nog nooit een kok gevonden die koken kan voor alle monden (=je kunt het niet iedereen naar de zin maken)
  49. er komt moord en doodslag van (=het komt tot grote problemen)
  50. er zijn mond niet aan vuil maken (=er niets over willen zeggen)

487 betekenissen bevatten `mo`

  1. dat is iemand met een gebruiksaanwijzing (=dat is iemand waarvan je weet hoe je met diegene om moet gaan)
  2. als een vlag op een modderschuit (=dat is veel te mooi voor die situatie)
  3. dat is andere peper (=dat is wat anders, dat is moeilijker)
  4. dat is andere tabak (=dat is wat anders, dat is moeilijker)
  5. iets op je lever hebben (=dat je nog iets wilt uiten, dat er iets is dat je heel erg dwars zit en dat gezegd moet worden)
  6. dat komt als mosterd na de maaltijd (=dat komt op een moment dat het geen nut meer heeft)
  7. daar moet de schoorsteen van roken (=dat moet de inkomsten voortbrengen. Daar moeten we van bestaan)
  8. olie op de golven gieten/gooien (=de gemoederen kalmeren)
  9. voor iets moeten bloeden (=de gevolgen moeten dragen)
  10. de jongste ezel moet het pak dragen (=de jongste moet de vervelende klusjes opknappen)
  11. de lip laten hangen (=de moed opgeven, pruilen)
  12. fris gewaagd is half gewonnen (=de moedigste heeft de meeste kansen om iets te winnen)
  13. geen zorgen voor morgen, elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad (=de moeilijkheden van vandaag zijn genoeg om je zorgen over te maken)
  14. iemand kunnen maken en breken (=de mogelijkheid hebben te beslissingen over iemands leven en dood en welbevinden)
  15. de grote vissen eten de kleine (=de ondergeschikten moeten doen wat de baas zegt / het slachtoffer worden van overmacht.)
  16. met zijn talenten woekeren (=de persoonlijke mogelijkheden/gaven goed gebruiken)
  17. andermans boeken zijn duister te lezen (=de toestand of bedoelingen van een ander zijn moeilijk in te schatten)
  18. wie de pot breekt betaalt de scherven (=de veroorzaker van schade moet de situatie zelf rechtzetten.)
  19. het gras voor de voeten wegmaaien (=de woorden uit de mond nemen - alle kansen ontnemen)
  20. als men van de duivel spreekt trapt men hem op zijn staart (=degene waarover men spreekt, laat zich dikwijls op dat moment zien)
  21. denken met kousen en schoenen in de hemel te komen (=denken dat men zich niet moet inspannen)
  22. die is niet voor de poes (=die moet als tegenstander niet onderschat worden)
  23. een harde noot kraken (=dingen bespreken die moeilijk liggen, een moeilijk karwei doen)
  24. moet is een bitter kruid. (=dingen die men moet doen kunnen onaangenaam of vervelend zijn.)
  25. op til zijn (=dingen zijn op dit moment gaande (met name veranderingen))
  26. haast je langzaam (=doe het zo snel mogelijk, maar niet sneller (uit het Latijn: Festina lente))
  27. de tijd vliet snel gebruik hem wel (=doe wat je moet doen, terwijl je nog kan)
  28. iemand links laten liggen (=doen alsof iemand er niet is, niet bemoeien met iemand)
  29. een zware pijp roken (=door eigen schuld in moeilijkheden komen)
  30. al doende leert men (=door iets vaak te doen, leert men hoe het moet.)
  31. door het lint gaan (=door woede je emoties niet (meer) onder controle kunnen houden)
  32. over lijken gaan (=doordouwen zonder oog voor ethiek of moraal)
  33. moeten kiezen of delen (=een (vervelende) keus moeten maken)
  34. meisjes die bloemen dragen, mag je kussen zonder te vragen (=een aanmoediging om meisjes met bloemen te kussen)
  35. een blind paard zou er geen schade doen (=een armoedig interieur)
  36. je mag wel ergens anders honger krijgen, als je thuis maar komt eten. (=een getrouwde man mag wel met knappe meisjes flirten, daar moet het bij blijven.)
  37. het juiste midden vinden (=een goed evenwicht vinden tussen twee tegengestelde aanpakken. Bijvoorbeeld, als het er om gaat hoeveel bevoegdheden de politie moet hebben om de rechtsstaat te handhaven)
  38. een bek als een hooischuur hebben (=een grote mond hebben)
  39. je sluis openzetten (=een grote mond zetten)
  40. een mond als een hooischuur (=een grote of erg brutale mond)
  41. eet vis, als er vis is. (=een gunstige gelegenheid moet men niet ongebruikt laten voorbijgaan.)
  42. een klein visje een zoet visje (=een klein voordeel of winstje dat met weinig moeite is verkregen)
  43. een duit in het zakje doen (=een kleine bijdrage leveren. (Historisch: de kleinst mogelijke gave in het collectezakje van de kerk).)
  44. geen centje pijn. (=een kleine moeite.)
  45. de kunst gaat om brood (=een kunstenaar verdient moeizaam z`n brood)
  46. een scheve schaats rijden (=een misstap begaan. Een morele regel overtreden)
  47. een ridder zonder vrees of blaam (=een moedig mens)
  48. een heet hangijzer (=een moeilijk onderwerp waar veel discussie over bestaat)
  49. de bot kunnen gallen (=een moeilijke taak aankunnen)
  50. één uur van onbedachtzaamheid, kan maken dat men jaren schreit (=één moment van onvoorzichtigheid kan verschrikkelijke gevolgen hebben)

25 dialectgezegden bevatten `mo`

  1. mo gow wè (=Het is toch geen waar zeker) (Roeselaars)
  2. mô je gaon hooie (=heb je haast) (Hoeksche Waards)
  3. mo joengene toch (=maar jongen toch) (Brugs)
  4. mo jom (=Maar man toch) (Herentals)
  5. mo kunn'n eet'n lik è mussjche (=niet veel kunnen eten) (Veurns)
  6. mo thoop' ang'n mi aak'n en oog'n (=niet goed ineenzitten) (Veurns)
  7. mo vint toch (=amai zeg) (Roeselaars)
  8. mok mo Dajje Zjirre Vwurt Zi (=ga weg) (Kortrijks)
  9. Ni blèite, mo frète! (=Niet wenen, maar eten!) (Geels)
  10. Ni jaanke, mo taanke! (=Niet wenen, maar drinken!) (Geels)
  11. Ni spaauwe, mo volhaauwe! (=Niet overgeven, maar volhouden!) (Geels)
  12. Nie kuurieus zien mo gèèrn ol weet'n (=Niet nieuwsgierig zijn maar ...) (Veurns)
  13. schoane van verre mo verre van schoane (=niet bepaald een schoonheid) (Brugs)
  14. skwoine van verre mo verre van skwoine (=mooi van veraf, van dichtbij echter ...) (Wevelgems)
  15. sloa mo bin (=begin maar te eten) (Poperings)
  16. t mo a lekker wezen wil k t nie lussen (=lekker eten) (Zeeuws)
  17. trek mo je brettils up (=span je maar in) (Brugs)
  18. twa mo zuste vwao (=het was maar juist om) (Kortrijks)
  19. Vele undre kop ziene, mo wienig t kleur van under held (=Iemand die profiteert) (Izegems)
  20. welke mo we hebbe dan (=welke moeten we hebben dan) (Hendrik-Ido-Ambachts)
  21. ze (e van pet) mo de sprake tekort (=de kat is slim) (Veurns)
  22. mo woës, menneke, ge moet ni groëze (=wees maar braaf, kindje, je moet niet wenen) (Holsbeeks)
  23. Zeg et mo wè. (=Zeg het maar, hoor.) (Zwevegems)
  24. zis mo stoofhoet langde (=klein mensje) (Veurns)
  25. Zwégt mo stillekes stil (=Ik zou maar niets zeggen als ik jou was) (Rillaars)




Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen