Spreekwoorden met `aten`

Zoek


114 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `aten`

  1. iemand in zijn eigen vet gaar laten smoren (=iemand die iets misdaan heeft aan zijn lot overlaten)
  2. iemand laten barsten (=iemand helemaal niet helpen, aan zijn lot overlaten)
  3. iemand links laten liggen (=doen alsof iemand er niet is, niet bemoeien met iemand)
  4. iemand naar de mond praten (=vleien en vriendelijk zijn om iets gedaan te krijgen)
  5. iets blauw blauw laten (=iets maar laten voor wat het is, er niet meer over praten)
  6. iets dat krom is recht proberen te praten (=met praten proberen een fout iets goeds te laten lijken)
  7. iets in de gaten krijgen (=iets ontdekken, iets zien)
  8. iets langs je (koude) kleren af laten glijden (=ergens niets van aan trekken)
  9. iets laten zwemmen (=er geen aandacht meer aan besteden)
  10. iets links laten liggen (=ergens geen aandacht aan geven)
  11. iets niet koud laten worden (=ergens onmiddellijk op ingaan)
  12. iets niet op je laten zitten (=iets niet aanvaarden zonder tegenstand)
  13. iets op zijn beloop laten (=iets gewoon maar verder laten gaan zonder dat je je ermee bemoeit, zonder dat je ingrijpt)
  14. iets over z`n kant laten gaan (=zich nergens iets van aantrekken)
  15. iets uit het hoofd laten (=het vaste voornemen hebben om iets na te laten, iets niet doen)
  16. iets/iemand in de gaten hebben/krijgen (=doorkrijgen hoe dingen in elkaar steken of zicht houden op de situatie)
  17. in de lucht laten vliegen (=laten ontploffen)
  18. in zijn hemd laten staan (=voor schut laten staan)
  19. in zijn sop gaar laten koken (=zijn kritiek en protesten negeren)
  20. je de wet niet voor laten schrijven (=geen bevelen accepteren van een ander)
  21. je hielen laten zien (=weggaan)
  22. je iets laten aanleunen (=je iets laten welgevallen)
  23. je in de kaart laten kijken (=meestal onopzettelijk een ander inzicht geven in je bedoelingen)
  24. je kan niet alle meisjes haten om één (=als je bent getrouwd wilt dat niet zeggen dat vrouwen je niet meer interesseren)
  25. je kinderen in het wild laten opgroeien (=zijn kinderen geen (of een slechte) opvoeding geven)
  26. je laten kennen (=het (al te vroeg) opgeven)
  27. je laten kisten (=het (al te vroeg) opgeven)
  28. je licht ergens op laten schijnen (=iets duidelijk maken)
  29. je moet de kat niet aan de kaas laten komen. (=zorg voor niet te veel verleiding)
  30. je mond voorbij praten (=meer zeggen dan dat er gezegd mag worden en/of het verklappen van een geheim)
  31. je niet laten kennen (=het niet te vlug opgeven)
  32. je oren laten hangen (=depressief zijn, het opgeven)
  33. je penaten ergens vestigen (=zich vestigen (zich ergens thuis voelen))
  34. je penaten opzoeken (=naar huis gaan)
  35. je rolletje laten aflopen (=volop genieten)
  36. je tanden laten zien (=tonen dat men niet bang is, van zich afbijten; stevig uitvaren; streng zijn)
  37. ken straten voor stegen (=je moet weten tot wie men zich wendt)
  38. laten waaien (=verwaarlozen, zich er niets van aantrekken)
  39. laten we elkaar geen mietje noemen (=laten we precies zeggen hoe we denken over de ander)
  40. lege vaten klinken het holst (=zij die er niets over weten, roepen het hardst)
  41. leven en laten leven (=iemand of iets z`n gang laten gaan en niet mee bemoeien)
  42. met een hete aardappel in de keel praten (=op een bekakte manier praten)
  43. met twee maten meten (=niet voor alles of iedereen even streng zijn)
  44. met twee monden praten (=jezelf tegenspreken in verschillende situaties, niet eerlijk zijn)
  45. nieuwe bezems vegen schoon, maar oude bezems kennen alle hoeken en gaten (=nieuwe medewerkers (of: nieuwe leiders) pakken de zaken grondig aan, maar oude medewerkers (of: oude leiders) weten hoe het moet op grond van ervaring)
  46. over koetjes en kalfjes praten (=over allerlei onbelangrijke dingen praten)
  47. over land en zand praten (=over lichte onbeduidende dingen praten)
  48. praten als Brugman (=gemakkelijk mensen kunnen overtuigen en vlot en boeiend kunnen vertellen)
  49. recht praten wat krom is (=door een ingewikkelde, onjuiste redenering een onzuivere situatie, daad of besluit trachten van een rechtvaardiging te voorzien)
  50. ruw laten stikken (=aan zijn lot overlaten)

172 betekenissen bevatten `aten`

  1. je kaken roeren. (=goed eten of praten.)
  2. een gladde tong hebben (=goed kunnen praten, het goed kunnen uitleggen)
  3. in ere houden (=goed onderhouden, niet laten voorbijgaan)
  4. zwijgen in alle talen (=helemaal niets zeggen, niets van zich laten horen)
  5. in Rome geweest zijn, maar de Paus gemist hebben (=het belangrijkste laten schieten)
  6. de vingers jeuken hem (=het bijna niet kunnen laten er op los te slaan)
  7. het in de ramen hebben (=het in de gaten hebben)
  8. de kerk midden in het dorp laten. (=het laten zoals het is)
  9. de teugels afwerpen. (=het loslaten van regels en verantwoordelijkheden)
  10. door de zure appel (heen)bijten (=het onaangename doen of over zich heen laten gaan)
  11. iets naar zijn hand zetten (=het precies (laten) doen zoals hij wil)
  12. iets uit het hoofd laten (=het vaste voornemen hebben om iets na te laten, iets niet doen)
  13. niet op je achterhoofd gevallen zijn (=hij is behoorlijk slim; hij heeft iets wel in de gaten)
  14. er een handje van hebben (=hinderlijke gewoonte, als iemand de kans ergens toe ziet die ook nemen, een ander het werk laten doen)
  15. iemand uit bed lichten (=iemand `s nachts laten opstaan)
  16. iemand in zijn eigen sop gaar laten koken (=iemand aan zijn lot overlaten (iemand die iets niet goed gedaan heeft))
  17. de hete aardappel doorspelen (=iemand anders de vervelende klus laten opknappen)
  18. iemand op het matje roepen (=iemand bij zich laten komen en om uitleg vragen waarom iets zo gedaan is)
  19. iemand iets in de mond geven (=iemand de mening van een ander laten geven in plaats van de eigen mening)
  20. iemand in zijn eigen vet gaar laten smoren (=iemand die iets misdaan heeft aan zijn lot overlaten)
  21. gekke Henkie (=iemand die niets in de gaten heeft (bv. `Je denkt toch niet dat ik gekke Henkie ben ?`))
  22. een oud voerman hoort nog graag het klappen van de zweep (=iemand die oud is vindt het fijn te praten over dingen van vroeger)
  23. iemand om een boodschap sturen (=iemand een opdracht laten uitvoeren)
  24. iemand op de hak nemen (=iemand er tussen nemen (grap uithalen) of spottend over iemand praten)
  25. iemand de stuipen op het lijf jagen (=iemand erg laten schrikken en/of bang maken)
  26. iemand de vrije hand geven (=iemand geheel vrij laten in de wijze waarop hij een opdracht uitvoert)
  27. iemand laten barsten (=iemand helemaal niet helpen, aan zijn lot overlaten)
  28. iemand iets in het oor fluisteren (=iemand iets zachtjes zeggen, heimelijk laten weten)
  29. iemand klein krijgen (=iemand laten merken dat je hem aankunt, over iemand de baas zijn en diegene tot gehoorzaamheid dwingen)
  30. leven en laten leven (=iemand of iets z`n gang laten gaan en niet mee bemoeien)
  31. iemand een poot uitdraaien (=iemand te veel laten betalen)
  32. iemand het vel over de oren halen (=iemand te veel laten betalen)
  33. iemand villen (=iemand te veel laten betalen / Iemand afpersen)
  34. iemand het nakijken geven (=iemand verslaan of achterlaten.)
  35. iemand voor het naadgaren zetten (=iemand voor de schulden laten opdraaien)
  36. iemand van het kastje naar de muur sturen (=iemand voor niets heen en weer laten lopen)
  37. iemand het gat van de deur wijzen (=iemand zeggen dat die het pand moet verlaten of iemand wegsturen)
  38. iemand de vrije teugel laten. (=iemand zijn eigen gang laten gaan)
  39. iemands voetveeg zijn (=iemands slaaf zijn (zich alles moeten laten welgevallen))
  40. je gal spuwen/uitbraken (=iets afkeuren en dat duidelijk laten merken)
  41. iets op zijn beloop laten (=iets gewoon maar verder laten gaan zonder dat je je ermee bemoeit, zonder dat je ingrijpt)
  42. er lucht van krijgen (=iets in de gaten krijgen)
  43. iets blauw blauw laten (=iets maar laten voor wat het is, er niet meer over praten)
  44. iets met argusogen bekijken (=iets wantrouwend bekijken. Iets nauwlettend in de gaten houden)
  45. een oog in het zeil houden (=in de gaten houden)
  46. de vinger aan de pols houden (=in de gaten houden of alles goed gaat)
  47. voor dood achterlaten (=in de steek laten zonder hoop op herstel.)
  48. op poten staan (=in een brief nergens omheen praten)
  49. je met hand en tand verzetten (=je  heftig verzetten en er alles aan doen om het niet te laten doorgaan)
  50. je iets laten aanleunen (=je iets laten welgevallen)




Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen