Spreekwoorden met `Mut`

Zoek

13 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `Mut`

  1. de Muts stond hem scheef. (=een slecht humeur hebben)
  2. de Muts zich verkeerd staan (=een slecht humeur hebben)
  3. een slaapMutsje nemen (=een borreltje nemen voor het slapen gaan)
  4. een veer op zijn Muts steken (=een compliment geven/krijgen)
  5. goed geMutst zijn (=opgewekt zijn, in een goede, vrolijke bui zijn)
  6. het scheelt hem onder de Muts. (=hij is niet helemaal goed wijs)
  7. hutje bij Mutje leggen (=ieder draagt bij voor het deel dat die kan)
  8. met de Muts naar iets gooien (=ergens geen zorg aan besteden / er een slag naar slaan, ernaar raden)
  9. Mutatis Mutandis (=met de nodige wijzigingen) (Latijn)
  10. naar de Mutsaard rieken (=iets klopt zeer niet (mutsaard = brandstapel) / verdacht worden van ketterij)
  11. slecht geMutst zijn (=een slecht humeur hebben)
  12. zo vast staan als een Muts met zeven keelbanden (=erg vast staan)
  13. zo vol als Mut (=eivol)

Eén betekenis bevat `Mut`

  1. naar de mutsaard rieken (=iets klopt zeer niet (Mutsaard = brandstapel) / verdacht worden van ketterij)

45 dialectgezegden bevatten `Mut`

  1. 't oale vleis Mut eerst op (=Oude mensen gaan eerst dood) (Vechtdals)
  2. 't olte breud Mut eerst op (=Oude mensen sterven het eerst) (Zwartebroeks)
  3. Aa Mut beuzze geeve (=Hij moet zich haasten) (Onze-Lieve-Vrouw-Waver)
  4. als it net kin sa als 't Mut, dan Mut it maar sa als 't kin (=als het niet kan zoals het moet, dan moet het maar zoals het kan) (Leewarders)
  5. as 'n kalf niet zoepen wilt Mut ie 'm in luttenbarge op de voetbal doe (=als iemand niet drinken wilt) (Sallands)
  6. as de klant met de slager praat, Mut de wurst um stilhouwe (=als Pietje met Robert praat moet Peter zich stilhouden) (Leewarders)
  7. as het su Mut dan Mut het maar su (=als het zo moet dan moet het maar zo) (Leewarders)
  8. As ut n't geet zoas ut Mut, Mut ut mear zo as ut geet (=Als het niet gaat zo als het moet, moet het maar zoals het gaat.) (Twents)
  9. As-t nie kan zo-as 't Mut dan mu't-ma zo-as 't kan (=We moeten roeien met de riemen die we hebben) (Epers)
  10. da mag mo da Mut ni (=dat mag maar het hoeft niet) (herenthouts)
  11. Denne koene Mut nog mölk' n wön. (=Die koeien moeten nog gemolken worden.) (Sallands)
  12. Dje mût oer snaat doo ni tûssesteeke (=Je moet je er niet mee bemoeien) (Walshoutems)
  13. doa hubste gein klute Mut te make (=daar heb jij je niet mee te moeien) (Opglabbeeks)
  14. Eune keer dit, Anderu keer dat, ik weet ut Mut jou ook niet hoar... (=De ene keer zeg je dit, de andere keer dat. je bent niet te volgen) (Utrechts)
  15. ga Mut nog gon hoewe zejker (=iemand die zijn broek heeft laten open staan) (Ransts)
  16. Ge Mut (=Je moet) (Geldermalsens)
  17. Ge Mut aa manieren aave (=Je moet beleefd zijn) (Onze-Lieve-Vrouw-Waver)
  18. Ge Mut aave Pause'n aave (=Je moet met Pasen te communie gaan) (Onze-Lieve-Vrouw-Waver)
  19. Ge Mut een kat een kat noeme (=Je moet rechtuit zijn, geen blad voor de mond nemen) (Onze-Lieve-Vrouw-Waver)
  20. ge Mut is tegoei kaake, 'tzit bezaan in men tes (=je moet eens goed kijken, het zit opzij van mijn broekzak) (Heist-op-den-Berg)
  21. ge Mut jen mulle od' n (=je moet zwijgen) (Zuid-West-Vlaams)
  22. Ge Mut nen langen érrem emme (=Je moet een lange arm (voorspraak) hebben) (Onze-Lieve-Vrouw-Waver)
  23. ge Mut ni over oe aaige klappe, da zulle d'aander wel doeng as ge weg zaait (=je moet niet over jezelf praten, dat doen de anderen wel als je weg bent) (Antwerps)
  24. Ge Mut pesjense'n emme (=Je moet geduldig zijn) (Onze-Lieve-Vrouw-Waver)
  25. hè zit wat Mut dich in (=Hij is begaan met U) (Opglabbeeks)
  26. hij Mut ome segge teugen de Oldehove (=hij is een echte Liwwadder) (Leewarders)
  27. ie Mut ankriengn (=tast toe) (Vechtdals)
  28. Ie Mut mij niet van 't wark afhollen (=Je moet me niet van 't werk afhouden!!) (Hoogeveens)
  29. Ie Mut oe alles met doeme en wiesvinger in de konte drukk’n (=Je snapt er ook nooit wat van) (Zwols)
  30. Ie Mut oe koest hollen (=Je moet je rustig houden) (Hoogeveens)
  31. Ie Mut oe ok alles met doeme en wiesvinger in de konte drukk’n (=Je snapt er ook nooit wat van) (Zwols)
  32. ie Mut toch iets hem'm wat oe plög. (=er is altijd iets wat je dwars zit.) (Vechtdals)
  33. ik Mut eemn de jappel of gietn (=ik moet plassen) (Sallands)
  34. Ik mût nog in de Nopri zèn. (=Ik moet nog naar de supermarkt.) (Balens)
  35. Mut hand en tand (=met alle kracht) (Opglabbeeks)
  36. Mut un waslappe um de prulle stoten (=met een washandje je mond afvegen) (Doornspijks)
  37. Ne klaane Mut em vuuge (=Een kind moet zich gedragen) (Onze-Lieve-Vrouw-Waver)
  38. oh nee, ik Mut hier vut! (=oh nee, ik moet hier weg!) (Snekers)
  39. op det mes künste Mut dien blute koent op zitte (=dat is een bot mes) (Opglabbeeks)
  40. praot nederlaans as 't Mut en plat as 't kan. (=praat nederlands als het moet en plat als het kan.) (Sallands)
  41. wa Mut ie? (=wat moet je?) (Twents)
  42. Wat Mut ik`r mit (=Wat moet ik er mee) (Hoogeveens)
  43. wie noa de bliksem wil, Mut bie de donder veur de deure langs (=iemand die veel vloekt) (Epers)
  44. Wie zien geld wil zien verstoe'm, Mut knien of doev'n hol'n (=Wie zijn geld wil verliezen, moet konijnen of duiven gaan houden) (Hoogeveens)
  45. Ze Mut oem straule gaun (=Zij moet om Röntgen stralen gaan) (Onze-Lieve-Vrouw-Waver)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen