13 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `Mut`
- de Muts stond hem scheef. (=een slecht humeur hebben)
- de Muts zich verkeerd staan (=een slecht humeur hebben)
- een slaapMutsje nemen (=een borreltje nemen voor het slapen gaan)
- een veer op zijn Muts steken (=een compliment geven/krijgen)
- goed geMutst zijn (=opgewekt zijn, in een goede, vrolijke bui zijn)
- het scheelt hem onder de Muts. (=hij is niet helemaal goed wijs)
- hutje bij Mutje leggen (=ieder draagt bij voor het deel dat die kan)
- met de Muts naar iets gooien (=ergens geen zorg aan besteden / er een slag naar slaan, ernaar raden)
- Mutatis Mutandis (=met de nodige wijzigingen) (Latijn)
- naar de Mutsaard rieken (=iets klopt zeer niet (mutsaard = brandstapel) / verdacht worden van ketterij)
- slecht geMutst zijn (=een slecht humeur hebben)
- zo vast staan als een Muts met zeven keelbanden (=erg vast staan)
- zo vol als Mut (=eivol)
Eén betekenis bevat `Mut`
- naar de mutsaard rieken (=iets klopt zeer niet (Mutsaard = brandstapel) / verdacht worden van ketterij)
45 dialectgezegden bevatten `Mut`
- 't oale vleis Mut eerst op (=Oude mensen gaan eerst dood) (Vechtdals)
- 't olte breud Mut eerst op (=Oude mensen sterven het eerst) (Zwartebroeks)
- Aa Mut beuzze geeve (=Hij moet zich haasten) (Onze-Lieve-Vrouw-Waver)
- als it net kin sa als 't Mut, dan Mut it maar sa als 't kin (=als het niet kan zoals het moet, dan moet het maar zoals het kan) (Leewarders)
- as 'n kalf niet zoepen wilt Mut ie 'm in luttenbarge op de voetbal doe (=als iemand niet drinken wilt) (Sallands)
- as de klant met de slager praat, Mut de wurst um stilhouwe (=als Pietje met Robert praat moet Peter zich stilhouden) (Leewarders)
- as het su Mut dan Mut het maar su (=als het zo moet dan moet het maar zo) (Leewarders)
- As ut n't geet zoas ut Mut, Mut ut mear zo as ut geet (=Als het niet gaat zo als het moet, moet het maar zoals het gaat.) (Twents)
- As-t nie kan zo-as 't Mut dan mu't-ma zo-as 't kan (=We moeten roeien met de riemen die we hebben) (Epers)
- da mag mo da Mut ni (=dat mag maar het hoeft niet) (herenthouts)
- Denne koene Mut nog mölk' n wön. (=Die koeien moeten nog gemolken worden.) (Sallands)
- Dje mût oer snaat doo ni tûssesteeke (=Je moet je er niet mee bemoeien) (Walshoutems)
- doa hubste gein klute Mut te make (=daar heb jij je niet mee te moeien) (Opglabbeeks)
- Eune keer dit, Anderu keer dat, ik weet ut Mut jou ook niet hoar... (=De ene keer zeg je dit, de andere keer dat. je bent niet te volgen) (Utrechts)
- ga Mut nog gon hoewe zejker (=iemand die zijn broek heeft laten open staan) (Ransts)
- Ge Mut (=Je moet) (Geldermalsens)
- Ge Mut aa manieren aave (=Je moet beleefd zijn) (Onze-Lieve-Vrouw-Waver)
- Ge Mut aave Pause'n aave (=Je moet met Pasen te communie gaan) (Onze-Lieve-Vrouw-Waver)
- Ge Mut een kat een kat noeme (=Je moet rechtuit zijn, geen blad voor de mond nemen) (Onze-Lieve-Vrouw-Waver)
- ge Mut is tegoei kaake, 'tzit bezaan in men tes (=je moet eens goed kijken, het zit opzij van mijn broekzak) (Heist-op-den-Berg)
- ge Mut jen mulle od' n (=je moet zwijgen) (Zuid-West-Vlaams)
- Ge Mut nen langen érrem emme (=Je moet een lange arm (voorspraak) hebben) (Onze-Lieve-Vrouw-Waver)
- ge Mut ni over oe aaige klappe, da zulle d'aander wel doeng as ge weg zaait (=je moet niet over jezelf praten, dat doen de anderen wel als je weg bent) (Antwerps)
- Ge Mut pesjense'n emme (=Je moet geduldig zijn) (Onze-Lieve-Vrouw-Waver)
- hè zit wat Mut dich in (=Hij is begaan met U) (Opglabbeeks)
- hij Mut ome segge teugen de Oldehove (=hij is een echte Liwwadder) (Leewarders)
- ie Mut ankriengn (=tast toe) (Vechtdals)
- Ie Mut mij niet van 't wark afhollen (=Je moet me niet van 't werk afhouden!!) (Hoogeveens)
- Ie Mut oe alles met doeme en wiesvinger in de konte drukk’n (=Je snapt er ook nooit wat van) (Zwols)
- Ie Mut oe koest hollen (=Je moet je rustig houden) (Hoogeveens)
- Ie Mut oe ok alles met doeme en wiesvinger in de konte drukk’n (=Je snapt er ook nooit wat van) (Zwols)
- ie Mut toch iets hem'm wat oe plög. (=er is altijd iets wat je dwars zit.) (Vechtdals)
- ik Mut eemn de jappel of gietn (=ik moet plassen) (Sallands)
- Ik mût nog in de Nopri zèn. (=Ik moet nog naar de supermarkt.) (Balens)
- Mut hand en tand (=met alle kracht) (Opglabbeeks)
- Mut un waslappe um de prulle stoten (=met een washandje je mond afvegen) (Doornspijks)
- Ne klaane Mut em vuuge (=Een kind moet zich gedragen) (Onze-Lieve-Vrouw-Waver)
- oh nee, ik Mut hier vut! (=oh nee, ik moet hier weg!) (Snekers)
- op det mes künste Mut dien blute koent op zitte (=dat is een bot mes) (Opglabbeeks)
- praot nederlaans as 't Mut en plat as 't kan. (=praat nederlands als het moet en plat als het kan.) (Sallands)
- wa Mut ie? (=wat moet je?) (Twents)
- Wat Mut ik`r mit (=Wat moet ik er mee) (Hoogeveens)
- wie noa de bliksem wil, Mut bie de donder veur de deure langs (=iemand die veel vloekt) (Epers)
- Wie zien geld wil zien verstoe'm, Mut knien of doev'n hol'n (=Wie zijn geld wil verliezen, moet konijnen of duiven gaan houden) (Hoogeveens)
- Ze Mut oem straule gaun (=Zij moet om Röntgen stralen gaan) (Onze-Lieve-Vrouw-Waver)
Bronnen
De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers.
Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook:
- vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen