Spreekwoorden met `chten`

Zoek


52 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `chten`

  1. aan de vruchten kent men de boom (=aan de nakomelingen kent men de ouders)
  2. als de dagen lengen, gaan de nachten strengen (=het koudste deel van de winter valt na de kortste dag)
  3. als twee honden vechten om een been loopt de derde ermee heen (=als twee mensen ruzie maken, profiteert een derde ervan.)
  4. daar is wel wachten maar geen vasten naar (=dat zal niet gauw gebeuren)
  5. de bui afwachten (=rustig afwachten wat voor onheil er komt)
  6. de deksel van de pot aflichten. (=bekendmaken wat voorheen verborgen was)
  7. de hand met iets lichten (=niet scherp opletten, het niet te streng nemen)
  8. de hielen lichten (=weggaan)
  9. de kip met gouden eieren slachten (=een iets met veel rendement wegdoen)
  10. de lade lichten (=geld uit de lade halen)
  11. de ochtendstond/morgenstond heeft goud in de mond (=door vroeg te beginnen kan men meer werk verrichten)
  12. de vruchten van iets plukken (=het voordeel van iets hebben)
  13. de vruchten zullen de beloften der bloemen overtreffen (=het is nu al goed, maar het eindresultaat wordt nog veel beter)
  14. eb en vloed wachten op niemand (=de tijd gaat gewoon door)
  15. een beentje lichten (=doen struikelen (letterlijk of figuurlijk))
  16. een tipje van de sluier oplichten (=een klein stukje van het onbekende onthullen)
  17. gedachten zijn tolvrij (=iedereen mag vrij denken wat diegene wil)
  18. geen heil verwachten (=niets positiefs zien)
  19. gewicht hechten aan (=belang hechten aan)
  20. het anker lichten (=ergens vertrekken, weggaan en verder reizen)
  21. het ene ongeluk kan niet op het andere wachten. (=ongeluk komt zelden alleen)
  22. het gemeste kalf slachten (=een groot feest opzetten / het beste en lekkerste eten op tafel zetten)
  23. het pleit beslechten/beslissen/verliezen (=de zaak definitief verliezen)
  24. het zijn niet de slechtste vruchten waaraan de wespen knagen (=over goede mensen worden vaak onaardige dingen verteld)
  25. iemand de beurs lichten (=van iemand geld stelen/afhandig maken)
  26. iemand de voet lichten (=iemand op gemene manier de baan afnemen)
  27. iemand niet kunnen luchten of zien (=een hekel aan iemand hebben)
  28. iemand pootje lichten (=iemand doen struikelen)
  29. iemand uit bed lichten (=iemand `s nachts laten opstaan)
  30. iemand uit het zadel lichten (=iemand zijn positie doen verliezen, iemand ontslaan)
  31. iemand van twaalf ambachten en dertien ongelukken zijn (=steeds verschillende baantjes hebben maar in geen enkel baantje succesvol zijn)
  32. iemands doopceel lichten (=zeer uitgebreid vertellen/uitzoeken wie iemand is en wat die in het verleden allemaal gedaan heeft)
  33. iets beneden zijn waardigheid achten (=iets niet willen doen omdat men vindt dat men een betere taak waard is)
  34. je anker kappen/lichten (=er met spoed vandoor gaan)
  35. je hart luchten (=iemand over je problemen vertellen)
  36. je in allerlei bochten wringen (=er op alle mogelijke wijzen proberen onderuit te geraken)
  37. je zegel aan iets hechten (=goedkeuring of toestemming ergens aan geven)
  38. onder het juk zuchten (=onderworpen zijn)
  39. ook de beste boom geeft slechte vruchten (=zelfs goede ouders kunnen kinderen hebben die het verkeerde pad inslaan.)
  40. op twee gedachten hinkelen/hinken (=moeilijk kunnen beslissen)
  41. tegen windmolens vechten (=tegen irreëele gevaren/zaken vechten)
  42. titanenarbeid verrichten (=erg zwaar werk doen)
  43. twaalf ambachten, dertien ongelukken (=wie telkens van beroep verandert, slaagt uiteindelijk nergens in)
  44. uit het zadel lichten (=zijn rang of stand of betrekking doen verliezen)
  45. van twaalf ambachten en dertien ongelukken zijn (=telkens ander werk doen maar er bij geen van allen iets terecht brengen)
  46. vechten dat de kraaien om de brokken komen (=hevig vechten)
  47. vechten om `s keizers baard (=vechten om niets)
  48. vechten tegen de bierkaai (=een gevecht aangaan dat al bij voorbaat verloren is)
  49. voor de drang der omstandigheden zwichten (=zich naar de omstandigheden schikken)
  50. wachten tot je een ons weegt (=onmogelijk lang wachten)

104 betekenissen bevatten `chten`

  1. naar zijn hielen omzien (=aan vluchten denken)
  2. als je geschoren wordt, moet je stilzitten (=als er scherpe kritiek op je is (je wordt geschoren), kun je beter rustig wachten tot het voorbij is, in plaats van erop in te gaan)
  3. wie kaatst kan/moet de bal verwachten (=als je een ander plaagt, kun je verwachten dat die jou terug gaat plagen)
  4. wie appelen vaart, die appelen eet (=als je handelt in bepaalde goederen, dan zul je deze zelf waarschijnlijk ook gebruiken. / Iemand die bepaalde werkzaamheden voor een ander moet verrichten, geniet daar doorgaans zelf ook van)
  5. wanneer twee honden vechten om een been, loopt de derde ermee heen (=als twee strijdende personen of partijen zich richten op elkaar, kan een ander daarvan profiteren door zich datgene toe te eigenen waar om gestreden wordt)
  6. niets dan wonden en builen zoeken (=altijd willen vechten)
  7. de paal door de oven steken (=bankroet gaan, zich te gronde richten)
  8. van leer trekken (=beginnen met vechten, duidelijk laten merken dat iets als vervelend ervaren wordt)
  9. gewicht hechten aan (=belang hechten aan)
  10. van je buik een afgod maken (=belang hechten aan lekker eten en drinken)
  11. op de boom verkopen (=boomvruchten verkopen voor ze geplukt zijn)
  12. mastiek maken (=de dagelijkse schoonmaak verrichten)
  13. zo heer zo knecht (=de knechten volgen het voorbeeld van de bazen)
  14. het krieken van de dag/dageraad (=de vroege ochtend)
  15. recht praten wat krom is (=door een ingewikkelde, onjuiste redenering een onzuivere situatie, daad of besluit trachten van een rechtvaardiging te voorzien)
  16. de ochtendstond/morgenstond heeft goud in de mond (=door vroeg te beginnen kan men meer werk verrichten)
  17. zoet gedronken, zuur betaald. (=drankmisbruik kan veel schade aanrichten)
  18. de kat uit de boom kijken (=een afwachtende houding aannemen)
  19. het hazenpad (ver)kiezen (=er vandoor gaan of vluchten)
  20. er muziek in zitten (=er veel van kunnen verwachten en/of plezier van beleven)
  21. uit de hengstebron gedronken hebben (=erg veel gedichten schrijven)
  22. ergens een potje te vuur hebben staan (=ergens noch wat zeer ongunstigs te verwachten hebben)
  23. waar de klok luidt, daar is een kapel. (=geruchten hebben vaak een kern van waarheid)
  24. aan zijn neus hangen (=hem inlichten)
  25. het uitzingen (=het einde ervan afwachten, het volhouden)
  26. als je alles van tevoren weet, ga je liggen voor je valt (=het heeft geen zin zich na afloop te beklagen over gebrek aan voorkennis. (Meestal in antwoord op klachten als `Als ik dat van tevoren geweten had.`))
  27. als je alles van tevoren wist, dan kwam je met een dubbeltje de wereld rond (=het heeft geen zin zich na afloop te beklagen over gebrek aan voorkennis. (Meestal in antwoord op klachten als `Als ik dat van tevoren geweten had.`))
  28. het is een pleister op een zere wonde (=het is bedoeld om het leed wat te verzachten)
  29. wat baten kaars en bril als de uil niet zien en lezen wil (=het is vruchteloos iemand te willen voorlichten als hij dat niet wil)
  30. de bijl aan de wortel leggen (=het kwaad in de oorsprong trachten uit te roeien)
  31. balsem in de wonde gieten (=het leed verzachten)
  32. vechten dat de kraaien om de brokken komen (=hevig vechten)
  33. wat de boer niet kent, dat vreet hij niet (=hij wenst uitsluitend gerechten te nuttigen die hij reeds kent)
  34. iemand doodverven met iets (=iemand bestemd voor een post achten, iemand als de dader van iets afschilderen (doodverf is grondverf)[1])
  35. iemand met de nek aankijken (=iemand minachten of negeren.)
  36. iemand achter de bank schuiven (=iemand minachtend behandelen)
  37. iemand een oor aannaaien (=iemand oplichten)
  38. appels voor citroenen verkopen (=iemand oplichten.)
  39. je neus voor iets ophalen (=iets minderwaardig achten)
  40. een potje te vuur hebben staan (=iets onaangenaams te verwachten hebben)
  41. nog niet jarig zijn (=iets ongunstigs te verwachten hebben)
  42. naar iets vissen (=iets trachten te achterhalen)
  43. de scherpe kantjes er van afhalen. (=iets verzachten of minder extreem maken)
  44. ik ben geen uithangbord (=ik heb meer te doen, ik blijf niet wachten/zo staan)
  45. de rijzende/opgaande zon aanbidden (=in de gunst trachten te komen van iemand die succesvol is)
  46. aan het vinkentouw zitten (=in spanning iets afwachten en graag door willen)
  47. op je tandvlees lopen (=in totale uitputting voortdoen, zijn laatste krachten gebruiken)
  48. de aanval is de beste verdediging (=je kunt in een strijd of ruzie beter zelf actie ondernemen dan afwachten)
  49. tegemoet zien (=kunnen verwachten)
  50. overstag gaan (=na aandringen/lang er mee wachten toegeven)




Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen